Review

Nieuwsgierig naar het geheim op zolder

Simone Schell: 'Marie Pouceline of de Nicht van de Generaal', illustraties van Fiel van der Veen, Holland, 112 p, f 23,90; Thea Beckman: 'De Stomme van Kampen', Lemniscaat, 180 p, f 28,50, beide v.a. 10 jaar.

LIEKE VAN DUIN

De meeste doen uitgebreid onderzoek naar documenten, archieven, data en bewaard gebleven voorwerpen. Ze verplaatsen zich in hun fantasie naar de tijd waarover ze willen schrijven en trachten met behulp van die door onderzoek geleide fantasie de historische gegevens leven in te blazen. Zulke boeken zijn vooral informatief.

Thea Beckman (69), een auteur die vaak op die manier werkt, doet dat ook nu weer in haar nieuwe, biografisch getinte roman 'De Stomme van Kampen', over de jeugd van de doofstomme landschapsschilder Hendrick Avercamp (1585-1634).

Andere schrijvers verbinden hun verbeeldingskracht niet zozeer met historisch onderzoek, maar laten hun fantasie meer de vrije loop; ze gaan in de eerste plaats uit van het verhaal dat ze in hun hoofd hebben. Precieze namen en jaartallen interesseren hen minder dan maatschappelijke verhoudingen en denkwijzen uit die tijd. Hun boeken kunnen heel goed informatieve waarde hebben, zoals bijvoorbeeld 'Het gouden oog' van Hans Hagen (dit jaar Zilveren Griffel), maar het is primair literatuur.

Dat blijkt ook uit het taalgebruik. Schrijvers uit de eerstgenoemde groep, zoals Beckman, geven hun personages vaak ouderwetse woorden en uitdrukkingen in de mond, waarvan geen mens kan nagaan of er in de betreffende periode zo gesproken werd. In een boek over de Middeleeuwen krijgen de personages dan bijvoorbeeld een taalgebruik dat negentiende-eeuws aandoet. Bovendien wordt vaak geen onderscheid gemaakt tussen het taalgebruik in de dialogen en dat van de verteller, zelfs niet als die vanuit onze tijd vertelt.

Geen cassetterecorder

Schrijvers die meer van hun eigen verbeeldingskracht uitgaan, zijn ook origineler in hun taal. Ze gebruiken wel termen en begrippen van vroeger, maar aangezien er zoveel eeuwen terug toch niemand met een cassetterecorder heeft rondgelopen, laten ze hun personages liever praten op een manier die nu als vloeiend, natuurlijk overkomt.

Zo'n boek publiceerde onlangs ook Simone Schell (49) met 'Marie Pouceline of de Nicht van de Generaal'. Het is meer een fantasieverhaal tegen een negentiende-eeuws decor, dan een historische roman. Toch geeft het tussen de regels door een overtuigend beeld van hoe er in de vorige eeuw werd omgesprongen met buitenechtelijke kinderen van adellijke personen, en met mismaakte kinderen. Ook laat de schrijfster zien dat een kermis in die tijd veel breder opgezet was dan nu: het was tegelijkertijd jaarmarkt en circus, en alle rangen en standen kwamen er.

Simone Schell, die ooit twee Gouden Griffels won (in 1975 en 1980) liet de laatste jaren weinig van zich horen, maar komt nu sterk terug. 'Marie Pouceline of de Nicht van de Generaal' is een levendig verhaal vol onvoorspelbare wendingen. Marie is een meisje dat als pasgeboren baby door een dame in een koets wordt afgeleverd bij het oude kruidenvrouwtje Poe, met een zak geld voor haar opvoeding en een medaillon met het portret van haar oom, De Generaal, voor 'als ze hem later ooit nodig heeft'.

Poe verwacht dat de baby wel gauw 'een engeltje' zal worden, maar het kindje haalt het en Poe is goed voor haar. Het meisje blijft piepklein, maar heeft ogen 'glanzend als de nieuwste blauwe stuitertjes'. Ze blijkt een lilliputtertje te zijn en 'wie niet groot wordt, moet hard worden', vindt Poe, 'spijkerhard'. Ze brengt Marie naar een kostschool voor adellijke kinderen: "t Zijn allemaal krengen hier maar dat is goed voor je. Dan leer je van je af te bijten." De directrice accepteert Marie alleen vanwege de bijgeleverde zak geld, maar verbant het volkskind, mismaakt nog wel, naar de zolder, want niemand mag weten van deze schande voor de school.

Dan wordt het echt leuk: iedereen is nieuwsgierig naar dat geheim op zolder. Een voor een sluipen kinderen en opvoeders naar boven, elkaar chanterend om hun mond erover te houden. Ze treffen daar een vrolijk meisje aan, dat zich prima vermaakt en iedereen betovert met haar kordate charme. De adellijke kinderen, elk met hun eigen, minder vrolijke levensverhaal, blijken allesbehalve krengen en Marie sluit vriendschap met hen. Als de jaarlijkse kermis in aantocht is, wordt Marie door de koetsier van de school verkocht als kermisattractie. Maar dan komt De Generaal eraan te pas en loopt alles toch nog goed af.

Het verhaal is geschreven in een ferme, directe taal die met zieligheid korte metten maakt: "Geen gejank" , zei Poe. "Als je jankt bijt ik je neus eraf." ; een zin die Marie naderhand regelmatig in zichzelf herhaalt. Maar tegelijk is het verhaal ook ontroerend, bijvoorbeeld als Marie een pop krijgt van een van de meisjes of wanneer ze stiekem huilt omdat ze Poe mist.

In de historische romans van Thea Beckmann is het onderwerp steeds anders, maar aanpak en taalgebruik blijven meer van hetzelfde: traditioneel en clichematig.

Het verhaal over de apothekerszoon Hendrick Avercamp, gezien door de ogen van Thea Beckman, is op zich interessant. We volgen hem van zijn tweede jaar, totdat hij in Amsterdam bij het St. Lucasgilde zijn meesterstuk aflevert en teruggaat naar Kampen. De schrijfster heeft zich goed ingeleefd in hoe het in de 16de en 17de eeuw geweest moet zijn om als doofstom, maar intelligent kind op te groeien: er was nog geen speciaal dovenonderwijs, evenmin als een officiele gebarentaal, en gebrekkigen werden uitgescholden. Hendrick leert van zijn moeder lezen en schrijven, maar kent geen abstracties, beeldspraak en symbolen, dus een begrip als God zegt hem niets, hetgeen in die tijd heel erg werd gevonden.

Avercamp raakt betrokken in een conflict tussen schilders van de Vlaamse en de Hollandse stijl van die dagen en de lezer raakt werkelijk nieuwsgierig naar zijn schilderijen. Beckman laat Hendricks handicap zien - waardoor hij contactgestoord en hulpeloos is -, zijn hang naar vrijheid en zijn genialiteit, maar geen andere eigenschappen. Als Hendrick in Amsterdam verliefd wordt en het meisje hem afwijst - ze vindt hem een engerd met zijn onbeheerste geluiden -, is hij wel erg snel over zijn verdriet heen, terwijl hij zich dan toch ook moet realiseren dat een bevredigende liefdesrelatie er voor hem niet in zit.

Helaas is het taalgebruik weer beroerd: 's mensens gevoelens', 'de gesel van de pest', 'de diepbetreurde stadsapotheker', 'wijlen haar man' en 'door de blauwe lucht zeilen statige witte wolken'. Woorden als 'warempel' en 'eensklaps'. Verkeerd gebruikte uitdrukkingen, zoals 'bijspijkeren' in plaats van bijleggen als het om geld geven gaat. En regelrecht slecht Nederlands: "De pachter kijkt naar zijn oudste zoon die zich, niet bang maar toch nog altijd aan zijn moeder vasthoudt." Als de schrijfster dit zelf niet herkent als krom Nederlands, dan zou de uitgeverij het toch moeten corrigeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden