Opinie

Neerslachtigheid van 'De Cid' is opwekkend

Artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam Gerardjan Rijnders heeft aangekondigd dat hij zal terugtreden. De veelzijdigste toneelmaker in Nederland van de laatste dertig jaar gaat filmen. Van alle uiteenlopende voorstellingen die onder zijn regie tot stand kwamen is het grootste verlies dat hij zijn onderzoek naar de retorica van het zeventiende eeuws theater gaat staken.

De 'Hamlet' van Shakespeare ('86), de 'Andromaque' van Racine ('90), en 'L'illusion comique' (Zinsbegoocheling) van Corneille ('97) waren etappeplaatsen van Rijnders in de zoektocht naar de uitdrukkingsmiddelen van het theater. Het bijzondere was dat de ontwerpers en de uitvoerenden het denken, het beweren en het betogen aan de ene kant, en het gevoel en de hartstocht aan de andere kant op unieke wijze samenbrachten.

De roes en de rede dus. Een oprechte belangstelling voor de acteerstijl en het bestaansrecht van 17e eeuws theater, en een bevlogenheid om vanuit het heden met die conventies van toen te spelen. De laatste in de reeks is 'De Cid', die vrijdag in première ging in de Amsterdamse stadsschouwburg. De schrijver is opnieuw Corneille, we schrijven 1637, de handeling tolt rond gekwetste en te wreken eer van edellieden en een edelvrouw aan het hof van koning Ferdinand van Castilië.

'De Cid' is onder de classicistische drama's zeker een draak. Niet voor niets merkte Hans Kesting, die de titelrol speelt, afgelopen donderdag in deze krant op dat het stuk ten onzent voor het laatst in 1830 is gespeeld. Een zoon moet een belediging, zijn oude vader aangedaan door de vader van zijn geliefde, wreken. In een duel doodt hij de vader: op zijn beurt wordt door de dochter nu zijn hoofd geeist, hoezeer ook de jonkvrouw in kwestie, Jimena, van haar geliefde Rodrigo houdt. De twee krijgen elkaar natuurlijk aan het eind, maar daarvoor haalt Corneille wel een paar minne streken uit met zijn personage Don Sancho.

Rijnders heeft er goed aan gedaan voor de vertaling van 'De Cid' weer terug te gaan (na 'Zinsbegoocheling') naar de beste vertaler die we op dat terrein hebben, Laurens Spoor. De vertaling is weer iets speelser en gedurfder dan zijn Racine's en Corneille daarvóór; dat Spoor soms op het randje van te grote meligheid zit, heb ik vroeger al beweerd, maar nu vond ik het zeer aanhoorbaar. Dat is naast zijn verdienste ook die van de acteurs van dit gezelschap die langsliertige alexandrijnen met lust en gratie uit de bek weten te krijgen, óók jonge acteurs als Roeland Fernhout en Mimoun Oaïssa.

De voorstelling gaat natuurlijk vooral over de retoriek van de eer. Rodrigo is een jongetje dat nog nooit een zwaard heeft vastgehouden. Na de opdracht van zijn vader (Joop Admiraal) staat Kesting als een hoopje ellende in zijn rode manteltje zacht zijn hoofd te schudden. Prachtig is zijn monoloog zonder gebaren, de armen langs het lijf, en één afgezakte kous. Maar als hij het gigantische zwaard eenmaal heft, hakt hij door alles heen. Ook de Moren vallen als dominostenen aan zijn voeten tot hij twee koningen overhoudt die hem hun Heer, el Cid, noemen.

Het was vast een koud kunstje geweest voor het gezelschap deze hele helden- en liefdestragedie tot op de grond toe af te breken. Het verrassende is dat de voorstelling dat niet doet, maar een staalkaart van retorische technieken laat zien. Aan het eind van het derde bedrijf hebben Roos Ouwehand als Jimena en Hans Kesting een liefdesduet dat ineens de intensiteit van een Romeo en Julia heeft. Haar pleidooi bij de koning waarin zij Rodrigo's hoofd eist, is in hoge stijl getoonzet, bijna plechtig; het antwoord van Rodrigo's vader, die in plaats van zijn zoon wil sterven, is een miniatuur vol bewogenheid.

Maar in een volgende scène is de satire weer volop aanwezig: don Fernando (Jasper Boeke) die als stervende koning de vermolmdheid van de codes lijfelijk demonstreert, terwijl Tessa Lute in haar kostuumontwerp de jonge edellieden masculien van wel zeer gevulde broeken voorzag. Overigens spelen kostuums en decor dit keer een bescheiden rol: de aandacht richt zich op dictie en gebaar. Heel treffend daarin zijn Celia Nufaar als de prinses met Pinokkio-neus en haar gouvernante Leonor. De laatste, Barbara Pouwels, kijkt vrijwel onafgebroken in de richting van het publiek met een dédain alsof ze de tragikomedie al lang had zien aankomen.

De handeling straalt onafgebroken grote neerslachtigheid uit, wat het commentaar is van de toneelspelers op zo'n ongeremd vertoon van trots en gekwetste eer in vroeger eeuwen. Het publiek van Corneille zou er niets van begrepen hebben; voor ons zijn dat trage bewegen van de waaiertjes, de langzaam van ellende in elkaar zakkende personages en de met zorg ingenomen sterf-poses heel opwekkend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden