BoekrecensieEssays

Oek de Jong spreekt in ‘Het glanzend zwart van mosselen’ alle zintuigen aan. Dát is schrijven

Oek de Jong, 2020Beeld ANP

In Het glanzend zwart van mosselen blijkt Oek de Jong een begenadigd aandachtig kijker en duider.

Oek de Jong (1951) is de schrijver van vijf grote romans, als zodanig is hij tenminste bij een breed publiek bekend. Uit respect mogen die vijf monumenten nog weleens genoemd worden: Opwaaiende zomerjurken (1979), Cirkel in het gras (1985), Hokwerda’s kind (2002), Pier en oceaan (2012) en Zwarte schuur (2019). Men zegt weleens dat het niet veel is, vijf romans in veertig jaar, maar dat klopt niet, het is wél veel omdat al die boeken zo goed zijn. 

Vlak nadat hij de Boekenbon Literatuurprijs won met zijn laatste roman verscheen een minstens zo monumentaal boek van Oek de Jong: een bundeling van zijn essays en ander beschouwende werk met als titel Het glanzend zwart van mosselen. Ruim zevenhonderd pagina’s die hij in veertig jaar bij elkaar schreef. Het ligt voor de hand om bij zo’n bundeling die een hele schrijverscarrière-tot-nu-toe omspant te zoeken naar de ontwikkeling, misschien zelfs de wording van de schrijver (en denker) Oek de Jong. Maar veel meer dan de veranderingen vallen de constanten op in deze teksten. Is het erg om vast te stellen dat de schrijver Oek de Jong geen steek veranderd is? Nou nee, waarom zou het? Het maakt een schrijver tenminste duidelijk, of: te duiden. Minstens zo interessant aan deze bundel is de samenhang met de romans - ook in de essays zijn de romans nooit ver weg.

Kijken en zien

“In mijn essays gaat het dikwijls over kijken en zien”, schrijft De Jong in het inleidende essay. Hij beschrijft op de eerste pagina’s de glanzende mosselen die in de ochtendzon uit een vissersboot getakeld worden zo zintuiglijk dat je ze als lezer ziet, dat je het geluid van de tikkende schelpen hoort. Maar het moet ook iets betékenen. De Jong spreekt van kijken en zien, twee verschillende dingen: kijken is aandachtig waarnemen, zien is het geven van betekenis. In de verzameling essays ‘Een man die in de toekomst springt’ (wat mij betreft het hart van deze bundel) bekijkt en interpreteert De Jong schilderijen van Vermeer en Caravaggio. Daarbij is hij tegelijk de koele observant en de duider die het grote verhaal zoekt – nooit als een dorre kunsthistoricus, altijd persoonlijk. 

In dit ‘aandachtig aanwezig zijn’ ligt de kern van zijn schrijverschap, een kern die in zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken al voelbaar is - het succes van het boek ligt in dat gevoelvol (soms angstig) observeren van hoofdpersoon Edo Mesch. Als betekenis geven niet lukt (want de schrijver forceert nooit een duiding), dan is er tenminste nog het plezier van het kijken zelf, naar die mosselen bijvoorbeeld. De Jong zag ze op een ansichtkaart, niet eens in het echt, en dat is genoeg. Meer dan. Op die manier alle zintuigen aanspreken, dat is schrijven.

De Jong beschrijft de glanzende mosselen die in de ochtendzon uit een vissersboot getakeld worden zo zintuiglijk dat je ze als lezer ziet, dat je het geluid van de tikkende schelpen hoort.Beeld ANP

De duistere kant

In het aangrijpendste verhaal van deze bundel maakt Oek de Jong een reis naar Palermo, om de kathedraal van Monreale te bekijken, die buiten de stad op een heuvel ligt. Hij bevindt zich in een donkere periode in zijn leven, het grote gat tussen Cirkel in het gras en Hokwerda’s kind, hij is eenzaam en depressief. Op het einde wordt hij in elkaar geslagen en beroofd, hij ondergaat het en koopt daarna van het geld dat hij in een zakje achter zijn broekband heeft bewaard een nieuwe tas. 

Duisternis en geweld zijn vaste waardes in De Jongs werk. Die fascinatie voor de donkere kant zien we al in zijn debuut, het komt krachtig terug in Zwarte schuur, maar is in Hokwerda’s kind toch wel het meest pregnant. Daarom kan hij ook zo goed schrijven over Caravaggio, een schilder die geweld en dood op zijn doeken onverbloemd toont, en tegelijk sublimeert. In dat sublieme schuilt verlossing, zet De Jong uiteen. Hij schrijft het woord verlossing meerdere malen tussen aanhalingstekens, alsof hij bang is er net naast te grijpen. 

Het karakteriseert ook de romanschrijver: hij zoekt in het hart van de duisternis naar verlossing – maar je kunt er nooit gemakzuchtig op rekenen die te vinden, misschien is het wel een illusie. Illustratief hiervoor is de vergelijking van werken van Caspar David Friedrich en Francis Bacon. Hij bewondert het duistere, mysterieuze in de lege landschappen van Friedrich, maar de onderliggende religieuze ideologie staat hem tegen. Dan is Bacon eerlijker: rauw en illusieloos. “Ik bevind mij ergens tussen die twee krachtvelden.” Schipperend tussen nihilisme en zingeving schrijft hij, verzamelt hij beelden en ideeën. Hij noemt het zijn tentje, dat hij overal kan opzetten. “En zo verplaats ik mij langs de afgrond van het niets.”

De mysticus

In de bundel staan twee essays over W.F. Hermans, een periode van zeventien jaar ligt er tussen het eerste en het tweede stuk. De Jong heeft het moeilijk met de grote schrijver, wiens dwingende wereldbeeld rond chaos en menselijk onvermogen tot verbinding star en geconstrueerd op hem overkomt. Er klopt iets niet aan. Het is het gebrek aan mystiek in Hermans’ werk dat De Jong opbreekt, het verlangen van de mens zich te ontdoen van zijn begrensdheid. Weer die zucht naar verlossing, het los komen, het ontsnappen aan de donkere kerker van zijn zelfzucht. “Mystiek is daarom de wetenschap van de belangeloosheid”, schrijft hij in een essay over dit favoriete onderwerp. 

Je zou Oek de Jong een verbeten mysticus kunnen noemen. Hij was tot aan diens dood bevriend met Frans Kellendonk, en in de bundel staan twee stukken over de schrijver van Mystiek lichaam. Voor Kellendonk was het metafysische, het door niets begrensde denken in zijn werk iets vanzelfsprekends. De Jong, die Kellendonks schrijven soms ‘gemaniëreerd’ vindt, lijkt het steeds te moeten bevechten op zijn sombere natuur. Maar hij legt zich niet neer bij pessimisme, hij zál een uitweg vinden, en soms komt dat krampachtig over. Zijn pleidooi voor de roman (Wat alleen de roman kan zeggen, 2013) is daar een voorbeeld van. Soms lijkt hij in dat essay eerder de dood van de roman te proclameren dan dat hij een toekomst schetst. In de meest recente stukken uit de bundel waarin hij de huidige tijd bespreekt verliest hij zich soms in druilerige gedachten en nostalgie. “De tijd dat een kind urenlang kon spelen met een lappenpop of een paar stukjes hout en wat klei uit een slootkant ligt ver achter ons.”

Zo zijn niet alle stukken van hetzelfde niveau, maar er valt zo veel te genieten in dit rijke boek dat je dat voor lief neemt. De grote romanschrijver Oek de Jong laat zich in zijn essays op een allerpersoonlijkste manier kennen, als aandachtig kijker, duider en mysticus die zich niet neerlegt bij zijn pessimistische aard.

Oek de Jong
Het glanzend zwart van mosselen
Atlas Contact; 746 blz. €25

Lees ook:

Oek de Jong: Het kwaad is onuitroeibaar

Lezers en recensenten zijn vol lof over ‘Zwarte schuur’, de roman van Oek de Jong waarin Maris Coppoolse als kind de dood van een meisje veroorzaakt. Met die schuld moet hij leven, ook als hij later succesvol kunstenaar is.

Lees ook:

Oek de Jong over de oerkrachten die een mens bewegen. 

Ook in ‘Zwarte schuur’ portretteert Oek de Jong gedetailleerd en https://www.trouw.nl/nieuws/oek-de-jong-over-de-oerkrachten-die-een-mens-bewegen~bc5e5b9e/precies met een schildersoog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden