Review

Onzuivere toverfluit

Eerst was er licht. Fel wit licht, dat tijdens de ouverture van Mozarts 'Zauberflöte' recht in je ogen scheen. Vanachter een wit doek straalde het de zaal in. Daarna op de bühne een onderbelichte kamer in overdreven perspectief: de wanden waren lege boekenkasten, met daarboven als grote wegwijzers de woorden 'Natur', 'Vernunft' en 'Weisheit'.

Duidelijker kon niet. Voordat die kasten gevuld waren met verlichte kennis (zo'n tweeëneenhalf uur later), moesten de personages in Mozarts vrijmetselaars-opera zich onderwerpen aan allerlei beproevingen. Van het donker weer naar het licht, als het ware. Nou was die gedachte van de Engelse regisseur Stephen Lawless niet eens zo vreemd, maar de uitwerking maakte Mozarts 'Zauberflöte' ook voor de toeschouwer een bezoeking. Lawless' regie hinkte op twee gedachten. Enerzijds wilde hij de betekenislagen in Mozarts opera aanboren. Dat paste bij het abstracte, maar toch als verlichtings-interieur herkenbare toneelbeeld. Lawless schuwde de grote symboliek niet: uitvergrote en lichtgevende rekwisieten en geometrische opstellingen dienden als uitroeptekens in de kantlijnen van Schikaneders libretto.

Anderzijds bood Lawless zijn publiek een traditioneel schouwspel, dat haaks op de conceptuele abstractie stond. Tamino bewoog zich in achttiende-eeuws jacquet, Pamina in idem jurk, Papageno was verkleed als gevederde paljas, en de priesters van Sarastro vormden een kruising tussen soefi's en raelianen. Omdat geen van beide invalshoeken goed was uitgewerkt, zag de enscenering er uiteindelijk tamelijk lullig en statisch uit. Wezenloos acteerden de zangers hun één-op-één-handelingen: bij het woord 'wijsheid' een nadenkende vinger naar het hoofd, van die dingen. Het lelijke zwart-witte decor van Benoit Dugardyn (die ook al geen keus kon maken tussen genrestuk en ideeënwereld) en de stroperige voortgang deden de opera evenmin goed.

Ook in muzikaal opzicht werd je danig op de proef gesteld. Dirigent Peter Robinson kreeg het voor elkaar om bijna elke inzet met de zangers ongelijk te krijgen. Robinson miste de scherpte, de lichtheid, de fijnzinnigheid en de goede timing die Mozarts muziek zo fris kunnen maken. Hij lette niet op de zuiverheid in het orkest: met name de houtblazers kleunden regelmatig mis. En dat in een werk dat over een toverfluit gaat.

Over ontstemd gesproken: van de zangers waren de Britten Leigh Melrose (Papageno) en Natasha Marsh (Pamina) zowel in vocaal als in theatraal opzicht veruit de sterksten. Een droevige constatering bij een verder grotendeels Nederlandse cast, waarin alleen nog André Post (Tamino) redelijk zong.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden