Review

Nabela Benaïssa verplettert vooroordelen over moslimvrouwen

Nabela Benaïssa: In naam van mijn zus. Babylon-De Geus, Amsterdam; ¿ 27,50.

THEO KOELE

Nabela Benaïssa toont in het boek moed en kracht, die in geen verhouding lijken te staan tot de lijdensweg die haar familie volgde, sinds de verdwijning van de negenjarige Loubna in de zomer van 1992.

Het boek beschrijft eerst, door de ogen van haar zus, het onderzoek van politie en justitie - beter gezegd: het ontbreken daarvan - naar het vermiste meisje. Het tweede deel is gewijd aan het leven van Nabela Benaïssa, die plotseling bekendheid kreeg toen ze op de trappen van het Brusselse paleis van justitie een woedende menigte per megafoon tot bedaren bracht.

Haar verbazing over die verandering, van een door de autoriteiten genegeerd meisje van Marokkaanse komaf tot Belgische volksheldin, oogt even oprecht als de rest van haar getuigenissen, opgetekend door een Franstalige journaliste. 'In naam van mijn zus' ligt dezer dagen in de Nederlandse boekhandel; van de originele Franstalige editie werden in België in een paar weken maar liefst 40 000 exemplaren verkocht.

Meer dan vier jaar hebben Nabela en haar familie gehoopt dat Loubna ('ons kleine vogeltje') levend teruggevonden zou worden. Op 5 maart van dit jaar werd haar lijkje echter aangetroffen in een benzinestation op een paar honderd meter van de ouderlijke woning. Een 33-jarige pompbediende wordt verdacht van verkrachting en moord.

Op 10 maart werd in de Grote Moskee van Brussel een dienst gehouden ter ere van Loubna. Bij die gelegenheid kreeg Nabela als spreekster het even te kwaad. Maar in talrijke publieke optredens, in interviews, bij de uitreiking van prijzen, waaronder die van een huis-aan-huis-blad voor 'de Brusselse van het Jaar', wist zij zich op bijna bovenmenselijke wijze groot te houden - hoewel ze zichzelf ziet als een doodgewoon meisje.

“Beschouw me niet als een migrante. Ik ben Brusselse. Ook al staat op mijn identiteitskaart in het vakje nationaliteit: Marokkaanse”, schrijft Nabela. Ze houdt van lezen, gesprekken voeren met leeftijdgenoten, 'het normale leven van een retoricastudente'. Maar haar leven is, hoe kan het ook anders, sinds de verdwijning van haar zusje allesbehalve gewoon. Eerst de vernederende ervaringen met autoriteiten, die suggereren dat de familie Loubna wel zal hebben uitgehuwelijkt in Marokko; daarna jarenlang stilte om het onderzoek dat die naam niet verdient; en dan, eind 1996, de massale aandacht van de (inter)nationale media.

“Natuurlijk is mijn leven veranderd door de gebeurtenissen. Ikzelf ben ook erg veranderd. Ik heb de indruk dat ik - eindelijk - met beide voeten op de grond sta. En stevig.” Maar elders in het boek staat: “Door alle interviews, prijzen en erkenningen weet ik niet zo goed meer of ik een volwassen vrouw ben die nog met een voet in haar kindertijd staat, of een kind dat door de gebeurtenissen te snel is groot geworden. Ik heb het gevoel dat ik in Sneeuwwitje en de zeven dwergen heb rondgelopen en de slechte heks ben tegengekomen.”

Het kwaad is voor haar niet alleen de moordenaar van haar zusje, maar ook het politie- en justitieapparaat, dat - op enkele speurders na - de verdwijning van Loubna heeft veronachtzaamd.

Nabela mijdt in het boek een antwoord op de vraag of het waardeloze onderzoek iets te maken heeft met racisme. Wellicht komt dat doordat ze zichzelf allesbehalve 'een vreemdeling' vindt, zoals een migrant in België genoemd wordt.

Het boek wijdt een apart hoofdstuk aan de vraag waarom Nabela een hoofddoek draagt - een kledingstuk dat zeker heeft bijgedragen aan haar bekendheid te midden van de ouders en andere familieleden van vermoorde en vermiste kinderen. Ze draagt die hoofddoek uit vrije wil; niemand verplicht haar ertoe. Ze beschouwt het als een persoonlijke uiting, omwille van haar verwantschap met de islam.

“Rond mijn zestiende - twee jaar na de verdwijning van Loubna - heb ik de banden met de islam meer aangehaald.” Tot haar teleurstelling is het dragen van een hoofddoek op school niet toegestaan, onder het motto: “Dit is een niet-confessionele school en niemand toont dus zijn binding met wat dan ook.”

Ze breekt een lans voor “een prachtige islam, die van de tolerantie, de zuiverheid, de islam zoals die altijd onderwezen zou moeten worden”. Mede dankzij die opvatting heeft ze méér gedaan voor de aanvaarding van 'vreemdelingen' in de Belgische samenleving dan menige autoriteit en actievoerder.

In het voorwoord van 'In naam van mijn zus' prijst een Vlaamse vrouw van Chinese komaf Nabela: “Met je verhaal verpletter je op prachtige wijze de vooroordelen over moslimvrouwen: dat ze niet meetel

len, niet mogen verder studeren, dat ze geslagen worden, verplicht zijn de sluier te dragen, worden uitgehuwelijkt ongeacht hun leeftijd.' Het voorwoord bevat een Chinees gedicht dat een persoonlijke aansporing voor Nabela lijkt in te houden: 'Glimlach van de aarde, de bloeitijd is aangebroken'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden