Niet roken en ook geen hond bij het monument

Monument in Westerbork dat de latrines verbeeldt. (FOTO UIT BESPROKEN BOEK) Beeld
Monument in Westerbork dat de latrines verbeeldt. (FOTO UIT BESPROKEN BOEK)

Wat moeten oorlogsmonumenten vooral uitstralen: heldhaftigheid of juist democratische waarden? Dit is een van de thema’s in een interessante bundel over de vraag hoe Nederland met zijn herinnering omgaat.

Martijn Eickhoff

Anno 2009 zijn militaire erevelden een vertrouwd onderdeel van het Nederlandse landschap en er bestaan duidelijke conventies over de inrichting en ter plaatse gewenst publiek gedrag. Desondanks zijn ze als verschijnsel relatief recent.

De eerste oorlogsbegraafplaats op Nederlands grondgebied stamt uit 1940 en is aangelegd door de Duitsers. Locatie: boven op de Grebbeberg. In Duitsland, waar het militair eerbetoon voor gesneuvelden een lange geschiedenis kende, was deze keuze vrij gebruikelijk: een heuvel verwees naar Golgotha en het offer van Christus. In Nederland bestond er nog geen traditie op dit vlak. Soldaten kregen vaak een civiele begrafenis en er was geen militair ceremonieel ontwikkeld voor het herdenken van gesneuvelden.

Hoezeer er op de Grebbeberg, waar zowel Nederlandse als Duitse soldaten begraven lagen, is geïmproviseerd, blijkt uit de bijdrage van de antropoloog Rob van Ginkel aan ’De dynamiek van de herinnering. Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context’. Van Ginkel – een van de veertien auteurs van de bundel – onderzoekt de rituelen waarmee de doden aldaar sinds mei 1940 zijn omgeven. Hij laat zien dat er aanvankelijk geen eenvormige herdenkingscultuur bestond. Zo moesten de Nederlanders nog leren dat er op de begraafplaats niet gerookt kon worden en dat het ongepast was honden mee te nemen.

Veel Nederlanders bezochten de plek jaarlijks in november vanwege Allerzielen, terwijl de Duitse autoriteiten er in maart hun Heldengedenktag vierden. De berg werd daarbij aangeduid als symbool van Duits-Nederlandse kameraadschap. Over het hoe en waarom van de herdenkingen bij de Grebbeberg werd ook na 1945 nog strijd gevoerd. Betekende het overbrengen van de stoffelijke overschotten van de Duitse soldaten in 1947 naar Ysselsteyn in Limburg een ’zuivering’ van de Grebbeberg of was het veeleer een verbanning van Duitse gesneuvelde militairen uit de Nederlandse publieke herinnering? Welke boodschap moest het in 1953 ter plaatse opgerichte monument uitdragen: heldhaftigheid of juist democratische waarden?

Het zijn vragen als deze die centraal staan in deze bundel. Dat er auteurs aan het woord komen over de meest uiteenlopende onderwerpen – kampgetuigenissen, ’besmette’ kunst, Holocausteducatie, erfgoedtoerisme in Indonesië, musealisering van concentratiekampen – resulteert in een rijkgeschakeerd beeld van de Nederlandse omgang met de Tweede Wereldoorlog. Door het internationale perspectief mee te wegen, wordt het specifieke karakter van de ontwikkelingen hier te lande duidelijker.

Er zijn critici die stellen dat dergelijk herinneringsonderzoek het zicht op de historische werkelijkheid vertroebelt en, zeker als het gaat over de Holocaust, tot waardenrelativisme zou kunnen leiden. Anders gezegd: is het niet veel zinvoller om de Tweede Wereldoorlog zelf onder de loep te blijven nemen? Maar als de bundel iets duidelijk maakt, is het wel dat de benadering de betekenis van het verleden juist op scherp zet. Het blijkt hoe ’de oorlog’ door verschillende generaties en zeer uiteenlopende maatschappelijke groepen keer op keer is ingezet om normen en waarden te onderbouwen, of de eigen identiteit vorm te geven. Als zodanig geeft de bundel een fascinerend perspectief op de naoorlogse Nederlandse maatschappij.

Het besef dat de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog geen vaststaand gegeven is, nodigt bovendien uit tot actieve deelname aan de vormgeving ervan. Uit de bijdrage van Roel Hijink over de musealisering van Westerbork en Vught blijkt bijvoorbeeld dat er in Nederland vandaag de dag nog geen vaste conventies zijn voor de inrichting van voormalige concentratiekampen en het gewenste publieke gedrag ter plaatse. Zo kan het gebeuren dat de Boulevard de Misère van kamp Westerbork nu deel uitmaakt van een toeristische route door het Drentse landschap. Hijink maakte een confronterende foto van de praktijken waartoe dit kan leiden: picknickende fietsers op de plek van vroegere Rampe – de opstapplaats voor de treinen naar Auschwitz. Dat de herinnering aan de oorlog niet maakbaar, maar indien gewenst wel bijstuurbaar is, kan niet beter geïllustreerd worden.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden