Review

Nieuwe Jona: mooi, zij het ook wel eens iets ernaast

'Waarom bij voortduring iets wat beter is door iets wat minder is vervangen? Waarom origineel willen zijn terwijl dat helemaal niet hoeft?' Verzuchtingen van Nico ter Linden onlangs in zijn rubriek Kostgangers naar aanleiding van de nieuwe vertaling van het boek Jona. Ter Linden is een begenadigd verteller, maar daarmee nog geen vertaler, werpt collega-godgeleerde Meindert Dijkstra tegen.

Meindert Dijkstra

Een paar maanden geleden plaatste Nico ter Linden enkele kritische kanttekeningen bij de proeve van de nieuwe bijbelvertaling van het boekje Jona. In de laatste twee afleveringen van zijn rubriek 'kostgangers' (van 13 september en 11 oktober kwam hij daarop in detail terug. Hij selecteerde enkele fragmenten uit de eerste twee hoofdstukken en leverde daar commentaar bij. Ik vraag me af of dit de goede manier is om een nieuwe vertaling te kritiseren. Elke zin die je lang genoeg herhaalt of tegen het licht houdt, wordt ten slotte onzin. Woorden, fragmenten van zinnen en verhalen gaan een eigen leven leiden en kun je gemakkelijk als aangeschoten wild afschieten.

Ik weersta de verleiding om de proeve vers voor vers bij te vallen. Goede wijn behoeft geen krans. Het gaat me ook meer om het geheel en om de verstaanbaarheid van het verhaal, de parodie op de profeet Jona. Op dat punt vind ik de vertaling geslaagd.

Ik ben ook juist blij met dat woordje 'eens' aan het begin. Nu weet de lezer meteen wat hij mag verwachten, een verhaal, misschien wel een frivool of zelfs sprookjesachtig verhaal. Dat moet nog blijken. Dat gevoel roep je niet op met 'Het woord van de Heer geschiedde . . .' Jona begint namelijk net iets anders dan de andere profetische boeken.

Ik word altijd wat ongemakkelijk van de uitlegregel: 'er staat eigenlijk in de grondtekst of het Hebreeuws . . .' die je te pas en te onpas hoort vanaf de preekstoel, en soms in de krant. Gaat het er bij vertalen juist niet om dat je mensen teksten laat lezen zonder allerlei ezelsbruggetjes? Hoewel, ik ben het met Ter Linden eens dat je er niet komt zonder enige kennis van de tale Kanaüns, of liever een brede belezenheid in de bijbelse literatuur. Dan gaat er bij het lezen en horen steeds meer mee klinken.

Maar hoever strekt dat? Natuurlijk zit de tekst vol 'heilige geestigheden' zoals Ter Linden dat zo mooi zegt, maar je kunt ze mijns inziens nooit ophangen aan een enkel woord of een enkele naam.

Jona, de Duif, Gods eigen postduif, is een leuke vondst, maar het blijft een onverwerkte flard kennis uit het woordenboek. Jona is namelijk evenmin een duif als Margriet een bloem, zij is hoogstens een blommige meid. Je kunt niet bij het horen van de naam Jona meteen alle duiven uit de canon laten vliegen op zoek naar een rustplaats voor het hol van haar voet. Er is voorzover ik kan lezen weinig wat deze associatie rechtvaardigt.

De enige reactie die je hier van een goed verstaander (die maar een half woord nodig heeft) kunt verwachten is, o ja die Jona kennen we. Jona, zoon van Amittai uit Gat-Hachefer, profeet ten tijde van Jerobeam! Die broodetende hofprofeet die aankondigde dat Israël weer een groot en sterk volk zou worden (2 Koningen 14:25). Jona schept verwachtingen. Het is een leuke binnenkomer van de verteller om zijn publiek op het verkeerde been te zetten.

Dat Hebreeuwse 'wortel trekken' en woordspelletjes met namen levert alleen maar moeilijkheden op, zo geen exegetische bedrijfsongevallen in de krant en op de preekstoel. Ze komen niet voort uit een betere kennis van het Hebreeuws, maar juist uit een tendens tot een wat overspannen betekenisverlening. Voor sommige lezers van de grondtekst moet elke tittel en jota betekenis hebben, maar zo werkt een taal niet. Een naam is een naam. Bij namen als Roos, of Margriet denken we ook niet onmiddellijk aan de bloem, maar aan een persoon en de associatie met de gelijknamige bloem gaat pas in het poëziealbum, in sinterklaasgedichten of in voordrachten op bruiloften en partijen een rol spelen. Jona zou trouwens evengoed een afkorting van Johannes (Johanan) kunnen zijn zoals bekend uit de rabbijnse literatuur en het Nieuwe Testament (Simon Barjona uit Matteus 16:17f is Simon zoon van Johannes uit Johannes 22:15v).

Het viel me op dat Ter Linden de doelstelling van de NBV zegt te onderschrijven: de vertaling moet brontekstgetrouw zijn en doeltaalgericht. Maar vervolgens doet hij weinig met een minstens zo belangrijk principe van de NBV, namelijk het onderscheid tussen taalkenmerk en tekstkenmerk. Ter Linden heeft gelijk dat de NBV-vertaling niet altijd even consistent omgaat met tekstkenmerken zoals dat voortdurende 'sta op en roep', maar vind maar eens een vertaling die beide situaties dekt, namelijk iemand om een boodschap sturen, of uit zijn slaap wekken. Ik zou het niet weten. Ik vind 'Maak je klaar, gereed' nog niet zo gek.

Er is nog een verschil tussen vertalen en vertolken. In het hervertellen en zijn verhalende uitleg blijft Nico ter Linden voor mij de kampioen. Dat kan hij beter dan ieder ander en ik geniet van zijn 'rewritten Bible', een oeroud joods genre overigens. Maar het feit dat je een begenadigd verteller of vertolker bent, houdt niet meteen in dat je ook een goede vertaler bent. Vertalen vraagt weer andere principes en vaardigheden.

Brontekstgetrouw en doeltaalgericht, over dat eerste bestaat in het algemeen wel overeenstemming, maar het tweede kan ruim opgevat worden. Hoe flexibel zijn de grenzen van de doeltaal, hoe gaat men kosjer om met de rekbaarheid en de flexibiliteit ervan? Die flexibiliteit is in de visie van Ter Linden nagenoeg oneindig, maar is ze dat voor de gemiddelde Nederlander? Iedereen die een mondje buiten de deur spreekt, weet uit ervaring hoe je een taal kunt verminken en verbasteren en toch 'verstaanbaar' blijven voor de geduldige luisteraar of lezer. Hoe vreemd en exotisch, plechtig of ruig kan en mag de oorspronkelijke taal van een literair werk in de doeltaal doorklinken? De vraag is ook hoe groot het beroep mag zijn dat we doen op de linguïstische en literaire vaardigheden van de lezer of luisteraar.

Sommige taalkenmerken laten zich misschien wel omzetten in een soort 'Nederhebreeuws', maar leveren geen Nederlands op ook al staan er een paar Hollandse woorden op een rijtje. 'Weg van voor het aangezicht van de Heer' is geen gangbaar Nederlands meer, ook al blijft het voor de geïnformeerde lezer te begrijpen. Wij lopen weg voor iemand en dat is precies wat de samengestelde prepositie wil zeggen. Meer willen zeggen dan nodig is op basis van wat er staat in de brontekst leidt hoogstens tot overstatement en dus onbegrip in de tekst. Het Hebreeuws kent nu eenmaal samengestelde preposities waarvan de betekenisnuances niet of nauwelijks verschillen (net zoals in het Nederlands: tevoren of van tevoren). Niet elk taalkenmerk van de brontekst laat zich vertalen. De NBV-vertalers zijn zich daarvan voortdurend bewust.

Ook trouwens van nuances in het werkwoordgebruik en syntactische structuren die Ter Linden blijkbaar ontgaan. Hij valt bijvoorbeeld over het feit dat Jona in de visie van de verteller zich te slapen had gelegd voordat de storm losbrak. Dat laat zich eenvoudig afleiden uit de structuur van het Hebreeuws, ook al heeft deze taal geen voltooid verleden tijd (zie de Grammatik van Wolfgang Schneider, zo ongeveer het evangelie zelf voor vertalers uit de Amsterdamse school en haar verwanten, maar als ik het goed heb ook voor de vertalers van NBV).

Hebreeuwse vertellers werken graag met flashback. In Jona nog meer dan we in NBV vinden, bijvoorbeeld ook in 3:6-9, waar we ingelicht worden hoe de Ninevieten ertoe kwamen (vs 5) een vasten uit te roepen (zie ook 4:5, NBV en ook NBG). Ter Linden laat merken dat hij niet zo goed op de hoogte is van het Hebreeuwse (c.q. semitische) werkwoordsysteem als hij de vertalers van Jona's psalm verwijt dat ze de verleden tijd hebben omgezet in tegenwoordige tijd. Het Hebreeuws heeft geen tijden in onze zin, zeker niet in poëzie. Maar toegegeven, ook de NBV zit er een beetje naast met: ,,Ik roep in mijn nood tot de HEER en hij antwoordt mij.' Dat laatste zinnetje verwijst in de brontaal namelijk naar het verleden. Het vertelt dat de bidder eerder de ervaring had dat de HEER hem antwoordde en wel in zijn heilige tempel (2:8). Ter Linden zegt terecht: je hoort kennis te halen waar ze te vinden is, bij Deurloo en anderen. In dit geval heeft de NBV dat dus wel gedaan, waarvan akte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden