Kunst

Omstreden BKR heeft veel Nederlandse kunstenaars de mogelijkheid gegeven zich te ontwikkelen

Co Westerik, Kind in het blauw met kat, 1953 Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed
Co Westerik, Kind in het blauw met kat, 1953Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Kunstenaars konden tussen 1949 en 1987 een uitkering krijgen in ruil voor kunstwerken - de beruchte ‘Contraprestatie’. Had die gesubsidieerde kunst wel kwaliteit? En waar zijn die honderdduizenden werken gebleven? Conservator Fransje Kuyvenhoven deed onderzoek: “Zo’n luxe regeling was niet te handhaven.”

Het verhaal gaat dat er bij het kunst-inzamelpunt in Amsterdam een bordje hing met de tekst: ‘Niet nat inleveren’. Kunstenaars die ‘in de contraprestatie zaten’ zouden vaak op het allerlaatste moment nog even een schilderij in elkaar flansen om zo verzekerd te zijn van een riante uitkering. De regeling zou prutswerk hebben opgeleverd van mensen die anders nooit als kunstenaar hadden kunnen leven.

Beeldvorming die Fransje Kuyvenhoven hartstochtelijk tegenspreekt. Ze deed uitgebreid onderzoek en schreef een boek over de regeling die in 1949 als ‘contraprestatie’ begon en tussen 1956 en 1987 bekendstond als Beeldende Kunstenaars Regeling, kortweg de BKR. In ruil voor kunstwerken kregen armlastige kunstenaars van de overheid een inkomen zodat ze zich onbelemmerd artistiek konden ontwikkelen.

“Inderdaad een luxe regeling, uniek in de wereld”, zegt Kuyvenhoven, als conservator werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. “Van dit soort regelingen wordt altijd wel door iemand misbruik gemaakt.” 

Aat Veldhoen, Eenwording I, 1962 Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed
Aat Veldhoen, Eenwording I, 1962Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Maar de vele sappige anekdotes neemt ze met een flinke korrel zout. Zoals deze over de Rotterdamse kunstenaar Rijn Rijnse: hij zou er ’s ochtends in de kroeg achtergekomen zijn dat hij voor het middaguur een werk moest inleveren voor de BKR. ’s Middags in dezelfde kroeg stelde hij tevreden vast dat ‘het gekladder’ er weer voor een half jaar op zat.

Dat bordje ‘Niet nat inleveren’ was er als grap opgehangen. Maar het beeld was hardnekkig, geeft Kuyvenhoven toe. “Onderzoek in de jaren tachtig heeft aangetoond dat hooguit een vijfde van de kunstenaars er met de pet naar gooide.” Maar die hielden het niet lang vol. “Er was een commissie die bepaalde of de ingeleverde kunst goed was. Dat waren spannende tijden voor de kunstenaars, want je kon het terugkrijgen. Als men bij herhaling vond dat het niet aankoopbaar was of er geen ontwikkeling in zat, dan kon je naar de bijstand toe.”

Kunst wordt gecatalogiseerd in de beschrijfzaal. Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed
Kunst wordt gecatalogiseerd in de beschrijfzaal.Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed

In de loop der jaren hebben een kleine 6000 kunstenaars gebruikgemaakt van de regeling, sommigen maar kort, anderen jarenlang. Onder hen ook grote namen: Armando, Jan Wolkers, Constant en Marlene Dumas. In de Rijkscollectie zitten vijf werken die Karel Appel maakte in de BKR. De kunstenaar zou later glashard ontkennen dat hij er ooit in had gezeten. 

Ballotagecommissie

Je zou verwachten dat het ministerie van Cultuur verantwoordelijk was, maar de BKR ging uit van het ministerie van Sociale Zaken, begonnen als een ondersteuning van armlastige kunstenaars in de na-oorlogse jaren. De regeling werd uitgevoerd door gemeenten. Kunstenaars konden in aanmerking komen nadat ze gescreend waren door een commissie voor Sociale Kunstopdrachten die bestond uit ambtenaren, collega-kunstenaars, kunstkenners en een rijksconsulent die namens het ­ministerie toezicht hield. Een deel van de gemaakte kunst ging naar de gemeente, een deel naar het rijk (zie kader).

Aanvankelijk moesten kunstenaars nog in overleg met de commissie werk maken. Die eis verviel later; de kunstenaar werd enkel achteraf beoordeeld. Geheel in de sfeer van de jaren zestig en zeventig veranderde de BKR van een steunmaatregel in een verworven recht. Kon je aanvankelijk een paar weken in de contraprestatie, later was het mogelijk er jarenlang in te zitten. En steeds meer kunstenaars kwamen door de ballotage. Voortdurend probeerde het ministerie de regels aan te scherpen, maar iedere wijziging werd door de kunstenaars zwaar bevochten; tot twee keer toe werd het Rijksmuseum bezet om de BKR zo riant mogelijk te houden.

Karel Appel, Lucht en mensen, 1948 Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed
Karel Appel, Lucht en mensen, 1948Beeld Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Taart in het gezicht

In de jaren tachtig besloot het no-nonsense kabinet Lubbers de BKR af te bouwen. Kuyvenhoven snapt dat wel. “Het was crisistijd, zo’n luxe ­regeling was niet meer te handhaven. De BKR was een openeinde­regeling, ik kan me voorstellen dat regeerders liever een gefixeerd aantal kunstenaars wilden ondersteunen voor een bepaald bedrag.”

Na hevig verzet – cultuurminster Elco Brinkman kreeg een slagroomtaart in zijn gezicht, zijn collega op Sociale Zaken Louw de Graaf werd met een spuitbus achterna gezeten – werd besloten de regeling stapsgewijs af te bouwen.

In 1987 kwam de BKR ten einde en moesten de kunstenaars naar het arbeidsbureau. Waar ze erachter kwamen, zo schrijft Kuyvenhoven, dat kunstenaar geen erkend beroep was. ‘Ongeschoold’, schreven ze dan maar op, of ‘nader te bepalen’. Er braken andere tijden aan.

Kuyvenhoven heeft haar boek de titel Monument voor de BKR gegeven. Ze vindt dat de omstreden regeling een eerbetoon verdient. “Absoluut, het heeft heel veel Nederlandse kunstenaars de mogelijkheid gegeven zich te ontwikkelen, en daar hebben we een veelzijdige verzameling Nederlandse kunst aan overgehouden.”

Containers volgepropt met kunst

Al in 1951, twee jaar na invoering van de contraprestatie, zat Daan Lunsingh Scheurleer met de handen in het haar. De baas van de Dienst voor ’s Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen wist niet waar hij alle kunstwerken die hij uit ‘de contraprestatie’ binnenkreeg op een verantwoorde manier kon bewaren. In het ­gebouw van de dienst in Den Haag stonden alle kantoren en gangen vol met 1600 werken. 

Tot zijn grote opluchting vonden veel werken een plaats in ministeries, ziekenhuizen, bejaardenoorden en scholen – ze werden er enthousiast in ontvangst genomen. Helaas werd er niet altijd even voorzichtig mee omgesprongen. In het politiebureau Warmoesstraat in Amsterdam werd een schilderij van Ernst Vijlbrief gebruikt als dartboard. Ook legerkazernes bleken ongeschikt.

De kunst bleef ondertussen maar komen, ieder jaar duizenden nieuwe werken. In 1964 begon het een probleem te worden, de nood was zo hoog dat Lunsingh Scheurleer de ­inpandige fietsenstalling in het ­gebouw tot tijdelijk depot bombardeerde. In 1971 tikte de teller de 50.000 kunstwerken aan; een stal bij paleis het Loo in Apeldoorn bood uitkomst.

Lunsingh Scheurleers opvolger Robert de Haas maakte van zijn hart geen moordkuil, hij sprak van een ‘kunstgezwel’ dat maar bleef groeien en de pers nam de term gretig over. Uit pure nood werden containers ­gehuurd die helemaal werden volgepropt met kunst. Iets terugvinden was onmogelijk geworden en voor de conditie van de kunstwerken was het dramatisch. Pas in 1980 kwam een gebouw beschikbaar dat in ieder geval voldoende ruimte bood: een loodsencomplex van Defensie in Den Haag. Klimatologisch niet optimaal, maar het grote uitpakken en inventariseren kon beginnen.

Schifting

Toen de BKR-regeling in 1987 ten einde kwam had het rijk 221.000 kunstwerken in bezit. Die konden niet allemaal bewaard worden en er werd besloten een schifting te maken: 20.000 werken met een museale waarde bleven in de collectie van de onlangs opgerichte Rijksdienst Beeldende Kunst. De rest werd oneerbiedig afgestoten. Kunst die een onderkomen had gevonden bij ziekenhuizen, ministeries en universiteiten werd aan die instellingen ­geschonken en er werd meer over ­instellingen verspreid. Ook mochten kunstenaars hun eigen werk komen ophalen. 

Zo slonk de voorraad tot 48.000. Kunstenaar Jeroen Henneman vatte toen het wilde plan op die werken samen te persen tot een solide monument voor de BKR: “Een herinnering aan goede bedoelingen en paternalisme.“ Zover kwam het gelukkig niet: alle kunst werd voor een symbolische 1 gulden verkocht aan de Stichting Beeldende Kunst die het druppelsgewijs, via de kunstuitleen, over de samenleving verdeelde. Uiteindelijk bleken 3000 werken zo zwaar beschadigd dat er niets anders opzat dan ze te vernietigen.

Vanaf het begin ging een deel van het BKR-werk ook naar de gemeenten, die de regeling uitvoerden. Zij hadden in 1987 samen zo’n 300.000 werken in bezit. Ook daar is een schifting gemaakt. De plaatselijke kunstuitleen was ook voor de ­gemeenten een dankbare afnemer van het overige werk. Het afstoten gaat tot op de dag van vandaag door.

‘Een monument voor de BKR, de geschiedenis van een spraakmakende kunstenaarsregeling'. Fransje Kuyvenhoven, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Waanders Uitgeverij . 35 euro

In het Gorcums museum en het Purmerends museum zijn exposities ingericht over de BKR. Die zijn weer te zien als de musea open gaan.

Lees ook:

Ook Japan en Indonesië roofden kunst. Van Nederlanders

Roofkunstvind je niet alleen in Nederland. Ook Japan en Indonesië zouden objecten aan Nederland moeten retourneren, vindt kunsthistoricus Louis Zweers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden