Review

'O Duitsers, samenleving van dieven en helers!'

Botho Strauss: Wohnen dümmern lügen, 1994. De Nederlandse vertaling verschijnt begin april bij De Arbeiderspers onder de titel 'Wonen schemeren liegen'.

De titel van het omstreden artikel luidde 'Anschwellender Bocksgesang'. Bocksgesang is een letterlijke vertaling van het Griekse woord tragedie. Wat nu exact de aanzwellende tragedie was die Strauss in de moderne wereld ontwaarde en die hij beschreef in zijn uiterst gecompliceerde, hier en daar nogal cryptische, metaforische en uitgesproken literaire artikel, valt niet in een paar woorden samen te vatten. In grote lijnen was duidelijk dat hij een veldtocht tegen de Verlichting ondernam. Strauss stelde in Der Spiegel het failliet van de heilsleer van links aan de kaak: de hypocriete tolerantie, het arrogante moralisme, het idee van de rationeel 'maakbare' samenleving.

Bovendien verfoeide hij de oppervlakkigheid van de massamedia die achter elke waan van de dag aanhollen en elke emotie tot goedkoop entertainment opkloppen. Anderzijds betreurde hij het verloren gaan van een gevoel voor traditionele waarden als gezag, trouw, sociale stabiliteit, religie, historisch besef, schoonheid en nationaal saamhorigheidsgevoel.

Vooral leek hij echter met groot pathos te willen bezweren dat de kunstenaar, de dichter-filosoof, de enige is die deze teloorgang van de cultuur nog kan keren. En wel door zich resoluut als buitenstaander op te stellen, zich terug te trekken in een geestelijke 'hortus conclusus' (ommuurde tuin) en zich volledig af te keren van de 'mainstream'. De dominante nieuwsstroom waar in naam van de intellectuele democratie alles verwordt tot onderwerp van talkshows en gossip-columns en de ene artistieke hype over de andere buitelt.

De ware kunstenaar, aldus Strauss, dient als eenzame held weer aansluiting te zoeken bij het mythische en poëtische denken waarin collectieve herinneringen aan een oertijd en oerschoonheid verscholen liggen. Als lichtende voorbeelden noemde hij onder andere de namen van Ernst Jünger en Heidegger, schrijvers die Duitse linkse intellectuelen gegarandeerd in briesende woede doen ontsteken.

Hoe oppervlakkig en ontoereikend deze samenvatting ook is, duidelijk zal zijn dat in het strijdvaardige essay tal van weerklanken te horen zijn van de romantiek en het negentiende-eeuwse Duitse metafysische denken. De stellingname van Strauss is allesbehalve nieuw, hetgeen hij overigens ook niet pretendeert. In de literatuurgeschiedenis is de controverse tussen romantiek (in de zin van visionair, elitair en emotioneel) en realisme (als didactisch, rationeel en maatschappelijk geëngageerd) al sinds de negentiende eeuw een cyclisch terugkerend thema.

Het tumult dat onmiddellijk na verschijning van de tekst ontstond was dan ook ten dele te herleiden tot het merkwaardige feit dat Botho Strauss, die ongetwijfeld in zijn denken tot de eerste categorie behoort, voor de publikatie van zijn tekst een veelgelezen progressief weekblad koos, dat uitgesproken politiek is gericht en zeker behoort tot het soort massamedia dat hij zelf in zijn essay verkettert.

Vermoedelijk is dat ook de echte provocatie ervan. Was het in een literair tijdschrift verschenen, dan hadden we er vermoedelijk weinig of niets over gehoord. Maar nu werd aan de ingewikkelde tekst direct een uitgesproken actuele politieke lading toegekend. Het werd dus juichend ontvangen door extreem-rechtse CSU-politici die het begroetten als een soort politiek manifest dat een nieuwe 'rechtse' ideologie zou verwoorden, terwijl ter linkerzijde schuimbekkend werd gereageerd met kreten die varieerden van gevaarlijk warhoofd tot fascist en fascistoïde romanticus.

Bovendien werd gesproken van 'verraad' en 'dolk in de rug', aangezien Strauss in de jaren zestig werd beschouwd als een 'linkse' schrijver, al heeft hij zich nooit bij enige beweging aangesloten. Wel heeft hij destijds blijk gegeven van bewondering voor Adorno. Meer in het algemeen dankt hij die reputatie aan het feit dat zijn haarscherpe observaties van het sociale leven werden beschouwd als maatschappijkritisch.

Het feit dat het artikel vervolgens werd opgenomen in een bundel met de titel 'Die selbstbewusste Nation', samen met commentaren van notoire en uiterst omstreden conservatieven als Nolte (van de Historikerstreit), maar ook van Hans Magnus Enzensberger en de filmmaker Syberberg, maakte het er niet beter op. Botho Strauss zelf, die nooit voorleest, interviews geeft of in televisieprogamma's optreedt - vanuit de overtuiging dat een schrijver dient te schrijven wat hij heeft te zeggen en geen cultus of circus rond zijn persoon behoort te creëren - voelde zich erg gegriefd door de wilde beschuldigingen van antisemitisme, vreemdelingenhaat en neonazisme.

In 'Theater heute' verdedigde hij zijn bijdrage aan de bundel in een briefwisseling met de titel 'Bekenntnisse eines Unpolitischen?' (uiteraard, een verwijzing naar Thomas Mann). Hij zei juist te willen waarschuwen tegen deze tendensen, die nu precies onderdeel van de tragedie zijn. Waar voor het sacrale geen plaats meer is, zoals in deze door en door gerationaliseerde maatschappij, zou het zich uiten in atavistische gruweldaden.

In Nederland heeft het literaire tijdschrift 'De Revisor' afgelopen zomer iets soortgelijks als 'Die selbstbewusste Nation' op kleiner schaal op touw willen zetten. Aan ruim tien schrijvers en critici, variërend van Cyrille Offermans en Huub Beurskens tot Jacq Vogelaar en Andreas Burnier, vroeg de redactie te reageren op Strauss' essay. Een probleem was dat Strauss zelf, vermoedelijk geschrokken van de reacties in Duitsland, toestemming weigerde voor de publikatie van een integrale vertaling van het essay. Dit werd gedeeltelijk ondervangen doordat Anthony Mertens het tijdschrift opende met een uiterst genuanceerde beschrijving en zo volledig mogelijke samenvatting van het lange artikel.

De bijdragen zijn, zoals te verwachten, heel uiteenlopend van aard. Sommige, zoals die van Arnold Heumakers, gaan diep, feitelijk en met grote kennis van zaken in op de tekst, bij anderen - Willem Brakman, Jacob Groot - is de tekst uitgangspunt voor heel persoonlijke en boeiende filosofische uiteenzettingen. Weer anderen, onder wie Burnier en Thomése, geven hun afkeer en weerzin in verschillende vormen weer. Het voert te ver om hier op elk artikel afzonderlijk in te gaan, maar het nummer als geheel vormt een boeiend en wat afstandelijker commentaar van Nederlandse zijde op de Duitse controverse.

Ondanks de vermoedelijk opzettelijke provocatie van de publikatie in 'Der Spiegel' van het moeilijk toegankelijke en van metaforen bolstaande essay deed toch het politieke gekrakeel en de heilige verontwaardiging nogal merkwaardig aan voor wie het werk van Botho Strauss kent. Niet eens de verontwaardiging op zich - die was te verwachten - maar juist het feit dat die verontwaardiging pas nu ontstond. Want deze geluiden en ideeën zijn sinds het begin van de jaren tachtig te vinden in alles wat Botho Strauss heeft geschreven - in zijn toneelstukken, romans en essayistisch werk.

Natuurlijk is het een groot verschil of een schrijver als persoon - zoals in 'Bocksgesang' - iets stelt of dat hij hetzelfde door (af en toe heel dubbelzinnige) roman- of toneelpersonages laat zeggen. Toch is het een zo prominent deel van het werk dat de verleiding nu groot is om talloze passages uit dat werk te citeren om dit staven, maar laat ik volstaan met een passage uit 'De jonge man' (1984) waar we lezen: “O Duitsers, samenleving van dieven en helers!. . . O bleke bloedzuigende samenleving! Aan ons grensgangers heeft zij het onttrokken en degenen die voorbestemd zijn om te overvleugelen heeft zij het merg uit de botten gezogen en het verdeeld onder de massa van haar muisgrijze maatschappijverleden.” Geen nieuw idee, maar toch veel indrukwekkender dan ons eeuwige cliché van boven het maaiveld uitsteken. In hetzelfde boek komt overigens een prachtige passage voor over de dood van de koning en allegorische rouwstoet na de 'Belsazarnacht' die eindigt met de zin “deze samenleving voedt zich met de dood van haar grootste boosdoener”, die voor eens en altijd elke verdenking van politiek rechts-extremisme weg behoort te nemen.

Het magische idee van het oer-gezag vinden we jaren later in 'Slotkoor' (1990) waar Anita, de dochter die haar halffoute vader probeert te promoveren tot verzetsheld, zegt: “Koningen zijn altijd aanwezig en altijd machtig. Ze schrijden door alle tijden, neerknielen is nooit tevergeefs. Ze komen en gaan, en keren altijd terug.”

Maar, zoals gezegd, het is een groot verschil of Strauss als persoon dat zegt of dat een romanfiguur zoiets te berde brengt. Toch speelt Strauss ook met dat verschil. In zijn laatste roman 'Wohnen Dümmern Lügen' (1994), waarvan deze maand een vertaling verschijnt bij De Arbeiderspers onder de titel 'Wonen Schemeren Liegen', vinden we de strekking van 'Bocksgesang' in een heel andere, bijna ironische vorm terug. Ze wordt in de mond gelegd van een man die een louche café ingaat om sigaretten te halen terwijl zijn vriendin buiten op hem wacht. Hij krijgt, zoals te verwachten, ruzie met andere cafébezoekers en wordt eruit gegooid. Zijn verstandige vriendin verwijt hem: “In een spelonk vind je een stel barbaren. Wie anders? Wat verwacht je dan? Met opzet ga je juist naar dat soort spelonken omdat je van te voren weet dat je daar met iemand ruzie kunt zoeken.”

Dan steekt de man van wal in een bladzijdenlange monoloog, een vlammende tirade tegen de moderne samenleving. Het buitenstaanderdom bepleit hij, want hij “is niet van deze tijd” en iedereen die dat wel is “is de slaaf ervan”. Maar hij praat tegen de vriendin alsof hij over haar hoofd heen “een volle zaal toesprak”.

Door deze (briljante) presentatie van hetzelfde betoog als in 'Bocksgesang' in een heel ander verband verschuift het hele perspectief. Dit zijn overigens de laatste bladzijden van de roman. Hieraan voorafgaand lezen we een fascinerende kaleidoscoop van 'miniaturen' in de trant van 'Paren passanten' waarin we een stoet eigentijdse veertigers en vijftigers tegenkomen die op verschillende manieren in het leven teleurgesteld zijn of er in elk geval niet uit hebben kunnen halen wat ze er ooit van hadden verwacht.

Oppervlakkig gezien gaat het bijna steeds om alledaagse situaties: De zeurende mislukte beeldhouwer die zijn eigen werk heeft vernietigd en daar nu een “bovennatuurlijk schuldgevoel” over heeft, omdat de wereld het “wellicht nodig had of dringend had kunnen gebruiken”. De chef op kantoor die niet op kan tegen het zwijgende verwijt van een ondergeschikte die zich door hem zich gekrenkt voelt. De inmiddels bejaarde geliefde van de jong gestorven schilder wiens gehele oeuvre bestaat uit zestig acrylportretten van “de monumentaal uitvergrote schaamlippen van zijn vriendin” en die nu samen met haar volwassen zoon geniet van deze “beelden van vreugde” uit de jaren zestig, in de overtuiging dat de kunstwereld haar dode minnaar ooit nog zal ontdekken. Of de drankzuchtige architectuurhistoricus die elke hoop op een academische carrière heeft laten varen en moedwillig ook het begin van een bevredigende en gelukkige liefdesrelatie aan diggelen gooit.

Maar onder deze vlijmscherpe beschrijvingen van eigentijdse menselijke verhoudingen - die soms aan het cabareteske grenzen - doemt, zoals altijd bij Botho Strauss, de wereld van het archetypische, de wereld waarin archaïsche oerkrachten en heilige vrees heersen, de tijd geen rol speelt en elk verhaal een mythe is.

Zo'n moderne mythe is bijvoorbeeld het verhaal over de letterlijke 'inlijving' (opeten) van de Nederlandse Loredana de Waard door een misdadigster met dezelfde naam en hetzelfde uiterlijk die door een genetisch gebrek een wandelend atavisme is: “Plotseling barst een duister, prehistorisch gedrag los in de zinnenwereld van een leuke, moderne, niet eens academisch gevormde vrouw. . . en ze gehoorzaamt slechts aan de eisen of noodzaken van het ritueel.” Of de tijdloze ondergrondse 'tegenwereld' die een man op weg naar zijn kantoor op zekere ochtend ontdekt en waar hij alle woorden die hij ooit, bij welke gelegenheid dan ook, heeft gesproken gelijktijdig hoort rondwervelen.

Dit onheilspellende en tegelijk lachwekkende straussiaanse universum, waarin sociale satire is vervlochten met een melancholiek terugverlangen naar een verloren tijd en onschuld, krijgt vorm in een prachtige, uiterst gecultiveerde taal die aanduidt in plaats van te verklaren en te omschrijven. Het is de taal van de dichter. Maar gebleken is dat die taal van de dichter, zodra hij wordt gebruikt voor een persoonlijke stellingname van de schrijver in plaats van fictieve, om niet te zeggen allegorische personages in de mond te worden gelegd, van karakter verandert.

Het orakel van Delphi kan en moet spreken zoals het doet omdat uit zijn mond de woorden van een onzichtbare hogere macht vloeien, maar wanneer het in die taal à titre personel artikelen in 'Der Spiegel' gaat schrijven, zijn verwarring, woede en misverstand helaas te voorzien, zij het niet gerechtvaardigd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden