Review

Ons gierig besef van schuld en boete

Pasen is achteloos toegeëigend door de paashaas, maar honderdduizenden laten zich bekoren door ’De vliegeraar’: het lijdensverhaal in romanvorm. Wat maakt dit boek zo onweerstaanbaar?

Tussen mensen die aan dezelfde borst gedronken hebben, bestaat een bijzondere broederschap. Dat heeft vader Baba met zoveel woorden tegen zijn zoon gezegd. En zo was het.

Al was Hassan met zijn hazenlip de knecht, de onaanzienlijke, en Amir zijn meester, de bevoorrechte – de band tussen hen was onverbrekelijk. „Voor u doe ik alles”, zei Hassan in argeloze toewijding. Zelfs de vlieger ophalen die in de Afghaanse stad Kaboel verdwaald was. Dat was na hun triomfantelijke overwinning in de vliegerwedstrijd. Hassan verdween in het spinnenweb van straatjes, op zoek naar de vlieger en vond hem. En erna vond, of liever zag Amir zijn knecht terug in een vieze steeg. Waar hij verkracht wordt.

„Hassan stribbelde niet tegen. Hij jammerde zelfs niet. Hij verlegde zijn hoofd een stukje en ik zag een glimp van zijn gezicht. Zag de gelatenheid. Het was een blik die ik vaker gezien had. De blik van het lam.”

Het is deze onverdraaglijke scène die het hart vormt van de bestseller ’De vliegeraar’ van Khaled Hosseini. Met geen woord rept Amir over wat hij als verlamd aanschouwd heeft. Geen vinger steekt hij uit om zijn vriend uit diens lijden te verlossen. En Hassan, op zijn beurt, zwijgt in alle talen over waarom zijn lichaam is verminkt.

Maar op den duur kan zijn meester de aanwezigheid van zijn geliefde knecht niet langer verdragen. Amir verstopt geld onder het matras van Hassan. De daaropvolgende verdenking van diefstal is genoeg reden voor Hassans trotse vader om samen met zijn zoon het rijke huis van Amir te verlaten. Als de knecht niet tegenspreekt, flitst door Amir heen: „Hassan wist het. Hij wist dat ik alles gezien had en niets had gedaan. Hij wist dat ik hem verraden had, en toch redde hij me opnieuw, misschien voor het laatst. Op dat moment hield ik van hem; ik hield meer van hem dan ik ooit van iemand gehouden had. [] Ik was dit offer niet waard.”

Het is uiteindelijk het leven van Amir zelf dat door de schuld in het teken van het offer komt te staan. Maar dat realiseert hij zich pas veel, veel later. Achteraf, eigenlijk. Als alles is geschied.

Lam, lijdende knecht, offer, schuld en vergeving – het zijn allemaal uitgesproken christelijke ingrediënten. Het is dan ook opmerkelijk dat duizenden en duizenden ogen ’De vliegeraar’ met instemming verslonden hebben. Juist in een tijd waarin Pasen achteloos door de paashaas is toegeëigend, laten talloze lezers zich bekoren door het lijdens- en verlossingsverhaal in romanvorm. Al blijkt bij navraag wel dat zij eigenlijk niet goed weten waardoor zij zo gefascineerd zijn geraakt.

Ja, die Amir was wel een lafaard, zo vinden ze, en dat hij gebukt ging onder zijn nalatigheid, was niet meer dan billijk. Maar dat het hier louter en alleen om verdiend loon gaat, lijkt mij stug. Zwijgen wij niet altijd in het aangezicht van onbeschrijfelijk leed?

Vandaag is het Stille Zaterdag. De dag dat God zwijgt. De dag dat het geloof onder druk komt te staan. En het is de dag nadat we sprakeloos getuige zijn geweest van de kruisiging. Weinig woorden zijn er in de Heilige Schrift gewijd aan deze korte tijdspanne waarin de stilte neerdaalt. Terwijl het de getuigen, stel ik me zo voor, om uiteenlopende redenen in verbijstering moet hebben achtergelaten. Sta je daar als sceptische schriftgeleerde te kijken hoe Jezus van Nazaret aan het kruis hangt, splijt het voorhangsel van de tempel van boven naar beneden in tweeën. Geschokt roept je naaste toeschouwer, een gezaghebbende hoofdman warempel: „Waarlijk, deze mens was Gods Zoon!”

Welk een verwarring moet er dan niet ontstaan. Denk je al die tijd met een brutale timmermanszoon te maken te hebben. Jawel, een timmermanszoon die met alle wetten spotte en die ze zelfs publiekelijk binnenstebuiten keerde. Feitelijk een ongeletterde onbenul die vergiffenis tussen mensen predikte, terwijl elk een weet dat de vergeving uit den hoge dient te komen – als ze al komt. Een watje dat de mond vol had van liefde. Godlasterlijk, geen ander woord had je ervoor.

Hangend daar aan het kruis, geschiedde het recht. Belangrijk was het om daar getuige van te zijn. Om te zien hoe de naam van de Allerhoogste in ere werd hersteld. Om te zien dat een mens moet lijden, moet boeten voor zijn overtredingen. Totdat, ja, totdat met donderend geweld het voorhangsel spleet. Je moet erbij geweest zijn om te weten hoe oorverdovend dat lawaai was. Je hoorde weer de woorden van die simpele ziel die proclameerde dat hij de afgebroken tempel in drie dagen zou laten herrijzen.

Van het ene op het andere moment verandert alles. Was je zo-even nog getuige van het lijden opdat de wet geschiedde, nu zou je, overdekt met schaamte, je armen willen uitstrekken om hem eigenhandig van het kruis te halen en te overdekken met kussen. Om alles ongedaan te maken wat geen keer heeft. Vanuit de diepste bronnen welt berouw op. Al die tijd heb je je laten misleiden door geïncorporeerde wetten, door geboden en verboden. Blind voor het vleesgeworden Woord dat daar nu hangt met de gebroken blik van het lam.

En dan de anderen, de vrouwen, de getergde discipelen. Aan de voeten van het kruis zijn ook zij verlamd in hun verslagenheid. Hun ongeloof in wat er gebeuren moet, paart zich aan godverlatenheid. Hun stem is gemarginaliseerd in het collectief aangejaagde geroep om hen heen. Machteloos zien zij toe hoe verwarring, verraad, en onmacht hen geleid hebben tot aan het kruis. De kruisiging is een dubbel teken: zie de mens, zie God. Hun luidruchtig snoevende lijden is op hem afgewenteld.

Het is een werkelijkheid die ons bestaan tekent. Getuige te zijn van lijden confronteert ons met ons eigen onvermogen. We kunnen geen helpende hand uitsteken om het lijden daadwerkelijk te verlichten. Gedoemd zijn we, tot louter zijn, verwoord in het stamelende ’Ik weet niet wat ik moet zeggen’. Zo wordt door een duizelingwekkende spiegeling in andermans lijden ons eigen lijden voelbaar. Het enige lot dat we met elkaar delen, is dat we elkaars lot niet kunnen delen. We kunnen alleen nabij zijn.

En dus worden we woedend. Amir heeft, weken nadat hij zijn vriend verkracht zag worden, een speelse ontmoeting met Hassan. Ze spelen, nog wat onbeholpen in elkaars aanwezigheid. En zoals lachen in huilen ontaardt, zo driftig wordt de meester opeens. Hij bekogelt Hassan met granaatappels, roept onderwijl wanhopig: „Sla me dan, sla me.” Het bloed van het vruchtvlees druipt over Hassan heen en Hassan pakt zelf een granaatappel. Breekt die appel open. En wrijft het vruchtvlees, als een variant op Jezus’ doornen kroon, over zijn gelaat. Was Hassan vertoornd over het onrecht geweest, Amir zou ervan opgeknapt zijn. Alles – maar niet deze lankmoedige verdraagzaamheid die in zichzelf de verlossing is.

Te zeer laten we ons knechten door ons eigen gierige besef van schuld en boete. Daarom gaat Amir ertoe over om Hassan vals te beschuldigen: het onschuldige lam moet weg. Geen moment meer kan hij die onschuld onder ogen komen.

God is geen boekhouder, wij zijn het zelf die credit en debet koste wat kost kloppend willen maken. Als Hassan uit Amirs leven verdwijnt, wordt het gapende gat van afwezige liefde opgevuld met de angst dat de zonden hem zullen inhalen.

Maar zie, hij krijgt de gelegenheid om voor de zoon van Hassan te zorgen. En zo breekt de nacht aan waarin Amir verwonderd constateert dat de vergeving over hem is gekomen. Niet met het trompetgeschal van een openbaring. De pijn heeft zijn boeltje gepakt en is midden in de nacht weggeglipt.

Misschien is het daarom wel zo stil vandaag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden