Lea Ypi: ‘Ik ben me ervan bewust dat buitenstaanders je in een hokje willen stoppen om je te kunnen plaatsen’.

InterviewLea Ypi

Niet langer opgesloten, maar echt vrij? Voor de jonge Lea Ypi in Albanië voelde dat niet zo

Lea Ypi: ‘Ik ben me ervan bewust dat buitenstaanders je in een hokje willen stoppen om je te kunnen plaatsen’.Beeld Jildiz Kaptein

Jarenlang hield Albanië de grenzen vrijwel dicht, voor de eigen inwoners en voor buitenlanders, die slechts mondjesmaat werden toegelaten. In het prachtige Vrij verhaalt Lea Ypi over opgroeien in die tijd én de verwarring toen de grenzen eenmaal opengingen.

Nicole Lucas

In haar kinderjaren in de Albanese havenstad Durrës kwam Lea Ypi (42) ze weleens tegen: buitenlandse toeristen. Soms overtuigde communisten (‘onze internationale kameraden’) die in Albanië het échte socialisme wilden aanschouwen. Soms westerlingen die de hele wereld al hadden gezien en nu dicht bij huis een, op zijn zachtst gezegd, exotische bestemming hadden gevonden: het laatste stalinistische bolwerk van Europa.

Tegenwoordig woont Ypi in London, waar ze hoog­leraar is aan de prestigieuze London School of Economics. Eind vorige maand verscheen haar boek Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, waarin ze op eerlijke en aansprekende wijze beschrijft hoe het was om op te groeien in een van de meest geïsoleerde landen ter wereld en deelgenoot te zijn van een omwenteling die de samenleving op haar grondvesten deed wankelen. Ze voelt zich ook wel eens bekeken als een exotisch ­wezen, afkomstig uit een land met een hardvochtige geschiedenis. Een land ook waar iets als een leeg colablikje zo bijzonder was als een kostbaar schilderij, en oorzaak kon zijn van een hoogoplopende en bittere burenruzie.

Ypi kan het hebben. “Het is de prijs die je betaalt om gehoord te worden”, vertelt ze tijdens een kort bezoek aan Nederland. “Ik ben me ervan bewust dat buitenstaanders je in een hokje willen stoppen om je te kunnen plaatsen. Het is onvermijdelijk. Maar als het leidt tot nieuwsgierigheid, dan creëert het ook de mogelijkheid tot een gesprek.”

Vrij is een coming-of-ageverhaal met een duidelijke breuk. Op de basisschool leert Ypi hoe bijzonder haar land is, dat zich in de loop der jaren zelfs van andere socialistische staten heeft afgekeerd om op het pad naar het ware communisme te kunnen blijven. Maar in december 1990, als een jaar na de val van de Muur ook in Albanië het socialistisch ideaal de aftocht blaast, komt aan dat idee van ‘uitzonderlijkheid’ abrupt een eind. Ypi, dan 11 jaar oud, moet haar land, haar ouders en zichzelf ­opnieuw bezien.

U geloofde als kind in het socialisme. Waaruit bleek dat?

“Uit het enthousiasme waarin ik alles deed wat van mij gevraagd werd om een goede burger te zijn. Dat was voor mij net zo belangrijk als een goed kind zijn van mijn ouders. Op school bijvoorbeeld werd van ons verwacht dat we ons bekommerden om leerlingen die moeite hadden om mee te komen. Je moest dan wel zelf slim zijn en hoge punten halen. Ik kreeg de verantwoordelijkheid voor een meisje dat het helemaal niet goed deed. ­Eigenlijk vond ik dat best een opgave. Dan kwam ze bij mij thuis langs om huiswerk te maken, en vervolgens wilde ze alleen maar kletsen. Maar ik bleef toch volhouden, als goed socialistisch kind hielp je anderen.”

Over politiek werd thuis amper gepraat, maar voor Ypi was er geen reden te twijfelen dat haar ouders en haar grootmoeder Nini net zo loyaal waren als zij. Al was er soms een sprankje twijfel, bijvoorbeeld toen Enver Hoxha, Albaniës sterke man, in april 1985 stierf. Oom Enver was hij voor de jonge Lea, en zijn dood bracht haar in tranen. Ypi nu: “Er is natuurlijk heel veel wat je vergeet, maar dit is een van die momenten die een enorme indruk hebben gemaakt.” Maar toen ze thuiskwam, was de reactie verbazingwekkend nuchter. Dat oma nog een hap door haar keel kon krijgen, ze begreep het niet. En waarom bleven haar ouders toch weigeren om een foto van Hoxha op te hangen? Dat deed toch iedereen?

Als in december 1990, ook in Albanië, als laatste land in Oost-Europa, vrije verkiezingen worden aangekondigd, krijgt Ypi antwoorden op die vraag. Ze wordt geconfronteerd met allerlei familiegeheimen.

Wat verbaasde u het meest?

“In heel korte tijd kwamen er zoveel onthullingen dat het moeilijk was om het allemaal te bevatten. Een daarvan was dat mijn vader de achterkleinzoon bleek te zijn van een voormalig, vooroorlogs premier van Albanië. Hij was weleens ter sprake gekomen, omdat mijn ­vader en hij dezelfde naam hadden. Maar mij was altijd te verstaan gegeven dat dat puur toeval was. Deze man gold als een collaborateur met de fascisten. En dat was in Albanië destijds het ergste wat je over iemand kon zeggen. En nu was hij toch familie.

“Ik ontdekte ook dat mijn moeder uit een rijke ­familie kwam. Ik had altijd geleerd dat rijkdom iets slechts was, het resultaat van kapitalistische uitbuiting. En ik hoorde dat mijn grootvader vast had gezeten, als politiek gevangene. Hij was onschuldig, werd me steeds gezegd, hij kwam in de gevangenis omdat hij de verkeerde ideeën had. Nu begrijp ik wat dat betekent, maar toen niet. Naar de gevangenis ga je toch als je iets fout hebt gedáán.”

 Lea Ypi: ‘Nu zijn we vrij, zeiden ze, je kunt nu doen wat je wilt. Maar na vier uur mocht ik niet meer de straat op, omdat het te gevaarlijk werd.’ Beeld   Jildiz Kaptein
Lea Ypi: ‘Nu zijn we vrij, zeiden ze, je kunt nu doen wat je wilt. Maar na vier uur mocht ik niet meer de straat op, omdat het te gevaarlijk werd.’Beeld Jildiz Kaptein

Lea Ypi (1979, Tirana) studeerde filosofie en literatuur aan de Sapienza Universiteit in Rome en promoveerde aan de European University Institute in Florence. Ze is als hoogleraar politieke theorie verbonden aan de London School of Economics (LSE), waar ze zich onder meer bezighoudt met migratie, marxisme en nationalisme. Ypi woont met haar gezin in Londen.

Al die jaren heeft uw familie over dat verleden gezwegen om zichzelf en u te beschermen. Nu het land ‘vrij’ was, hoefde dat niet meer. Maar in de jaren na 1990 bent u niet erg veel gelukkiger.

“Het contrast tussen wat er zou moeten gebeuren, althans zoals mijn ouders dat mij vertelden, en wat ik ervaarde was groot. Nu zijn we vrij, zeiden ze, je kunt nu doen wat je wilt, zeiden ze. Maar na vier uur mocht ik niet meer de straat op, omdat het te gevaarlijk werd. Voorheen waren er amper auto’s, nu wilde iedereen ­autorijden, er gebeurden veel ongelukken. Ik heb mijn dagboeken er op na gelezen. Het leven was grimmig, we brachten hele dagen door zonder elektriciteit. Ik ging naar school en ik ging weer naar huis, verder was er niets te doen. De clubs waar ik voorheen naartoe ging – zingen, wiskunde, muziek, schaken – waren allemaal gestopt. Andere meisjes raakten geïnteresseerd in make-up, mij deed dat niets. Ik voelde me ongelukkig. Deels is dat waarschijnlijk gewone tienerellende, maar het had ook te maken met wat er in de samenleving gebeurde. Maar dat besef kwam pas later.”

Vrijheid bleek ook met voorwaarden te komen, zo ontdekte u toen uw grootmoeder met u naar Griekenland wilde reizen.

“We hadden een paspoort nodig, maar dat bleek niet genoeg. We moesten ook een visum hebben. En het bleek dat het niet aan de Albanese staat was om daarvoor te zorgen, maar aan een ander land. En om aan een ­visum te komen had je inkomen nodig, en als je dat niet had, dan was het jammer. Dus je kon wel weg, maar als een ander land je niet toeliet, kon je nog niet reizen.”

Er komt ook een Nederlander voor in uw boek, Vincent van de Berg. Hij is een expert die Albanië de nieuwe weg moet wijzen en kwam bij u in de straat wonen. U heeft het niet zo op hem.

“In werkelijkheid had hij een andere naam, maar het was inderdaad een Nederlander. Hij werkte voor de Wereldbank. Wat het meest opviel: hij werd nooit ergens door verrast. Altijd als je hem vertelde over iets wat wij als uniek Albanees zagen, was zijn reactie: o, dat heb ik ook in Ghana meegemaakt, of: dit herinnert me aan Belgrado. Niks was bijzonder, alles was altijd onderdeel van een andere ervaring. Als je hem byrek (een typisch Albanees gerecht, red.) aanbood, begon hij over samosa. Hij had alles al eens meegemaakt. Voor mij representeerde hij een soort liberaal kosmopolitisme, dat onverschillig staat tegenover nuance, lokale omstandigheden, context. Het klinkt misschien raar, maar in zijn vaste overtuiging dat er maar één manier was om landen vooruit te helpen leek hij op mijn juf Nora van de basisschool, die heilig geloofde in het communisme. Bij Van de Berg ging het over structurele hervormingen, bij juf Nora over ­onderdrukking en klassenstrijd. Allebei waren ze blind voor de menselijke kosten.”

Uw vader kreeg, als directeur van de haven in Durrës, met Van de Berg te maken en had daar moeite mee.

“Die buitenlandse experts konden heel paternalistisch zijn. Wat ze zich niet realiseerden was de mate waarin de locals zich aanpasten. Ze zeiden gewoon; ja, u heeft gelijk. Ze speelden het spel mee, zonder dat ze het allemaal geloofden. Net zoals ze het onder het communisme hadden gedaan.

“Mijn vader vond het moeilijk, hij kon niet liegen, hij kon niet doen alsof. Hij kwam uit een familie die slachtoffer was geweest onder de communisten, nu behoorde hij bij een groep die slachtoffers moest maken. Om kosten te besparen werd hem op een gegeven moment opgedragen een groep Roma te ontslaan. Hij was razend: die mensen verdienen samen net zoveel als Van de Berg, zei hij. Als het echt om de kosten gaat, waarom ontslaan ze dan niet één expert? Hij had er slapeloze nachten van, was op de rand van depressie. Hij wist – je ontslaat die mensen, ze hebben geen inkomen, hun kinderen lijden honger. Maar voor Vincent was dat nu ­eenmaal de prijs die betaald moest worden. Zo was het elders in de wereld ook gegaan.”

Het boek van Ypi eindigt in 1997. Ze is 18, heeft de middelbare school afgemaakt en vertrekt naar het buitenland om te gaan studeren: een geschikt moment om een ‘coming-of-age’-boek af te sluiten, verklaart ze. Maar dat was het niet alleen; 1997 was een absoluut horrorjaar, zegt Ypi, een dieptepunt in de Albanese geschiedenis. Opgejut door het vooruitzicht van snelle winsten investeerden vele Albanezen al hun spaargeld in piramidefondsen. Dat ging goed, tot het misging en toen ging het ook heel erg mis.

Hoe schrijf je over een burgeroorlog?, vraagt Ypi zich af in haar boek. Het antwoord vindt ze in wat ze daarover tussen januari en april 1997 in haar dagboek ­noteerde: ze is bang, hoort overal kalasjnikovs en raakt haar stem kwijt. Nu zegt ze: “De staat verloor alle gezag, over de economie, over het gebruik van geweld. Het leek op wat er in 1990 was gebeurd. Ook toen ontstonden er grote problemen, maar toen hadden we in ieder geval iets om naar uit te kijken. In 1997 was er niets meer, alleen overleven. Voor mij symboliseerde het het falen van de liberale doctrine.”

Betekent dit dat u iets mist van dat socialistische Albanië?

“Ik ben niet nostalgisch, ik wil niet leven in het Albanië van toen. Maar wat ik mis is een gevoel van collectieve solidariteit. Ik herinner me uit mijn jeugd dat de onderlinge relaties nauw waren, dat vriendschap belangrijk was. Dat is verdwenen; mensen zijn veel meer op zichzelf gericht. Onder het socialisme was om hulp vragen een kwestie van wederkerigheid. Nu is het perspectief anders, doordat de verschillen veel groter zijn geworden. Mijn moeder heeft bezit teruggekregen. Daarmee heeft ze familieleden geholpen, maar het is eenrichtingsverkeer, liefdadigheid geworden. En dat voelt goed voor de gever, maar voor de ontvanger heeft het ook iets vernederends.”

null Beeld
Beeld

Lea Ypi
Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis
(Free. Coming of Age at the End of History)
Vert. Luud Dorresteijn
Bezige Bij: 336 blz. € 24,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden