Review

Niemand was opgelucht toen Copernicus gelijk kreeg

Vierhonderdvijftig jaar is het geleden dat een letterlijk revolutionair boek van de persen rolde: De Revolutionibus Orbium Coelestium. Over de omwenteling van de hemelse bollen ging het, en het bijzonderste eraan was, dat die bollen om de zon draaiden en niet om de aarde. De Revolutionibus bevat zoveel wiskunde dat het bij verschijnen voor boekendieven niet interessant was, denkt wetenschapshistoricus Owen Gingerich, die de hele wereld afreisde om eerste drukken ervan in te zien. Het uitgangspunt van die wiskunde was de Inquisitie net iets te gortig. De Index dreigde, de censuur sloeg toe. Maar aan weggeschrapte regels heeft de geschiedenis ook wel wat. The Great Copernicus Chase, waarin behalve het titelverhaal nog 35 artikelen van Owen Gingerich staan over de geschiedenis van de wetenschap, van Stonehenge tot Einstein, is uitgegeven door Cambridge University Press. En toch beweegt zij, door Dick Stafleu, over de geschiedenis van de astronomie tot Newton, is verschenen bij Boom

“Nederland, laat me kijken”, mompelt Gingerich. “Jullie hebben vijf eerste drukken en twee tweede.” Dan komt zijn geheugen op toeren: “Ja, een heel beroemd exemplaar bevindt zich in een kerkbibliotheek in Zutphen, in de St. Walburgskerk. Daar zitten de boeken vastgeketend aan de lessenaars, zo kostbaar werden ze gevonden. Alleen De Revolutionibus niet. Dat was te technisch, dat wilde toch niemand stelen.”

Al tweeentwintig jaar jaagt Gingerich, hoogleraar in de geschiedenis van de astronomie in Harvard en sterrenkundige van het Smithsonian observatorium, op eerste en tweede drukken van De Revolutionibus Orbium Coelestium, 'Over de omwenteling der hemelse bollen'. Dat begon, vertelt hij in zijn onlangs verschenen boek The Great Copernicus Chase, toen hij de verjaardagen aan zag komen van Johannes Kepler (die werd vierhonderd in 1971) en Nicolaas Copernicus (vijfhonderdste verjaardag in 1973).

Een wetenschapshistoricus wordt geacht een mening te hebben over deze mannen en kan er zeker van zijn, daar rond dergelijke data naar gevraagd te worden. Dus ging Gingerich zich inlezen. En omdat Copernicus een van die mensen was die beroemd werden door maar een boek te schrijven, moest hij zich verdiepen in De Revolutionibus.

Het leek hem dat de tijdgenoten van Copernicus er een enorme kluif aan gehad moesten hebben: hoofdstuk na hoofdstuk wiskundige constructies en berekeningen. Het was misschien invloedrijk geweest, maar vast niet stukgelezen.

Maar hij had de Europese academici van de vijftiende eeuw onderschat. De eerste keer dat hij een blik op een originele eerste druk van De Revolutionibus kon werpen, in het Royal Observatory in Edinburgh, bleek het boek vol te staan met aantekeningen van een van de eerste lezers, van begin tot eind. Het leek hem sterk dat hij een uitzondering had aangetroffen: kennelijk was het boek wel gelezen, bestudeerd en geannoteerd. En hij besloot, zoveel mogelijk eerste en tweede drukken te gaan bekijken en uit de aantekeningen erin de geschiedenis van het boek te achterhalen - en van de opkomst van het Copernicaanse wereldbeeld.

'Een in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam”, somt Gingerich de andere Nederlandse eerste drukken op, “een in de Bibliotheca Philisophica Hermetica in Amsterdam, een in Leiden en een heel bijzondere in de Provinciale bibliotheek van Friesland. Die staat vol met annotaties van de toenmalige eigenaar, Reinier Gemma Frisias. Die was hoogleraar medicijnen in Leuven. Bekende astronomen waren vaak medicus - dat betaalde beter.”

En daarmee zijn we meteen in de wetenschappelijke mores terechtgekomen van de tijd waarin Copernicus zijn boek publiceerde. Dit jaar is zowel de vierhonderdvijftigste verjaardag van De Revolutionibus als de vierhonderdvijftigste sterfdag van Copernicus. Volgens de overlevering ontving hij de eerste druk in 1543 op zijn sterfbed. Pas op het laatste moment had Copernicus het aangedurfd, op aandringen van zijn vriend Georg Rheticus, zijn theorie voluit te publiceren.

Copernicus had wel gelijk om voorzichtig te zijn met het openbaar maken van zijn ideeen. De centrale gedachte in het boek, dat de aarde en alle andere planeten om de zon draaien en alleen de maan nog om de aarde, het heliocentrisme dus, was in strijd met de leer van Aristoteles en met allerlei bijbelpassages. En de Bijbel werd, meer dan de waarneming, geacht de enige gezaghebbende bron te zijn van de waarheid.

Dat potentiele conflict zorgde meteen bij het verschijnen van het boek, bij de drukker Petreius in Neurenberg, voor een rel. De jonge Rheticus begeleidde het grootste deel van het zetten van het boek, maar kon vlak voor het af was een lucratief baantje elders krijgen. De laatste controles liet hij daarom over aan een plaatselijke dominee, Andreas Osiander. Maar die deed meer dan drukproeven corrigeren.

Tot Rheticus' grote woede stond als voorwoord in het eenmaal gedrukte boek niet het bedoelde lofdicht op de inhoud, maar een anoniem voorwoord, geschreven door Osiander zelf. De lezer moest volgens dat voorwoord alles wat volgde beschouwen als hypothese: “Niet noodzakelijkerwijs waar, of zelfs maar waarschijnlijk”.

In een door Rheticus aan een vriend cadeau gedaan exemplaar van De Revolutionibus, dat het laatst in 1974 bij Sotheby's is gezien en toen voor 110 000 dollar in het voetspoor van verscheidene Van Goghs naar Japan verhuisde, is het voorwoord met woedende rode strepen doorgehaald.

Toch heeft het voorwoord van Osiander het boek van Copernicus waarschijnlijk lang behoed voor de banvloek van de kerk van Rome: zo lang een wetenschapper het bij hypothesen hield die hem in staat stelden nauwkeuriger te berekenen wat er allemaal op of boven de aarde plaats vond, mocht hij zijn gang gaan. Pas wie betoogde dat de wereld werkelijk anders in elkaar stak dan het geldende, uit de hellenistische filosofie en de bijbelse overlevering samengesprokkelde wereldbeeld leerde, kwam in de problemen.

Copernicus' boek kwam na verschijning niet bepaald snel in het academisch onderwijs terecht. Maar de annotaties in de vele door Gingerich opgespoorde exemplaren wijzen uit dat het onmiddelijk en langdurig werd bestudeerd door iedereen die in de wetenschap iets voorstelde. Pas toen een jonge Italiaanse hoogleraar, Galileo Galilei, op grond van zijn waarnemingen met een telescoop het Copernicaanse systeem met hart en ziel omarmde en nauwelijks meer de moeite nam om het als hypothese te beschrijven, kwamen er over dit officieuze wereldbeeld werkelijk problemen.

In 1616 kwam De Revolutionibus, nadat Galilei de bepaald niet bekrompen paus Urbanus VIII toch het bloed onder de nagels vandaan had weten te halen met zijn gelobby voor de toelaatbaarheid van het heliocentrische wereldbeeld, alsnog op de Index van verboden boeken, “totdat het voldoende gecorrigeerd is”.

Enkele jaren later kwamen de correcties: iedereen mocht een exemplaar van De Revolutionibus bezitten, wanneer tenminste op een twaalftal plaatsen al te absolute uitspraken over de geldigheid van Copernicus' ideeen werden afgezwakt.

“Dat is een van de leuke dingen van de inventarisatie die ik aan het maken ben”, zegt Gingerich: “Bij ieder exemplaar zoek ik op of de correcties er in staan. Dat zegt dan iets over de macht van de Inquisitie in het land en in de tijd waar dat boek werd geannoteerd.”

In Italie werd door de eigenaars veel gecensureerd. In Galilei's eigen exemplaar, nu in de Bibliotheca Nazionale in Florence, staat bijvoorbeeld netjes de zin “Zo groot, zonder twijfel, is het goddelijk handwerk van de Almachtige” doorgestreept. Dat verbond God veel te direct met dat twijfelachtige gedraai van de aarde om de zon.

De titel van het erop volgende hoofdstuk is in Galilei's eigen handschrift veranderd in “Over de hypothese van de drievoudige beweging van de aarde en de verklaring daarvan”. Maar de doorhaling is niet zo fanatiek gedaan dat het oorspronkelijke drukwerk niet meer te lezen zou zijn: “Over de verklaring van de drievoudige beweging.”

Op de kaart die Gingerich ervan bijhoudt, is eigenlijk alleen Italie met zwarte censuurpuntjes overdekt. Zelfs in Spanje, in het Nederlandse collectieve geheugen nogal verbonden met de Inquisitie, werden de aanstootgevende passages ongemoeid gelaten. Gingerich: “Daar waren de Jezuieten machtig en die dachten kennelijk: die Dominicanen in Italie doen maar.”

De geschiedenis van De Revolutionibus is er niet simpelweg een van een goed wereldbeeld tegen een fout. Het boek werd pas controversieel toen Galilei zich niet meer tevredenstelde met het heliocentrisme als een hypothese, en toen hij er ook bewijzen voor ging zoeken. Dat lukte hem echter niet, al dacht hij er zelf anders over.

De dingen die Galilei als een van de eerste echte astronomen door zijn telescoop zag - dat Jupiter manen had, dat Venus schijngestalten vertoonde net als de maan - waren in directe tegenspraak met een wereldbeeld waarin de zon en alle planeten en sterren om de aarde draaiden. Maar een bewijs voor de waarheid van Copernicus' ideeen was dat nog niet.

Gingerich: “Cruciale experimenten die bewijzen dat het Copernicaanse systeem het juiste was, zijn er wel: de slinger van Foucault en de parallax van de vaste sterren. De slinger 'verandert' in de loop van een dag het vlak waarin hij slingert, doordat de aarde om zijn as draait. En we zien sterren in een half jaar iets aan de hemel verschuiven, doordat de aarde in die tijd een grote afstand aflegt, van de ene kant van de zon naar de andere. Maar dat kon pas in 1838 worden waargenomen. En de volgende ochtend was er geen gevoel van grote opluchting in de wereld:iedereen nam al eeuwen aan dat Copernicus gelijk had!”

De strijd die Galilei verloor - bij zijn dood in 1642 had hij nog huisarrest, hij had nog 115 jaar langer moeten leven om De Revolutionibus van de Index te kunnen zien verdwijnen - was daarom volgens Gingerich een van de laatste keren dat zijn denkwijze het onderspit dolf. De gedachte dat alleen waar was wat je logisch uit waarnemingen kon afleiden, werd gaandeweg ouderwets.

“De wetenschap is niet meer op zoek naar bewijzen. We kijken naar samenhang. We laten ons overtuigen door een heel systeem van ideeen dat niet met elkaar en niet met de werkelijkheid in strijd is.”

Alleen niet-wetenschappers laten zich nog wel eens meeslepen door spectaculaire 'bewijzen'. Zoals onlangs gebeurde na het waarnemen door de COBE-satelliet van 'rimpelingen' in de achtergrondstraling in het heelal, of wat langer geleden toen een zonsverduistering het mogelijk maakte het 'buigen' van sterrenlicht door de aantrekkingskracht van de zon te zien.

Gingerich: Daar kwam een enorme publieke opwinding over. Maar voor natuurkundigen was die buiging van het sterrenlicht, waardoor je de sterren vlak langs de zon op een iets andere plaats zag dan je ze zou verwachten, helemaal niet zo onverwacht. Die waren veel opgetogener over het feit dat je met Einsteins relativiteitstheorie een onregelmatigheid in de baan van Mercurius kon verklaren. Dat was een probleem waar al tientallen jaren een oplossing voor werd gezocht, en dat de samenhang van het tot dan toe geldende wereldbeeld behoorlijk verstoorde!'

Om dezelfde reden vind hij het logisch dat de wetenschap niet al te paniekerig gaat kijken van een quasar die een 'onmogelijke' roodverschuiving heeft, of bijvoorbeeld een fossiele vondst die de resultaten van jaren paleontologisch onderzoek lijkt tegen te spreken. Als zulke resultaten werkelijk steekhoudend blijken te zijn, is de geldende theorie logischerwijs in moeilijkheden. Maar de wetenschap heeft zich in de afgelopen drie eeuwen aangewend om een goed werkend, samenhangend model niet al te snel op te geven.

“Copernicus is daarmee begonnen”, zegt Gingerich bewonderend: “Zijn grote triomf was dat hij vanwege de esthetische schoonheid van zijn theorie, die op eenvoudige wijze een groot aantal verschijnselen verklaarde, in de waarheid ervan ging geloven. Hij accepteerde die, ook al kon hij ook niet zeggen waar dat allemaal op uit zou lopen.”

“Precies hetzelfde zie je vandaag de dag met de evolutietheorie. Critici kunnen met recht wijzen op allerlei soorten ernstige problemen voor die theorie. Maar ze wordt heus niet afgedankt, want het is eenvoudigweg een heel weefsel van denkbeelden, dat heel goed aansluit bij wat er in de natuur gebeurt.”

Of Copernicus dat zelf ook al zo zag, of gewoon een systeem had bedacht en dat bepleitte, weten we niet. In het boek is alleen tussen de regels door te lezen dat voor hem de onbeweeglijke zon met haar familie van planeten er omheen meer was dan een hypothese. “Het is een heel technisch boek”, zegt Gingerich. “Maar het hoofdstuk over de kosmologie, dus over hoe de zon en de planeten werkelijk zijn, is prachtig geschreven.”

Van een met boeken gevulde kamer, waarin een kleine, oude man je aankijkt over een met stapels boeken bedekt bureau, in Harvard, op de heuvel waar de sterrenwacht staat, vlakbij Boston aan de Charles rivier, ben je in tien seconden in Zutphen aan de IJssel. Aan de achterkant van de St. Walburgskerk staat drs. G. E. Hartman te wachten, de sleutel van de zware houten deur in de hand.

Naar binnen. Weer een deur en dan kom je in een ruimte die bij eerste blik al een kruising is tussen school, gebedsruimte en museum: de Librije. Rij na rij staan daar bruine lectrijnen, leestafels met schuin blad, met kettingen eraan die tientallen dikke, in leer gebonden en met sloten dichtgedrukte boeken voor de eeuwigheid vasthouden. Alleen het suizen van een verborgen klimaatinstallatie herinnert je eraan dat je in een laat twintigste-eeuws museum bent en niet in de openbare leeszaal van het Middeleeuwse Zutphen.

Slenteren langs de dikke boeken, maar niet een gaat open: De Revolutionibus is hier niet. Deur uit, deur in, wenteltrap op: in een oud kamertje suist nog zo'n klimaatapparaat: de Oude Librije.

Weer dikke boeken, niet mooi genoeg of te jong om beneden te liggen, maar ook onder hen is geen Revolutionibus.

Dan legt Hartman hem op tafel: een klein, geel ding, formaat superpaperback en dat is precies wat het is: gebonden in eenvoudig perkament, niet te duur voor degenen die destijds het boek 'erbij', naast de officiele tractaten zoals de Almagest van Ptolemaeus, moesten aanschaffen.

Open. En wie het ook kocht van Petreius van Neurenberg, of wie het ook kreeg van een hooggeleerde vriend, hij had niet de kennis of de behoefte om in de marge te gaan schrijven. Er staat alleen wat er gedrukt staat:Nicolai Copernici Torinensis De Revolutionibus Orbium Coelestium Libri VI.

En er zit geen gat in. Het boek ontbreekt in de Zutphense catalogus van 1570, en is dus waarschijnlijk pas deel uit gaan maken van de bibliotheek toen die alleen nog maar voor dominees toegankelijk was.

De hypothese van Gingerich: 'Te moeilijk om aan de ketting te leggen' moet, hoe mooi ook, terzijde worden gelegd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden