Oek de Jong

Interview Oek de Jong

Oek de Jong: Het kwaad is onuitroeibaar

Oek de Jong Beeld Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier

Lezers en recensenten zijn vol lof over ‘Zwarte schuur’, de roman van Oek de Jong waarin Maris Coppoolse als kind de dood van een meisje veroorzaakt. Met die schuld moet hij leven, ook als hij later succesvol kunstenaar is.

In het werk van Oek de Jong was altijd sprake van passie en zelfs geweld. Maar nooit waren die twee zo excessief als in ‘Hokwerda’s kind’ (2002) en nu in ‘Zwarte schuur’. “Fysiek geweld komt van meet af aan voor in mijn romans en verhalen. Ik heb in mijn schrijven altijd grenzen opgezocht”, beaamt de schrijver. “Maar dodelijk geweld was aanvankelijk te groot voor me, ik kon het niet aan. In ‘Hokwerda’s kind’ ben ik in het diepe gesprongen door een mishandelde vrouw haar minnaar te laten doodsteken. In ‘Zwarte schuur’ veroorzaakt een zwaar vernederde jongen van 14 in drift de dood van een meisje. Ik heb het gevoel dat het soortelijk gewicht van mijn werk toeneemt naarmate ik dieper doordring in het domein van het kwaad. Dat omvat alles: van het kleine alledaagse kwaad tot en met het grote kwaad. Het gaat me in mijn romans niet om misdaad, opzettelijk kwaad, maar om het kwaad dat mensen doen ondanks zichzelf.

“Dat ik het gewelddadige aandurf, heeft met het ouder worden te maken, met een scherper bewustzijn van het kwaad in de wereld. Ik bedoel dat niet in morele zin. Ik heb het over de lichte en donkere kant van mensen, het goede en het kwade, die altijd tegelijkertijd aanwezig zijn. Je moet je misschien eerst door je persoonlijke problematiek heen hebben gewerkt om goed en kwaad in de buitenwereld helder te kunnen zien. Wat je in je binnenwereld niet aandurft, kun je ook in de buitenwereld niet scherp onderscheiden. Na mijn veertigste is mijn bewustzijn van de alomtegenwoordigheid van het kwaad enorm toegenomen. Je ziet dat het steeds nieuwe gedaantes aanneemt. Het is onuitroeibaar.”

“We kunnen niet anders dan erkennen dat we zelf ook deel hebben aan het kwaad. Veel mensen zijn zich dat niet goed bewust. Ze kijken naar een gewelddadige film en denken dat ze daar zelf niets mee te maken hebben. Het is maar een film, toch? Of ze projecteren hun kwaadaardigheid op de buitenwereld: het kwaad, dat zijn de anderen.”

In ‘Zwarte schuur’ sluimert het kunstenaarschap niet, zo­als in uw eerdere romans, het komt tot volle wasdom. Door zijn kunst krijgt Maris Coppoolse greep op zijn trau­ma en transformeert hij het tot iets blijvends.

“In ‘Zwarte schuur’ zijn de kunst en het kunstenaarschap wezenlijke aspecten van Maris’ persoonlijkheid én van het verhaal. Op allerlei manieren komt de dood van zijn geliefde Matty terug in zijn schilderijen. In de eerste honderd bladzijden van de roman voer ik de lezer van Maris’ buitenwereld naar de afgronden in zijn binnenwereld: van zijn met glamour omgeven overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam naar het misdrijf en het trauma die de kern van zijn leven en werk zijn geworden. Ik heb me daarbij laten inspireren door Francis Bacon. In zijn schilderijen, die vaak in het teken staan van geweld en seksualiteit, zie je dat Bacon putte uit zijn eigen bestaan.”

Tijdens het schrijven van ‘Zwarte schuur’ sprak u met een aantal kunstenaars: uw broer Ad, Marc Mulders, Robert Zandvliet en Ronald Ophuis. Hoeveel invloed heeft dat gehad bij het modelleren van Maris Coppoolse?

“Ik heb hem opgebouwd uit de duizend-en-een indrukken die ik heb opgedaan in mijn omgang met schilders, ik ben in hun ateliers geweest, heb op YouTube interviews met kunstenaars bekeken: De Kooning, Bacon, Giacometti, Marlene Dumas, Marina Abramovic en tientallen anderen. Met mijn broer heb ik gesproken over zijn verblijven in New York, ik heb een van zijn performances gebruikt voor een roman­scène. Maris moest als schilder een overtuigend personage zijn, maar hij is voor mij in de eerste plaats een getraumatiseerde man die zijn hele leven worstelt met zijn verleden, met de ravage die hij in een moment van woede heeft aan­gericht. Ik beschouw hem als een tragische figuur. Hij is voor mij, mét Lin Hokwerda, het meest complexe en aangrijpende personage dat ik heb gecreëerd.”

Voor Maris is de confrontatie met de schokkende Krui­si­ging op het Isen­heimeraltaar van Matthias Grünewald beslissend. Grünewald ging een grens over.

“Ook op mij heeft deze Kruisiging een diepe indruk gemaakt. Ik heb hem tweemaal gezien. Ik kan nog altijd niet helemaal begrijpen waarom juist deze voorstelling van een gemartelde man, vastgespijkerd aan het kruis en druipend van het bloed, mij zo aanspreekt. In mijn eigen leven speelt geweld vrijwel geen rol. Ik heb een hekel aan gewelddadige films en doe mijn ogen dicht bij al te heftig geweld, want ik wil zulke beelden niet in mijn hoofd hebben.

“In de roman ziet Maris deze Kruisiging als hij op een dieptepunt van zijn leven zit, vervuld van pijn, liefdesverdriet en zelfhaat. Hij is daardoor gevoeliger voor het lijden van anderen. Hij heeft meer mededogen. Maar dit prachtig geschilderde gemartelde lichaam is voor hem ook opwindend. Waarom? Als het een foto was, denkt hij, zou ik het verafschuwen.”

Beeld Hollandse Hoogte / Károly Effenberger

Het is niet alleen een devoot schilderij, Grünewald lijkt zich ook te verlustigen in het lijden. Bijna pornografisch.

“Ik vind dat gemartelde lichaam van Jezus ook opwindend om te zien. Maar alleen, mag ik hopen, omdat ik het zo geweldig mooi en monumentaal geschilderd vind, zo expressief en aangrijpend in zijn verminking. Mij boeit ook die gedetailleerde weergave van de pijn en de doodsstrijd. Ik zie daarin een mengeling van devotie – toewijding aan een heilig beeld – én sensualiteit.

“Dan ontmoet Maris het broodmagere heroïnehoertje ­Ilse en maakt hij een reeks schilderijen die hij ‘After Grünewald’ noemt. Het zijn allemaal details van het lijden: de doorboorde voeten, de doornenkroon, het uitgemergelde gezicht van Ilse. Door zich te bekommeren om het lijden van anderen, bevrijdt hij in zekere zin zichzelf.”

We zijn hier bij de grensoverschrijding. Die komt al vanaf ‘Opwaaiende zomerjurken’ in uw werk voor; de hoofd­persoon snijdt zichzelf, laat zich tijdens het zeilen over­- boord vallen en overleeft maar net. ‘Hokwerda’s kind’, met die heftige seks en al dat geweld dat uitloopt op een moord, is één lange grensoverschrijding. In het laatste deel van ‘Pier en oceaan’ verdwaalt Abel Roorda midden in de nacht op een drooggevallen zandplaat terwijl de vloed opkomt.

“Pas bij het schrijven van ‘Hokwerda’s kind’ ben ik de grensoverschrijding bewust gaan gebruiken. Ik doe dat om drama te creëren en daardoor dieper door te dringen in de menselijke geest. De Griekse tragedie maakte er al gebruik van: je vader vermoorden, met je moeder naar bed gaan, je eigen kinderen doodsteken. Ik ga veel minder cru te werk. Maar de aantrekkingskracht die ‘Zwarte schuur’ op veel lezers heeft, ontstaat toch mede door het grensoverschrijdende van een aantal scènes en de spanning die dat veroorzaakt. Maris duwt in zijn drift de jonge Matty van een hooizolder en dat bepaalt zijn verdere leven. Het zou veel mensen kunnen overkomen. Het geweld sluimert in iedereen, hoe hard je het ook ontkent. In Noord-Syrië zijn onlangs complete Koerdische families uitgemoord door Turkse soldaten, die thuis waarschijnlijk aardige, vrolijke en lieve huisvaders zijn. Zullen ze ooit kunnen begrijpen waarom ze dat hebben gedaan? Het zal worden verdrongen, voorgesteld als plicht of simpelweg ontkend.

“In een roman kan ik al schrijvend, gestuurd door beelden en onbewuste krachten, uitkomen bij dat altijd weer verdrongen domein van het kwaad. Het overkomt me. Er welt iets op uit de diepte. Dan is het net alsof zich in mij een andere wereld manifesteert. Maar eenmaal in het café en achter een krant is die wereld weer verdwenen. Daarom is het zo lastig om er in alle nuchterheid je vingers achter te krijgen, te begrijpen waar het geweld en het kwaad vandaan komen en je ertoe te verhouden.”

De Griekse tragedie eindigt vaak met een catharsis: de toeschou­wers komen tot inzicht en worden gelouterd. Aan het slot van ‘Zwarte schuur’ ervaren Maris en zijn vrouw Fran iets dergelijks. Maris is in het reine gekomen met Matty’s dood, en de huwelijks­cri­sis, waarin hij en Fran meer dan een jaar gevangen zaten, lijkt opgelost.

“Ook die catharsis drong zich op. Maris beleeft op zijn 33ste met dat heroïnehoertje bijna een herhaling van het ongelukkige voorval dat Matty het leven heeft gekost. Op zijn negenenvijftigste vraagt Albertina hem iets waartoe hij niet bereid is en wat hem agressief maakt. Maar ditmaal komt hij er ongeschonden uit, voor het eerst.

“Ik heb heel lang overwogen om Maris samen met Albertina naar de rand van de kliffen op het eiland La Gomera te laten gaan. Zij lokt hem daarheen, vanuit haar hang naar zelfdestructie. Maar als ik daarvoor had gekozen, zou zich een herhaling hebben voorgedaan van een situatie waarin Maris zich door een vrouw laat manipuleren en ontploft. Ik heb daar van afgezien. In een laatste gesprek met Albertina beleeft hij zijn trauma opnieuw, maar dan kapt hij het af en keert de rollen om. Hij heeft genoeg van zichzelf prijsgegeven, en wil nu iets van háár, namelijk dat ze zich naakt door hem laat fotograferen.

“Ik vond het mooi om in een paar intieme scènes te laten zien hoe Maris en zijn vrouw Fran de weg tot elkaar terugvinden. Ik had mijn lezers zo lang lastiggevallen met een huwelijk in zwaar weer, met alle pijn en ellende van dien, dat ik graag licht wilde eindigen, ook om te laten zien dat zoiets mogelijk is.

“Een relatie is altijd onderworpen aan de dynamiek van eb en vloed. Als een tijd lang alles goed en harmonieus is verlopen, kan er zomaar een periode komen waarin alles donker en moeizaam wordt, totdat je zelfs zegt: ‘ik pak mijn koffers en ben weg’. Maar zelfs vanuit zo’n haast hopeloze toestand is er altijd nog een weg omhoog mogelijk.”

Voor Maris is Zeeland een zielslandschap. Net als uw ande­re Zeeuwse personages heeft hij iets knoestigs, iets inge­- keerds, iets schuldbeladens, ook als hij al lang in Amster­dam woont en het gevoel heeft dat hij er niet bijhoort. Ik vind dat erg Zeeuws.

“Omdat mijn moeder uit Amsterdam komt en omdat mijn vader daar gestudeerd heeft, ken ik zelf dat gevoel niet. Maar ik heb mijn ervaring met Zeeuwen in den vreemde gebruikt. Lang geleden ontmoette ik in Amsterdam een Zeeuwse schilder, een boom van een kerel, voorgeslacht vissers en boeren, denk ik. Hij werkte al een tijd in de stad, maar voelde zich er nog altijd niet thuis. Uiteindelijk is hij teruggegaan en heeft een atelier in Arnemuiden genomen, zo’n zwarte boerenschuur nota bene.”

Juist de extravagante scènes in uw roman zijn vaak treffend waar.

“Daarom ben ik zo geïnteresseerd in grensoverschrijdingen. Als schrijver wil ik diep onder het oppervlakte iets raken wat waar is of wat ik als waar ervaar. Daar hebben we de romankunst voor.”

Na ‘Opwaaiende zomerjurken’ (1979) schreef Oek de Jong (1952) onder meer ‘Cirkel in het gras’ (1985). ‘Zwarte schuur’ is zijn vijfde roman. Daarnaast publiceerde hij essaybundels. Hij ontving de Reina Prinsen Geerligsprijs, Busken Huetprijs, Bordewijkprijs, Gouden Uil en twee Librisnominaties. Zijn werk werd vertaald in Duitsland, Frankrijk en Scandinavië. 

Oek de Jong
Zwarte schuur
Atlas Contact; 496 blz. € 24,99

Lees ook:

Recensie Zwarte Schuur: Oek de Jong over de oerkrachten die een mens bewegen

Ook in ‘Zwarte schuur’ portretteert Oek de Jong gedetailleerd en precies met een schildersoog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden