Review

Nederlandse schilders vonden vernieuwing bij zuiderburenbeeldende kunst

T/m 4 feb. Kunsthal Rotterdam, di-za 10-17 uur, zo 11-17 uur. Het boek 'Brussel Kunstenaarskolonie', door Saskia de Bodt, uitgave Snoek-Ducaju & Zoon in Gent, ¿ 39,50.

Dat is althans de stelling waarmee kunsthistorica Saskia de Bodt haar tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal heeft samengesteld. Ze is jaren bezig geweest met een onderzoek naar wat Nederlandse schilders aantrok in het Brusselse, een complete migratie die zich afspeelde gedurende zo'n veertig jaar, die bijna de gehele tweede helft van de vorige eeuw bestreek.

Haar onderzoek heeft geleid tot een overzicht van tientallen schilderijen, tekeningen en aquarellen, die het in haar boek opgeroepen beeld compleet maken; een intrigerende tentoonstelling, die goed aansluit op het vele dat vorig jaar over de 19de eeuw is getoond.

Je kunt het je nauwelijks voorstellen, maar halverwege de 19de eeuw was Amsterdam een provinciaal stadje met een ingedut kunstleven, waarin voor vernieuwingen nauwelijks plaats was. Kunstenaars die zich wilden oriënteren op nieuwe stijlen, moesten het elders zoeken, en met elders werd dan het buitenland bedoeld. Parijs stond nummer één in de belangstelling, maar de politieke gebeurtenissen die zich daar voltrokken, maakten een bezoek aan de stad allerminst aantrekkelijk. De hoofdstedelijke kunstenaars waren de stad uitgevlucht en hadden - op weg naar het zuiden - een beeldschoon plaatsje ontdekt. In Barbizon, idyllisch gelegen in een glooiend, met bossen bedekt land, streken ze neer, op zoek naar een nieuwe stijl. De schilders hoefden gewoon maar het dorp uit te lopen om zich middenin de natuur te wanen. Met hun behoefte om de natuur uit te beelden, en dat op een waarheidsgetrouwe, niet geïdealiseerde manier, kantten ze zich tegen de heersende romantiek, die in hun ogen was vastgelopen.

Alternatief

Wie niet naar Frankrijk wilde, kon in Brussel een goed alternatief vinden. Deze stad was om verschillende redenen een aantrekkelijk oord om zich er als schilder te vestigen. Kunstenaars van buiten vonden er een welkome bedding; ze werden snel als Belgen opgenomen. Over de afname van hun werk hoefden ze zich weinig zorgen te maken. België was door de snelle industrialisering een welvarend land geworden met een kapitaalkrachtige bovenlaag, die voor een rijke culturele bloei zorgde. Het publiek zorgde er voor dat de kunsthandels goede omzetten konden maken. De Engelse lord Ronald Gower, auteur van een kunstreisgids, noemde Brussel in 1875 “een schildersparadijs. De stad mag gelden als een modern Athene. Anders dan hun collega's in Parijs die als bohémiens op zolderkamertjes wonen, leven hier de kunstenaars als prinsen.”

Waaruit bestond die vernieuwingsdrang die vanuit Brussel naar het noorden overwaaide? De Bodt toont als contrapunt een schilder die als toonbeeld van conservatisme moet worden gezien: de dier- en landschapschilder Eugène Verboeckhoven (1798-1881). Deze volbloed romanticus zocht zijn voorbeelden in de 17de-eeuwse schilderkunst, wat leidde tot atelierstukken die bedacht overkwamen. De jongeren echter wilden naar de natuur werken, het leven betrappen in al zijn facetten en die niet door een roze gekleurde bril bekijken.

Ook Roelofs was oorspronkelijk een romantisch schilder, maar zou op het realisme overstappen en zelfs op het Hollands impressionisme uitkomen. Hij zocht zijn onderwerpen buiten, of zoals men dat in die tijd noemde en plein air. Schilders die hij op dit punt heeft beïnvloed, zijn onder anderen de zeeschilder Mesdag die geruime tijd in Brussel verbleef en Gabriël, die Roelofs als landschapschilder zeer getrouw heeft gevolgd. Mesdag kwam in Brussel ook in contact met de zeeschilder Artan. Die verklaarde dat hij - zoals Mesdag dat later ook heeft gezegd - 'de zee in al haar facetten wilde schilderen', een uitgangspunt dat typerend voor de realistische schilders is. Het zijn niet allemaal landschap- of zeeschilders geweest die vanuit Brussel opereerden.

In feite overwegen allerlei andere thema's in het realisme en vormen de landschappen daar een minderheid in. De Belgische Brusselaars gaven het voorbeeld met interieurs en portretten, onderwerpen die door de twee Nederlandse broers David en Pieter Oyens veelvuldig zijn uitgebeeld. Zij schilderden intieme kamerscènes, waarbij ze niet voor elkaar onderdeden in een knappe psychologisering van de geportretteerden.

Over de beide Oyens is tot nu toe weinig bekend geworden. Op De Bodts expositie is hun werk een interessante vondst: naast de aandacht die meestal uitgaat naar de Hollandse impressionisten, verdient hun werk een even zorgvuldige bestudering. De expositie biedt niet genoeg vergelijkingsmateriaal om hen onderling te vergelijken, maar dat was ook niet de opzet. Ze moeten maar een aparte tentoonstelling krijgen. Nu passen ze uitstekend in een betoog dat een antwoord geeft op de vraag waar de wortels van de Nederlandse schilderkunst in de vorige eeuw lagen. Minder dan in Barbizon (waar Van Gogh zich op zou beroepen; die was weliswaar ook in Brussel geweest, maar had daar weinig te zoeken), was dat bij onze zuiderburen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden