Review

Ontdekking van de Nederlander

Nederland moest zichzelf rond 1800 nog uitvinden. Juist etnische verscheidenheid werd destijds als ’typisch Nederlands’ aangemerkt.

Seije Slager

Dé Nederlander bestaat niet. Prinses Máxima dacht wellicht een open deur in te trappen toen ze dat in 2007 vaststelde, maar haar opmerking maakte een storm van protest los.

Ook in 1803 maakte iemand al eens een vergelijkbaar statement. De Amsterdamse uitgever Evert Maaskamp bracht toen een serie prenten op de markt, onder de welluidende titel ’Afbeeldingen van kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafsche Republiek met den aanvang der negentiende eeuw’. Op de prenten trekt een bonte stoet mensen voorbij, afkomstig uit alle windstreken van Nederland. Inderdaad, dé Nederlander bestaat niet, is de conclusie die zich opdringt.

Die conclusie gold destijds niet als slap multiculti relativisme. Integendeel, Maaskamp noemde zijn serie vol trots een ’schilderij van het vaderland’. Het voorwoord tot de serie hamert op de eenheid van de natie. Tot ver in de achttiende eeuw was dat nog een verzameling gewesten geweest die geen sterke overkoepelende identiteit bezaten. Maar na de Franse inval werd de Bataafse Republiek opgericht, een eenheidsstaat die ook een gevoel van Nederlandse saamhorigheid propageerde.

Dé Nederlander moest nog worden uitgevonden. Maar het was juist de rijke etnische verscheidenheid binnen de landsgrenzen waarmee de vroege nationalisten zich destijds probeerden te onderscheiden van andere naties, laat historica Eveline Koolhaas-Grosfeld zien in het proefschrift waar ze vorige week op promoveerde. Ze bestudeert daarin de prenten waarmee Nederland zichzelf rond 1800 in kaart bracht. Bij de Walburg Pers verschijnt een fraaie handelseditie van haar proefschrift.

Nationalisme was in 1800 een nieuw fenomeen. Maar wie het debat van die dagen vergelijkt met het debat over Nederlanderschap dat tegenwoordig wordt gevoerd, stuit op verrassende parallellen. Zo werden Rooms-Katholieke priesters vaak nog met argwaan bekeken, vergelijkbaar met imams nu. Waren ze trouw aan het vaderland of toch stiekem aan Rome? Eind achttiende eeuw besloten de Staten dat priesters voortaan niet meer uit het buitenland afkomstig mochten zijn. Terecht, meende de arts Le Francq van Berkheij, net als Maaskamp een vaderlandslievend prentenuitgever, die zich zorgen maakte over de ’Vaticaanschen bliksem’ die in zou slaan in de ’vreugdevuuren der vrijheid’.

Een ’kopvoddentaks’ was in ieder geval geen optie; slechts een kleine minderheid van de op de prenten afgebeelde vaderlanders ging destijds blootshoofds door het leven.

De discussie paste binnen een internationaal debat over de vraag of de mensheid nu universeel was, of dat er duidelijke onderlinge verschillen aan te wijzen waren. De ontdekking van primitieve volkeren in de Stille Zuidzee had het mensbeeld van de achttiende-eeuwers flink opgeschud. Waren dat nog mensen, of waren het dieren? Mensen, zei de Franse arts Buffon. Het enige criterium om een soort af te bakenen, is of ze zich onderling kunnen voortplanten. De onderlinge verschillen waren in de loop van de tijd ontstaan door verschillen in klimaat, en onderlinge vermenging. Al ver voor Darwin begon het denken in evolutionaire richting op te schuiven.

Dit universele perspectief op de mens bleek bruikbaar binnen een nationalistisch kader. Ook de Nederlander kende een beginstadium: de Batavier, zoals de Romeinen hem ooit hadden aangetroffen. Deze Batavier, blauwe ogen, blondgelokt, fors gebouwd, belichaamde voor velen de oer-Nederlander.

Het enige probleem was dat de geschiedschrijvers na het jaar 400 nooit meer melding van de Batavieren hadden gemaakt. Aan de nationalisten dus de taak om de lotgevallen van deze mythische stamvaders met veel giswerk te reconstrueren. Dat ging soms met ’geslagtsvermengende rampen’ gepaard, als er weer eens een vreemd volk binnen kwam vallen, en er over en weer werd getrouwd. Maar op sommige geïsoleerde plekken in het land trof je nog authentieke Nederlanders aan. Het bijschrift bij Maaskamps prent over Schokland spreekt over de ’zuiverste en onvermengste ingezetenen van het land’, en legt expliciet de link met de oude Batavieren.

Aan de andere kant: hoe het klimaat mensen kon beïnvloeden, blijkt uit de prent van het Zeeuwse eiland Walcheren: ’zelfs de koleur van hunne kleding schijnt ontleend te zijn van de donkere nevelen die hun eiland dikwijls bedekken’.

De aandacht voor klederdracht en uiterlijk als dragers van de nationale identiteit was destijds nieuw. Pas eind negentiende eeuw zouden de eerste volkenkundige musea openen, en vonden de eerste officiële optochten in klederdrachten plaats.

Natuurlijk was de ’Bataafse mythe’ was al oud, schrijft Koolhaas-Grosfeld. De Republiek had er in de zeventiende eeuw haar bestaan mee verdedigd: de oude Batavieren zouden ook al politiek soeverein zijn geweest. Maar in de prenten van rond 1800 krijgt het nationale verleden voor het eerst een expliciet etnische invulling. Wie de lieve, licht naïeve prenten uit die tijd bekijkt, moet maar even niet denken aan de manier waarop dat gedachtengoed in de twintigste eeuw nog zou ontsporen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden