Column

Niet alle boeken op de plank hoef je gelezen te hebben

Beeld Olivia Ettema

Ik ben in mijn ouderlijk huis en sta voor de boekenkast. Die bevat naast allerlei christelijks ook behoorlijk wat literatuur: ‘De wetten’, ‘Joe Speedboot’, een hoop Solzjenitsyn, Tolstoj, Tatiana de Rosnay, Khaled Hosseini, Harry Mulisch, Frank Westerman, Mark Twain, Marten Toonder, Anna Enquist. Wie het huis van mijn ouders binnenkomt en tegen de boekenkast aanloopt, zal denken dat ik mijn literaire aspiraties van thuis heb meegekregen.

Maar in mijn tijd was die kast er nog niet. Toen ik nog bij mijn ouders woonde, was er alleen een kleinere boekenkast. Die staat er nog steeds, met op de prominentste plek de driedelige Statenbijbel met kanttekeningen, daarnaast de tweedelige bijbelverklaring van Matthew Henry, ‘De viervoudige staat’ van Boston en de tweedelige kinderbijbel van Vreugdenhil. Daarnaast nog een hoop bijbelse lectuur plus een geïllustreerde uitgave van ‘Het slot Loevestein’ van J.F. Oltmans. De minimale versie van de reformatorische boekenkast.

Als tienjarige lettervreter heb ik er vaak voor gestaan in de hoop op nog ergens een verborgen schat. Maar afgezien van wat platenboeken, ‘De boer, de koe en onze zuivelindustrie’, ‘Afkes tiental’ en ‘Ot en Sien’ stond er weinig in dat een kind interesseert.

De nieuwe boekenkast, die met literatuur erin, zie je meteen bij binnenkomst. Hij staat vol boeken die in de afgelopen tien jaar door mijn moeder zijn verzameld, meestal bij kringloopwinkels. Dat ze tweedehands zijn, maakt dat het er doorleefd uitziet, maar als ik mijn moeder naar ‘De Goelag Archipel’ vraag, zegt ze dat ze geen tijd heeft om te gaan zitten lezen.

In zijn essay ‘How to Justify a Private Library’ signaleert Umberto Eco dat de confrontatie met een flinke boekenkast - en dus met zoveel kennis en belezenheid die de bezoeker zelf niet bezit - onvermijdelijk de verbijsterde vraag ontlokt of al die boeken ook gelezen zijn. Een goed antwoord op die vraag heeft Eco niet, behalve dat wie met boeken leeft een boekenkast niet per definitie ziet als puur een opslagplek voor de gelezen exemplaren.

Institutie

Soms wil je boeken vooral hebben. Toen ik studeerde was ik lid van de reformatorische studentenvereniging C.S.F.R. Daar had het status om bepaalde theologische lectuur op je plank te hebben staan. Ik bezat zelf helemaal niets in die orde, en voelde er weinig voor om in dat soort boeken te investeren. Maar toen ik verhuisde naar een zolderkamer bij een hospita, de weduwe van een theoloog, was ik toch geïntrigeerd door de enorme boekenwand in de studeerkamer van de overledene. Van die kamer mocht ik gebruikmaken vanwege het balkon. 

Wat er met de boeken moest gebeuren wist de stokoude weduwe niet. Had ik er soms ideeën over? Ik had in zoverre ideeën dat ik een paar titels al stiekem voor mezelf had gereserveerd. Vooral had ik mijn zinnen gezet op Calvijns driedelige ‘Institutie’ en uiteindelijk heb ik gevraagd of ik die misschien mocht hebben. Dat was goed, en ze kregen een prominente plek in mijn boekenkast.

Het bleef niet onopgemerkt. Een dispuutsgenoot had ze op zeker moment dringend nodig, stak alle drie de delen onder zijn snelbinders, om ze volgens mij letter voor letter over te schrijven, want hij raakte er maar nooit mee klaar. Toen ik later mijn lidmaatschap van de vereniging opzegde, omdat ik moeite had gekregen met de reformatorische grondslag, reageerde hij als enige dolblij. Want iemand die niet meer geloofde had natuurlijk niets meer aan een ‘Institutie’.

Franca Treur schrijft met Gerbrand Bakker om beurten een wisselcolumn over lezen, schrijven en het literaire leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden