Nieuwsgierig naar het Nabije Oosten

De Fiat Topolino was soms zo heet dat-ie niet met blote handen was aan te pakken. (FOTO UIT BESPROKEN BOEK)

Eind jaren zestig trokken jongeren en masse naar India. De Zwitser Nicolas Bouvier maakte de reis in een tijd dat zo’n tocht nog uitzonderlijk was en elk land nog een wereld op zich. Zijn verslag is nu vertaald.

Kandahar. Kaboel. Khyberpas. Het zijn namen die nu bijna onvermijdelijk geassocieerd worden met de Taliban, Al-Kaida en eindeloze gevechten. Twee Europese jongens die in al hun onschuld in een niet al te beste auto deze plekken bezoeken zouden we voor gek verklaren.

Nicolas Bouvier doet het begin jaren vijftig wél. Op reis met zijn vriend Thierry Vernet bejubelt hij de schoonheid van de Afghaanse hoofdstad: „Wanneer de reiziger vanuit het zuiden Kaboel nadert, met zijn gordel van populieren, zijn zachtpaarse bergen, waarop een dunne laag sneeuw ligt te dampen, en de vliegers die in de najaarshemel boven de bazaar zweven, vleit hij zich bij de gedachte dat hij het einde van de wereld heeft bereikt. Maar hij is juist in het middelpunt aangekomen.”

De Zwitser prijst bovendien de houding van de Afghanen ten opzichte van buitenlanders. Ze worden bezien met voorzichtige interesse, gastvrij ontvangen, maar er is geen spoor van nederigheid ten opzichte van de vreemdeling, laat staan van blinde bewondering voor het Westen. Dit is overduidelijk een volk dat nooit gekoloniseerd is.

Het is een andere tijd. De landen waar de Zwitserse twintigers Bouvier en Vernet met hun tweedehands Fiat Topolino doorheen trekken, lijken in veel opzichten niet op die van vandaag. Joegoslavië is nog een onder Tito, die op zijn beurt nog kan teren op zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog verdiende status als partizanenheld. Iran heet nog Perzië. De sjah regeert in plaats van de ayatollahs. Afghanistan heeft zijn geschiedenis van indringers, maar de echte opeenvolging van ellende zal pas beginnen met de Sovjetinval in 1979.

Tegelijkertijd herkent de reiziger die in deze jaren wel eens deze landen heeft aangedaan ook zaken in Bouviers beschrijvingen. Zijn Perzië lijkt op het Iran van vandaag, met een bevolking die nog steeds ’nieuwsgierig is naar alles wat anders is’. Ook Bouviers verbazing over hun ontvangst is invoelbaar: „Wat mij hier het meest treft is dat de deplorabele staat van de publieke zaak zo weinig invloed heeft op de private deugden. Je kunt je zelfs afvragen of die ze in zekere zin niet bevordert. Hier, waar alles misgaat, hebben we meer gastvrijheid, welwillendheid, fijngevoeligheid en steun ondervonden dan twee Perzische reizigers ooit zouden kunnen verwachten van mijn stad waar alles op rolletjes loopt.”

Armoede loopt als een rode draad door Bouviers verslag. Verder hebben de culturen nog weinig van hun eigenheid verloren. Mondialisering heeft nog niet huisgehouden als grote gelijkmaker. Als Bouvier en Vernet diep in Azië al op Hollywood-invloeden stuiten dan zijn het films van lang, erg lang geleden.

Reizen is nog echt reizen. Bouvier en Vernet maken hun tocht ruim een decennium voordat hele hordes jongeren hun heil gaan zoeken in het oosten. Ze lopen nog veel verder vooruit op de van Lonely Planet-reisgidsen en Rough Guides voorziene backpackers die avonturieren langs eerder uitgezette lijnen. De twee Zwitsers zijn een zonderlinge, opvallende verschijning. Op de plekken waar ze komen, worden ze met een mengeling van waakzaamheid en gretigheid ontvangen als representanten uit een ander universum . Tegelijkertijd vinden ze vaak opvallend snel een plek in de zo vreemde samenleving.

Haast lijkt te ontbreken, heeft ook weinig zin. Bouvier en Vernet bezoeken een archeologisch team in de bergen van Afghanistan en nemen de Figaro littéraire en vijf nummers van Le Monde mee, die er drie maanden over gedaan hebben om deze plek te bereiken. De wetenschappers – ze zouden nu met één muisklik de wereld binnenhalen – nemen met gretigheid hun cadeau in ontvangst en vrolijken er flink van op.

De twee jonge mannen maken hun trip in een tweedehands Fiat Topolino over wegen die de naam weg nauwelijks waard zijn. Bouvier is al erg tevreden als hij op een route twintig, dertig kilometer per uur haalt. Lichten moeten regelmatig uit om de accu te sparen. Passen worden in de eerste versnelling genomen, terwijl de passagiers al op de treeplank staan, klaar om te springen. De wagen wordt geduwd met lappen om de handen omdat de carrosserie door de zon te heet is geworden om aan te pakken. De autoreparaties lopen als een rode draad door zijn reisverslag heen. Steeds weer staan hij en zijn vriend gebogen over een open motorkap of liggen ze onder hun wagen.

Wie zich een visuele voorstelling wil maken van de wereld die Bouvier en Vernet doorkruisen, kan terecht bij de door de schrijver gemaakte foto’s aan het begin van het boek. Het is een wereld waarin de nieuwe tijd nog nauwelijks zijn intrede heeft gedaan. Vernet geeft zijn versie van de werkelijkheid met zijn tekeningen. Die zijn knap, maar ruim vijftig jaar na vervaardiging een beetje achterhaald. Ze ademen de sfeer van een kinderbijbel van decennia geleden.

Een van de grote cultboeken van de reisliteratuur, jubelt de achterflap van de nu verschenen vertaling van Bouviers boek dat oorspronkelijk in 1963 uitkwam. Waarna het onder meer wordt vergeleken met Jack Kerouacs ’On the road’, ook uit de jaren vijftig. Hoewel er gelijkenissen zijn, lijkt dat wat overdreven. ’On the road’ is het verhaal van Amerikanen op reis in eigen land met de bijbehorende vaart. De charme van ’De wegen van de wereld’ schuilt in de voortdurende traagheid. Bouvier en Vernet zoeken het avontuur niet per se op, ze laten gebeuren wat gebeurt.

Vernet, die in Ceylon wil gaan trouwen met zijn vriendin Flo, blijft als personage wat op de achtergrond. Maar ook over Bouvier komt de lezer niet gek veel te weten. Hij noteert op meesterlijke wijze zijn waarnemingen, blijft niet steken bij oppervlakkige indrukken, dringt door tot de volksziel en laat daarbij de vooroordelen de vooroordelen.

„Reizen stelt je in staat om je vleugels uit te slaan, maar het maakt je niet vrij – zoals we dachten”, schrijft hij als het tweetal nog niet verder is dan Macedonië. „De reiziger ervaart eerder een soort inperking; weg uit zijn vertrouwde omgeving, beroofd van de beschermende cocon van zijn routines, voelt hij zich teruggebracht tot nederiger proporties. Maar ook opener, meer geneigd om toe te geven aan zijn nieuwsgierigheid, zijn intuïtie, het onverwachte.”

Van echte introspectie komt het helaas niet. Hoe het anderhalf jaar reizen tussen Alpen en Khyberpas Bouvier verandert laat zijn verslag in het ongewisse.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden