Review

Na zesdaagse oorlog veranderde De Jong van pen

De geschiedschrijving is naar het wijze en relativerende woord van Pieter Geyl, de befaamde Utrechtse historicus, “een discussie zonder einde”. Dat geldt zeker voor de geschiedschrijving over de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog.

JAN KUIJK

Maar het is ook de taak van de geschiedschrijving de discussie even te onderbreken voor het opmaken van de stand van zaken en dat heeft Conny Kristel ten aanzien van Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong beproefd in haar dissertatie 'Geschiedenis als opdracht', die zij woensdag aan de Universiteit van Amsterdam heeft verdedigd.

Eén onderwerp, maar drie schrijvers met verschillende karakters en uitgangspunten en dus drie verschillende resultaten van hun onderzoek. Historici weten al lang dat een zekere dosis van subjectiviteit in hun wetenschapsbeoefening onvermijdelijk is maar - als zij verstandig en overtuigd van hun integriteit zijn - laten zij geduldig en stoïcijns de opmerkingen of zelfs verdachtmakingen van buitenstaanders over zich heen gaan.

Voor wie tot elke prijs buitenstaander wil blijven (zulke mensen bestaan echt) heeft Kristel haar boek dus niet geschreven. Maar zij die specifiek in het hachelijke probleem van de jodenvervolging geïnteresseerd zijn, een gezonde dosis nieuwsgierigheid hebben en niet te beroerd zijn een paar passen te zetten op het terrein van de theoretische geschiedenis, kunnen bij haar boek te rade gaan. Het biedt het beeld van de confrontatie van drie intelligente en gedreven mannen, met een slimme maar afstandelijke scheidsrechter langs de zijlijn.

Wel is een waarschuwing vooraf op haar plaats: het boek is van een indrukwekkende dorheid en ik verdenk vooral de promotiecommissie ervan, dat zij daar in de eerste plaats verantwoordelijk voor is. Een promotieonderzoek met al die meekijkers over de schouder van de schrijver kan in negen van de tien gevallen vergeleken worden met een marteling. Evenzovele hoofden, evenzovele zinnen, waar Kristel zich tegen heeft gewapend door in een losse zin een kaarsje voor de opvattingen van dat commissielid te ontsteken of met een gemiddelde formulering een ander lid te ontzien of de kerk in het midden te laten.

Het was mij een lief ding waard geweest als Kristel zich wat meer gespiegeld had aan het door haar beschreven voorbeeld van Loe de Jong, die ook met een commissie ('begeleidingscommissie' heette die; de naam doet er verder niet veel toe) moest werken, maar niet bang was om een behoorlijk deel van de adviezen de adviezen te laten en zijn eigen weg te gaan. Dat is de leesbaarheid van het werk en de relatieve snelheid waarmee het is voltooid, ten goede gekomen. Bovendien - en daar wijst Kristel met een zekere nadruk op - is De Jongs werk bewust doortrokken van een politieke pedagogie en was zijn presentatie steeds didactisch. De wetenschappelijke verantwoording was daaraan ondergeschikt.

In het karakteristiek van de drie schrijvers noemt Kristel De Jong dan ook de 'journalist-historicus'. Presser, met zijn opvallend verlangen in het epos 'Ondergang' eerder een literair dan een historisch monument op te richten voor de slachtoffers, is (de formulering is van mij, Kristel geeft alleen de aanzet) de gemankeerde letterkundige. Hij had als hoogleraar nieuwe geschiedenis de opdracht gekregen om 'Ondergang' te schrijven, maar gaandeweg negeerde hij, als het hem zo uitkwam, de wetenschappelijke pretenties die bij een hoogleraar nieuwe geschiedenis horen.

Herzberg is van de drie de enige niet-geschoolde historicus en zoiets kan zijn voordeel hebben. Hij voelde zich in elk geval het minst gebonden aan de eisen van de professionele geschiedschrijving (wees deze zelfs af) en miste daardoor de bevangenheid tegenover het nageslacht en de vakgenoten, die de andere twee huns ondanks zo nu en dan beheerste.

Herzberg zelf is ook medewerker van de Joodse Raad geweest en na de oorlog de advocaat van de voorzitters van de Raad, Abraham Asscher en David Cohen, toen dezen zich bij de bijzondere rechtspleging moesten verantwoorden. Dat riekt naar openlijke subjectiviteit, maar Herzberg heeft het frank en vrij uitgedragen: een outsider kan het handelen van de Joodse Raad moreel niet beoordelen.

Herzberg verdedigde de stelling dat het gedrag van de leiding inherent was aan de menselijke natuur en dat de meerderheid van de joodse bevolking de Joodse Raad gesteund heeft. Ook Presser, de scherpste naoorlogse criticus, heeft zich tot de raad gewend om hulp.

Anders dan Presser, voor wie het ontbreken van moed gelijkstaat aan lafheid, zag Herzberg de door de meerderheid van de Nederlandse joden getoonde weerloosheid als een vorm van verzet - een religieus element, dat de niet-religieuze Herzberg als een erfenis van zijn chassidische grootvader in zijn hart bewaarde. Voor de niet-religieuze, maar door het marxisme beïnvloede Presser vertegenwoordigde de Joodse Raad vooral de elite en de joodse bourgeoisie, waarmee hij zich op geen enkele wijze wilde en kon identificeren.

Opmerkelijk is het beeld dat Kristel van De Jong tekent. In de loop van de jaren dat hij aan zijn grote geschiedwerk schreef, wijzigden zich zijn opvattingen. In de eerste jaren wilde De Jong niet meewerken aan een geschiedenis van Nederlandse joden in het Nederlandse leger (dat waren gewoon Nederlanders, punt uit), maar de zesdaagse oorlog in 1967 en zijn bezoek aan Israël hebben hun sporen bij de voortgang van het werk nagelaten.

Ook hier is duidelijk, geschiedschrijvers ontkomen niet aan hun persoonlijkheid, hun sociale omgeving en de tijd waarin zijn leven. Het jaartal van verschijnen op een geschiedenisboek is vaak van even groot belang als de naam van de schrijver.

Wie bereid is tot een tocht door de woestijn, kan aan de hand van Conny Kristel een kruipdoor-sluipdoor gang door het leven en het werk van de drie geschiedschrijvers maken. Hoeveel subjectiviteit er in dit boek ook terug te vinden is, zij zelf is opvallend afwezig. Alle kritiek die er doorklinkt, is de echo van elders gehoorde of gelezen opmerkingen. Het moest tenslotte een promotiecommissie van hoog- en zeergeleerden passeren. Opmerkelijk vind ik het dan dat zo'n indrukwekkende commissie niet in staat blijkt een manuscript te zuiveren van kleine en op zichzelf pietluttige foutjes en vergissingen, die onvermijdelijk aan het werk van een eenling verbonden zijn.

Aan het slot, in de conclusie, horen we even haar stem als zij De Jong, Herzberg en Presser prijst omdat zij “met hun werk de contemporaine geschiedbeoefening een belangrijke impuls hebben gegeven” en daaraan toevoegt: “het ontbreken van theoretische reflectie van enige betekenis bevorderde de toegankelijkheid van hun verhalen”.

Zo is het maar net. Geschiedschrijving moet het vooral van het verhaal hebben en geschiedschrijvers moeten weten dat zij de enige wetenschap met een muze (Kleio) beoefenen. Bij alle waardering voor haar werk- dat laatste maakt Kristel zelf ons in voorgaande hoofdstukken niet duidelijk.

Een boek voor lezers die hun tanden op elkaar weten te zetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden