Review

Mustafa Stitou neemt voorlopig geen genoegen met de zin van het leven zelf 'Ik heb poëzie nodig in mijn leven'

Mustafa Stitou: 'Mijn vormen', Uitgeverij Arena, Amsterdam, 48 pagina's, ¿ 24,90,-.

RUUD VAN HAASTRECHT

We zitten aan een tafeltje in Grand Café De Jaren, op een steenworp afstand van de gebouwen van de Universiteit van Amsterdam aan de Oude Manhuispoort, en dus een geliefde pleisterplaats voor studenten en oud-studenten. Mustafa Stitou studeert sinds een jaar geschiedenis en Arabisch aan de UvA. De grote stad is in zekere zin een nieuwe ervaring voor hem. Toen hij als drie maanden oude baby met z'n ouders meekwam naar Nederland, kozen die bewust voor het rustige, kindvrienderlijke Lelystad, waar eigenlijk nooit iets gebeurde, behalve mini-drama's als een gedwongen huwelijk door een uit de hand gelopen vrijpartij in de bosjes. “Als je dan hier naar toekomt, maakt Amsterdam heel veel indruk op je.” Beide ervaringen, loom Lelystad en angry Amsterdam, verwerkte hij in zijn vandaag verschenen dichtbundel 'Mijn vormen'.

“Toen ik een jaar of 14, 15 was, schreef ik op een dag gewoon een gedicht. Waarom een gedicht, waarom niet een verhaal of pakte ik een gitaar? Ja, dat weet ik niet. Op een gegeven moment schreef ik een gedicht en vond ik het leuk en bleef het gewoon doen. Het was voor mij heel vanzelfsprekend dat ik iets op papier zette. Af en toe maakte ik een notitie. De grootste ontdekking is als je de taal ontdekt, als je ontdekt dat 'het huis is koud' niet hetzelfde is als 'het koude huis'. Je ontdekt dat je iets op verschillende manieren kan zeggen. De vorm leidt een eigen leven en kan ook met je aan de haal gaan. Het is net als in een gesprek. Je zegt soms dingen waar je achteraf pas gedachten bij hebt.”

“Ik denk in het Nederlands en ik ben veel bedrevener in het Nederlands dan in het Marokkaans of in het Arabisch. Thuis spreek ik Marokkaans, buitenshuis Nederlands. Als kind is dat helemaal niet verwarrend. Maar mijn Nederlands is veel beter dan mijn Marokkaans, omdat ik gewoon naar een Nederlandse school ben geweest. En op woensdagmiddag en in het weekend ging ik naar de Koranschool. Daar heb ik het Arabisch geleerd van de Koran. Ik kende toentertijd drie hoofdstukken vlekkeloos uit mijn hoofd. Maar ik heb nooit goed begrepen wat er stond, alleen dat het er stond. Thuis leerde je dat de verleiding slecht is. Bier, varkensvlees, blote vrouwen zijn slecht. Maar daar ging het in de moskee helemaal niet om. Het was er warm, mystiek, en je leerde die verzen uit je kop. Een imam kan ook niet aan een zes, zevenjarige uitleggen waarom redeneren niet goed is, waarom je gewoon moet aannemen dat er een God is. Toen ik een jaar of tien, elf was hoefde ik niet meer naar de moskee. Ik had m'n tong uitgestoken naar een vriendje. Een vrome moskeeganger dacht dat het tegen hem was en trok me aan de oren omhoog. Toen hoefde ik niet meer naar de moskee van mijn ouders.”

“De middelbare school was een eitje. Hoewel ik veel verzuimde. Als je het zo bekijkt, was ik geen goede leerling. Maar de resultaten spraken meestal voor zich. Ik had geen zin in school. Ik verveelde me suf daar. Veel van wat ze daar zeiden, boeide me niet, zoals Nederlands en wiskunde. Ik had één heel leuk vak: geschiedenis. Omdat ik een leraar had die ik geweldig vond. In de eerste les schreef hij op het bord: 'De waarheid bestaat niet'. Dat sprak me heel erg aan.”

“Ik verveelde me in Lelystad, maar als je je verveelt, heb je vrienden die zich ook vervelen. Ik wil Lelystad niet afschilderen als geestdodend of dodelijk saai. Maar ik vind het geen leuke woonomgeving. Maar Lelystad is rustieker. Er schuilt geen groot gevaar. Maar ik weet niet of dat een woonomgeving is; zonder groot gevaar.”

“Voor mij is er geen natuur in Nederland. Hier heb je 'natuur in de straat'. Natuur heeft er alles mee te maken dat je ziet dat er seizoenen zijn: bloei en versterving. Maar dat kun je ook zien aan de paar bomen op de parkeerplaats in de straat. De natuur hier is niet wild, het woekert niet, het is allemaal vastgelegd en veel te gestyleerd. J. C Bloem dicht er ook over in 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat'. Er ademt iets uit dat hij het jammer vond. Ik heb die Nederlandse natuur nooit gekend, dus kan ik het ook niet jammer vinden. Ik vind een stad boeiender.”

“Als er ergens natuur is, is het in Marokko. Dat landschap daar maakt een diepe indruk op mij. Die natuur is warmer, chaotischer. Niet een aangelegd park of zo met een vastgelegd pad met gezinnetjes erop. Als je hier in de natuur bent, heb je de natuur onder controle. Hier kan je niets gebeuren. Natuur die je onder controle hebt, vind ik niet interessant. Voor de natuur daar moet je bang zijn. Het is vreeswekkend, met grote insecten, djinn's - geesten en demonen, slangen. De natuur daar is nog niet overmeesterd.”

“Nee, ik heb de religie niet achter me gelaten. Ik ben geen afvallige. Mijn leven is niet compleet zonder iets. Je hebt gewoon iets nodig in je leven, en voorlopig is dat voor mij poëzie. Het leven is ingewikkelder dan een systeem. Ik ben er heel erg actief mee bezig, in de zin dat er ik voortdurend over nadenk. Het speelt een hele belangrijke rol in mijn leven. Ik voel niet dat ik in mijn vragen alleen ben tussen al die niet-gelovige Nederlandse jongeren. Ik denk juist dat er op een gegeven moment meer mensen zullen komen die geen genoegen nemen met deze tijd en zich gaan afvragen hoe het zit met God, zonder per se religieus te zijn, zonder de uiterlijke betrokkenheid. Mijn vragen zijn oeverloos in aantal. Gewoon heel primitief, wat een klein kind zich afvraagt: 'Als er een God is, waarom?' En, 'Wie heeft die God gemaakt?' Soms praat ik erover met mijn vader, die een religieus mens is, maar ook heel ruimdenkend. Hij gaat er wel op in, hij probeert ze wel te weerleggen. Maar hij minacht die filosofische vragen. Want Gods Woord is heilig, daar mag je niet aankomen. Wittgenstein zegt: over het onzichtbare moet je zwijgen. Sommige mensen kunnen daar genoegen mee nemen. Die nemen genoegen met de zin van het leven zelf. Voorlopig neem ik daar geen genoegen mee, al weet ik dat ik op een gegeven moment me daarbij neer zal leggen. Als ik in iets geloof, is het in het individu. En als ik al iets beweer, voeg ik daaraan toe 'denk ik'.”

“Ik heb de film 'Cassablanca' gezien. Daar sprak een westers superioriteitsgevoel uit, vond ik, maar tegelijk voelde je de angst als een westerling zich op de Arabische markt begaf. Je beter voelen dan iemand voor wie je bang bent, dat is heel tweeslachtig. Zoiemand als ik zal heel anders schrijven over Marokko dan een Westeuropeaan. Ik zal niet schrijven over Marokkaanse 'inboorlingen'. Maar ook niet over Westeuropeanen als kolonisatoren die maar denken dat ze alles kunnen flikken. Waar ik wel zeker van ben, is dat je onder de mensen moet komen. Je kan wel gaan filosoferen op grond van boeken van: 'zo denken Marokkanen en zo denken westerlingen'. Maar theorieën hebben niets te maken met de dagelijkse praktijk.”

“Er gaan ook allemaal theorieën over hoe het komt dat er zoveel Marokkaanse jongeren in Nederland het criminele pad opgaan. Ik vind die nog veel moeilijker dan 'geloof je in God?'. Ik weet gewoon niet hoe het zit. Het is sowieso een tijdelijk verschijnsel, met straks misschien nog een nasleep. Maar elk geval staat op zich. Het is onzin om te stellen dat àlle Marokkaanse vaders autoritaire vaders zijn die hun kinderen slaan en geen zakgeld geven. Dan kun je je nog afvragen hoe het komt dat er zoveel gevallen op zich zijn. Ik weet niet hoe het zit. En mensen die wel durven te zeggen hoe het in elkaar steekt, die vind ik domme mensen. Aan de andere kant weet ik ook wel dat je moet weten hoe het zit om er iets aan te kunnen doen. In elk geval zijn er meerdere oorzaken. Ik sta er ook niet te lang bij stil, want ik heb andere dingen aan mijn hoofd.” “Integreren vind ik een verschrikkelijk woord. Het veronderstelt geen samenspel, je moet iets van jezelf inleveren om erbij te kunnen horen. Misschien is assimileren een beter woord, maar ik ben niet de eerste die dat zegt. Ik heb niet het gevoel dat ik 'geïntegreerd' ben. Ik ben gewoon mezelf, ik ben wie ik ben. Ik voel me niet een Marokkaan en ook niet een Nederlander. Ik heb ook niet het gevoel, dat ik moet kiezen voor een bepaalde identiteit. Want wat is een Marokkaan? Wat is een Nederlander? Al dat gepraat over de tweede generatie tussen twee werelden vind ik bullshit. Tussen twee landschappen misschien. Of misschien niet eens twee landschappen, maar dan weer het ene landschap en dan weer het andere. Dat ik alcohol drink, heeft niets te maken met dat ik me Nederlander voel. Het heeft er gewoon mee te maken dat ik, de persoon die ik ben, alcohol lekker vind.”

“De dood is heel vanzelfsprekend en logisch. Tegelijk is de dood verschrikkelijk. Ik ben vooral bang voor de dood om al hetgeen je verliest. Ik ben banger voor het verlies dan voor de dood op zich, dat je niet weet waar je naar toegaat. Ik ben ook bang dat de dood niet een ontknoping is, dat je niet een hoorcollege krijgt van een uur over hoe het in elkaar zit op aarde. Cicero schreef over de ouderdom: 'Mocht er niet zoiets zijn als een onvergankelijke ziel, dan zullen er ook geen filosofen zijn die me belachelijk vinden dat ik nu niet geloof in de onvergankelijke ziel. Maar waarom vraag je me dit allemaal? Ik ben maar een dichter'.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden