Review

Om een omelet te maken moet je de eieren breken

“De eerste wereldoorlog zou wellicht tot een serie beperkte militaire operaties beperkt zijn gebleven als zij niet door de techniek tot een slopende vernietigingsmachine was geworden. Grotere kanonnen vroegen onophoudelijk om meer kanonnenvoer. Voor elke soldaat die sneuvelde stond er weer een andere, tot 8.700.000 keer toe. Het enige monument dat voor hen kon worden opgericht is dat van de Onbekende Soldaat: de ironische, ultieme ontkenning van zijn individualiteit.” De ethicus Frits de Lange over de Franse filosoof Alain Finkielkraut. N.a.v. Alain Finkielkraut: L'Humanité Perdue. Essai sur le XXe Siècle, Ed. Du Seuil 1996. Dr. F. de Lange is hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen.

FRITS DE LANGE

De ingenieur zit achter een immens te schrijven als Levi wordt binnengebracht. “Als hij ophoudt met schrijven, slaat hij zijn ogen op en kijkt me aan. Vanaf die dag heb ik vaak aan de Doktor gedacht. Ik heb me afgevraagd wat er zich in het hoofd van die man zou afspelen. (...) Want de manier waarop hij naar mij keek was niet zoals de ene mens naar de andere kijkt. Als ik die blik, uitgewisseld alsof we twee wezens waren die elk tot een verschillende wereld behoorden en door het glas van een aquarium naar elkaar keken, ten diepste zou kunnen peilen, dan zou ik in een klap het wezen van de grote waanzin van het Derde Rijk hebben verklaard. (... ) Alles wat wij dachten en zeiden van de Duitsers nam op dat moment in hem gestalte aan. De hersens die deze blauwe ogen en deze gesoigneerde handen aanstuurden zeiden duidelijk: 'Dat wat ik nu voor me heb behoort toe aan een soort dat koste wat kost uitgeroeid moet worden. Maar in dit geval is het raadzaam ons er eerst van te vergewissen dat het niet nog iets bruikbaars in zich sluit'.”

De Franse filosoof Alain Finkielkraut (1949) is een kind van joodse ouders, die aan Levi's nachtmerrie van Auschwitz zijn ontkomen. Hij groeide op in een milieu dat wilde vergeten en geruisloos integreren in het naoorlogse Franse consumptie-kapitalisme. 'Een kind van Auschwitz en Bananasplit', noemde hij zichzelf in Le Juif Imaginaire, (1980).

Finkielkraut wil niet vergeten, maar gedenken. “Als er door het jood-zijn iets van je gevraagd wordt, dan moet dat (...) in termen van herinneren gedacht worden. (...) De joodse herinnering is niets anders dan het onophoudelijke gevecht tegen de herinnering van de meerderheid”, Finkielkraut ontpopte zich als een tegendraads, politiek geëngageerde filosoof, van het soort waar Frankrijk patent op heeft.

Hij schreef het ook in het Nederlands vertaalde cultuurkritische essay dat hem internationale roem bezorgde, De ondergang van het denken, en tevens een scherpe analyse van het - in zijn ogen - mislukte proces dat in 1987 tegen de SS'er Klaus Barbie, werd gevoerd (La mémoire vaine). Tijdens de oorlog in Bosnië nam hij het op voor het onafhankelijkheidsstreven van Kroatië - een positie die hem in het van oudsher Serviëgezinde Frankrijk niet in dank is afgenomen.

Finkielkraut wenst de geschiedenis door de ogen van de slachtoffers te evalueren. Vandaar dat hij ook Levi's Auschwitz-ervaring tot toetssteen maakt van zijn evaluatie van de eeuw die nu ten einde loopt. L'humanité perdue is de titel van zijn recente essay over de 20ste eeuw, en inderdaad, vrolijk stemt zijn analyse niet. Want Finkielkraut ontwaart de aquariumblik van Doktor Pannwitz niet alleen in bij nazi's in de jaren dertig en veertig, maar ook elders.

De 20ste eeuw leverde ons twee wereldoorlogen, het totalitarisme van rechts en van links, Hitler en Stalin, Hiroshima, de Goelag, de genocides van Auschwitz en Cambodja. Hoe heeft het ooit kunnen komen tot deze, wat de historicus Eric Hobsbawm noemde 'meest gewelddadige eeuw uit de geschiedenis van de mensheid'?

Des te prangender wordt deze vraag in het perspectief van Europa's cultuurgeschiedenis. Het begon zo veelbelovend, in de vroege Renaissance, met het loflied op de 'Waardigheid van de Mens' van Pico della Mirandola uit 1492. Het zong ons toe dat wij allemaal 'de beeldhouwer en dichter van onszelf' zouden worden, om onszelf 'de vorm te geven waarin we wensen te leven'. Ook dat is Europa, het Europa van humanisme en Verlichting, van Erasmus en Kant, van wie we hebben geleerd dat geen mens slechts als middel, altijd ook als een doel in zichzelf moet worden beschouwd.

Maar als de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas in de oorlogsjaren in een Duits krijgsgevangenkamp opgesloten zit, is het enige levende wezen dat de Franse gevangene als doel in zichzelf ziet een zwerfhond, die spontaan komt aanlopen en met hem wil spelen. 'De laatste kantiaan in nazi-Duitsland', aldus Levinas.

Je kunt verdedigen dat de universele begrippen menselijkheid en mensheid in Europa zijn uitgevonden. Geholpen door de bijbel en de Griekse filosofie rijpte in de late Middeleeuwen het inzicht dat ook de ander, aan gene zijde van de stam-, groeps- of volksgrens, niet per definitie een barbaar is, maar een 'mens'.

De worsteling om de reikwijdte van het begrip 'menselijkheid' kan worden geïllustreerd aan de moeite die in het begin van de 16de eeuw Spanjaarden en Latijns-Amerikaanse Indianen hadden om in elkaar mensen te zien. De Spanjaarden vroegen zich af of de Indianen wel een ziel hadden die bekeerd kon worden, terwijl de Indianen de Spanjaarden verdronken om te zien of hun lichaam ook wilde rotten; zo niet, dan waren het goden. De aquariumblik van Doktor Ingenieur Pannwitz, in een vroege versie.

Maar gaandeweg dringt het besef door dat de mensen in een universum leven. In het moderne wereldbeeld wordt God op afstand gezet. Elk mens, elke godsdienst, elke manier van leven komt even ver van het centrum van het heelal te staan. De natuur maakt ons ten diepste tot de mensen die we zijn, niet onze tradities.

Aanvankelijk wordt dit natuurlijk universum nog sterk hiërarchisch opgevat. Het wordt 'natuurlijk' gevonden dat er meesters en slaven zijn, overheersers en onderdrukten. Maar de natuurwetenschappen maken in het spoor van Newton de wereld tot een mathematische, uniforme leegte. Die oneindige, lege ruimten joegen Pascal angst aan. Maar die onttovering van het universum had tegelijk ook een weldadige morele werking: ze verklaarde de samenleving tot mensenwerk en de mensen tot gelijken aan elkaar. De democratie is de enige staatsvorm die dan nog eigenlijk mogelijk is.

De Italiaanse officier Emilio Lussu lag aan het front, september 1916. Verdwaald in de loopgraven stuitte hij op de vijand, de Oostenrijkers. Deze waanden zich onbespied en dronken koffie . Lussu staat er bij en kijkt ernaar. Hij had de mogelijkheid ze zo neer te schieten. Maar hij kon het niet en gaf zijn geweer aan zijn medesoldaat, die het evenmin kon. 'Ik had een mens voor mij, een mens! Een mens!', schrijft hij later in zijn dagboek.

Desondanks telde de Eerste Wereldoorlog bijna 9 miljoen doden. Hoe is het, bij dit vier eeuwen lang gerijpte inzicht in wat menselijk is, bij dit toenemende besef een ongedeelde mensheid te vormen, hoe is het mogelijk dat we in twee wereldoorlogen dan toch op zo'n ongehoorde schaal elkaars menselijkheid konden ontkennen? Hoe kon die aquariumblik van de 16de- eeuwse Spanjaarden en Indianen in Doktor Pannwitz zo gruwelijk herleven? Is hier sprake van een tijdelijke terugval, in een vroeger stadium van de mensheid dat we inmiddels weer te boven zijn komen?

Finkielkraut gelooft dat niet. Zijn vanuit het slachtoffer gescherpte blik situeert het falen van het humanisme in het centrum van de westerse cultuur en niet in haar marge, gelijk George Steiner.

De westerse mensopvatting bezit van meet af aan gewelddadige trekken, zij is gevaarlijk niet slechts in haar randen, maar in haar kern. Hoe is het mogelijk dat het concentratiekamp Buchenwald op een steenworp afstand ligt van het Weimar van Goethe? vraagt Steiner zich af. Hoe is het mogelijk dat het 16de-eeuwse ideaal van een transparante wereldorde zo gruwelijk werkelijkheid wordt in de Endlösung?

Finkielkraut beweert dat in de kiem van het westerse menselijkheidsideaal reeds een verschrikking besloten lag. De wens tot perfectie, de grenzeloze dadendrang die Pico della Mirandola reeds in de late 15de eeuw in zijn omschrijving van de menselijke waardigheid opnam, moest tot de 19de eeuw wachten voor hij in een ideologie van Geschiedenis en Vooruitgang zijn dynamiek ontving; hij moest zich vervolgens nog tot de 20de eeuw inhouden, voordat hij de beschikking kreeg over de technische middelen om zich grootschalig te realiseren. Maar hij droeg de ontaarding van meet af aan al in zich.

“Voor de overige wezens is hun natuur bepaald door de door Ons voorgeschreven wetten en deze worden daardoor binnen grenzen gehouden. Jij echter bent door geen enkele onoverwinnelijke grens geremd, maar zult naar je eigen vrije wil, in wiens hand ik jouw lot heb gelegd, zelf je eigen natuur bepalen”, zegt Mirandola's Schepper tegen de mens; in het fascisme en communisme kon dit maakbaarheidsideaal zich uiteindelijk op wereldschaal uitleven. Alles wat zich daarbij als een door de natuur gegeven grens in de weg stelde werd onder de voet gelopen, vermoord, vernietigd.

Het totalitarisme van rechts en dat van links, Hitler en Stalin, verschilden in menig opzicht van elkaar. Maar een ding hadden beiden gemeen: ze vergaven geen van beiden de wereld dat zij is zoals zij is: dubbelzinnig, onvoorspelbaar, een werkelijk Tegenover. Het totalitarisme kan er niet tegen dat de werkelijkheid is zoals ze is; het wordt gedreven door ressentiment. De werkelijkheid wordt voor de rechterstoel van de willende mens geroepen en niet-ontvankelijk verklaard. De Natuur - ook de menselijke natuur - mag geen weerstand bieden, maar wordt een instrument in het verwerkelijken van de zelf gewilde Geschiedenis.

De Geschiedenis, een schitterende concept, uitvinding van de 19e eeuw, of het nu de versie van Hegel, Marx of Darwin betreft. Het stelt de menselijke wil in staat om zich gefaseerd te vervolmaken. De kloof tussen hemel en aarde hoeft dus niet in een keer te worden gedicht, maar kan in stapjes steeds kleiner worden gemaakt. Wat zich onderweg daartegen keert, heeft geen recht van bestaan. Het is de vijand van de Vooruitgang, dat nu de nieuwe naam is geworden voor wat vroeger het Zijn heette.

Wat de 19e eeuw zo uitdacht, werd vervolgens door de 20ste eeuw voltrokken, geholpen door een verrassend succesvolle techniek. De Eerste Wereldoorlog zou wellicht tot een serie beperkte militaire operaties beperkt zijn gebleven als zij niet door de techniek tot een slopende vernietigingsmachine was geworden. Grotere kanonnen vroegen onophoudelijk om meer kanonnenvoer. Geen enkele soldaat verwierf in de loopgraven eeuwige roem, elk van hen verloor er eerder zijn naam. De ervaring van Emilio Lussu - 'Een mens! Een mens!' - bleef een incident. Voor elke soldaat die sneuvelde stond er weer een andere, tot 8 700 000 keer toe. Het enige monument dat voor hen kon worden opgericht is dat van de Onbekende Soldaat: de ironische, ultieme ontkenning van zijn individualiteit.

En was het daarmee maar afgelopen. Maar Hitler was een reactie op het 'vernederende' verdrag van Versailles (de dolkstootlegende), zoals Stalin weer reageerde op het fascisme. Als een rollende donder echode de ideologie van de Nieuwe Mens zich door de 20ste eeuw heen en plantte het kwaad zich voort. Voor Hitler nam de vijand het gelaat van de jood aan, voor Stalin was dat de anti-communist en imperialist.

De een vernietigde ter wille van een Herrenmoral, de ander droomde van gelijkheid en homogeniteit. Maar les extrêmes se touchent in de koele woede waarmee ze elke stoorzender tegemoet traden en in de wiskundige precisie waarmee ze hem uitschakelden. Beiden weigeren de mens als een niet inpasbaar element, als een werkelijke Ander, een doel in zichzelf te waarderen. Ze vonden elkaar in hun opvatting van het individu als another brick in the wall. Beiden offerden zo de mens op aan het waanidee van een Niuwe Mensheid, de waardigheid van de enkeling aan een ongewisse toekomst.

Humanisme is natuurlijk meer dan zijn ontaarding. In Pico della Mirandola klinkt ook het loflied op de erkenning van de waardigheid van de enkele mens. Maar de dubbele morele lading die het menselijkheidsideaal in de loop van de westerse cultuurgeschiedenis met zich mee heeft gedragen, blijkt zich, als men aan het eind van de 20ste eeuw de balans opmaakt, nogal onevenredig verdeeld te hebben.

Het ene Franse woord 'humanité' betekent zowel 'menselijkheid' als 'mensheid'. Finkielkraut laat die twee termen staan voor twee verschillende moralen, die beide in de moederschoot van het westerse humanisme zijn groot geworden. De ene staat voor de absolute, intrinsieke waarde van elke afzonderlijke mens (de mens als doel in zichzelf), de ander voor het ideaal van de volmaakte mensheid, waartoe de enkeling een middel is. Die laatste moraal heeft het echter in onze eeuw schijnbaar gewonnen. 'Om een omelet te maken moet je de eieren breken', zo citeert Finkielkraut een geliefd gezegde van een geharde stalinist.

Maar houdt de 20ste eeuw dan op in 1989, als de Muur valt? Zijn er geen tekenen van nieuw humanitair elan te bespeuren, nu de Ideologieën dood zijn? Jazeker, oordeelt Finkielkraut. Hij is in zijn enthousiasme echter veel terughoudender dan filosofen als Luc Ferry, die in de hedendaagse hausse van internationale humanitaire organisaties de voortekenen van een nieuw humanisme bespeuren (zie Letter & G 18/1/97).

Zijn organisaties als het Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen in staat om eindelijk gestalte te geven aan het morele tegoed van het Westen? Het humanisme als politiek ideaal is een echec gebleken, kan het dan misschien overleven in de vorm van liefdadigheid en onbaatzuchtige hulpverlening? Niet meer met behulp van koele berekening, maar via het sprekende hart, niet meer door de Geschiedenis, maar door het Medelijden? In plaats van de Rede lijkt nu het Gevoel de wereld aan menselijkheid te helpen. Exit Hegel en Marx, entrez Rousseau!

Hoezeer Finkielkraut echter ook waardering heeft voor de humanitaire initiatieven die worden ontplooid, hij blijft sceptisch over de reikwijdte en de kwaliteit van het soort menselijkheid dat zich hier manifesteert. Nu de humanist geen politicus meer kan zijn, lijkt hij een dokter geworden te zijn, die te hulp snelt waar ook maar bloed vloeit. De wereld is een hospitaal geworden, waarbij voortdurend de ene helft van de mensheid bij de ander aan het ziekbed zit.

Geen kwaad woord over verplegers en artsen, aldus Finkielkraut, maar op deze manier heel de werkelijkheid vanuit het gezichtspunt van een medicus willen zien, dat is toch een merkwaardige verenging en vertekening van het perspectief. Mensen zijn nooit alleen slachtoffer, maar ook dader; zij lijden niet alleen, maar handelen ook actief. Zij willen niet alleen medicijnen en voedsel, maar ook zelfrespect en zelfbeschikking. Wie hen alleen benadert als hulpbehoevende doet hen tekort en is eigenlijk nog steeds behept met hetzelfde ressentiment als de gelovigen in de Geschiedenis eerder deze eeuw: hij vergeeft de mensen niet dat ze werkelijk anderen zijn.

Neen, de hulpverleners alleen kunnen niet de bewijslast dragen van de stelling dat de menselijkheid de 20ste eeuw zal overleven. Zij zijn te veel de belichaming van de toeristische mentaliteit die zich meester maakt van onze planetaire beschaving: ze vliegen van brandhaard naar brandhaard, maar hun menselijkheid wordt nergens duurzaam vlees en bloed. In hun caritas manifesteert zich eerder een vorm van hemelse engelachtigheid, dan van aardse menselijkheid.

Zo eindigt deze balans van de 20ste eeuw nogal onbestemd. 'Laten we waakzaam zijn voor het gevaar van de idee mensheid; laten we ervoor waken dat het begrip menselijkheid niet sterft', schrijft Finkielkraut. De dubbele lading van het woord 'humanité' wenst Finkielkraut graag over de drempel naar de volgende eeuw heen te dragen. Het eenduidige optimisme van een Fukuyama dat we gaandeweg toegroeien naar een wereldwijde liberale democratie, waarin het voor elke wereldburger goed toeven zal zijn, is bij hem ver te zoeken. Omdat Finkielkraut nu eenmaal een zwartkijker is, een elitaire cultuurcriticus vanuit de zijlijn? Misschien is zijn schroom eerder te verklaren uit het feit dat hij schrijft in dienst van de joodse herinnering.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden