Review

Muñoz Molina waarschuwt tegen de banalisering van het geweld

'Volle maan' is het vijfde boek van de toonaangevende Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina (1956) dat in het Nederlands werd vertaald. De roman kreeg in Frankrijk veel meer lof toegezwaaid dan in Spanje, waar critici stilaan zuur beginnen te reageren op het grote succes dat de auteur te beurt valt.

ILSE LOGIE

Naast afgunst zijn ook de standpunten waar Muñoz Molina steeds vrijmoediger voor uitkomt - hij is tevens een spraakmakend columnist bij het dagblad El País - niet vreemd aan dit lauwe onthaal in eigen land.

In sommige kringen gelden zijn pleidooien voor burgerzin en elementair fatsoen als moraliserend en gestreefd. Die pleidooien klonken al door in de verkapte autobiografie 'Ruiter in de storm', en zeker in de militaire memoires 'Strijdlust', maar veel minder in het vroege werk.

De werkelijkheid heeft de mythe als het ware ingehaald: had de schrijver aanvankelijk, in de bevlogen speurdersroman 'Winter in Lissabon', nog behoefte aan Angelsaksische voorbeelden en het romantiseren van literatuur, film en jazz, daar valt sindsdien niet veel meer van te merken.

Niet dat hij zijn vroegere opvattingen zou hebben verloochend, daarvoor staat de emanciperende rol van de beschaving te zeer centraal in 'Volle maan'. Alleen zoekt de auteur het nu dichter bij huis, omdat hij erachter gekomen is hoeveel verhaalstof het dagelijks leven herbergt.

In een Zuid-Spaans provinciestadje wordt de negenjarige Fatima gruwelijk vermoord. De inspecteur die met het onderzoek belast is, is pas in de stad aangekomen, na vijftien jaar dienst in Bilbao. Hij maakt er een punt van eer van de dader te vinden, en bijt zich nog meer in de zaak vast wanneer twee maanden later een ander meisje, Paula, op het nippertje aan de dood ontkomt.

Opnieuw bedient Muñoz Molina zich van het stramien van een bepaald genre, in dit geval de politieroman, om dat ver boven zichzelf uit te tillen. Meer dan naar de identiteit van de moordenaar is de inspecteur namelijk naar diens drijfveren op zoek, en probeert hij in het reine te komen met zichzelf en met zijn eigen pijnlijke verleden.

Wanneer de inspecteur de dader na een moeizame speurtocht weet in te rekenen, neemt dan ook een gevoel van leegte van hem bezit. Nu de stukjes van de puzzel in elkaar zijn gepast, beseft hij dat het hem daar niet om begonnen was, en dat hij het antwoord op de vragen die hem werkelijk bezighouden, schuldig zal blijven.

De beklemmende sfeer van de roman vloeit voort uit de bezwerende stijl die al Muñoz Molina's proza kenmerkt, en uit de knappe perspectiefwisselingen. Als een kameleon vereenzelvigt de verteller zich beurtelings met een van de hoofdpersonages - de inspecteur, de dader, zijn slachtoffertjes, de aardige onderwijzeres Susana Grey en haar leerstellige ex, de hoogbejaarde 'rode' pater Orduña, door wiens bemiddeling de inspecteur indertijd een studiebeurs heeft gekregen en voor wie hij nog steeds een mengeling van ontzag en gêne voelt - en telkens past het discours zich aan aan de denkwijze en het taalgebruik van wie aan het woord is.

Dit procédé wordt met zoveel inleving toegepast dat zelfs de monologue intérieur van de moordenaar, die bol staat van de onvrede met het eigen lot, van diepgewortelde wrok en van heerszucht, indruk maakt.

Aan de hand van het relaas van de dader laat Muñoz Molina zien hoezeer vernedering het slechtste in de mens naar boven haalt en dus uit den boze is. Tegelijk weigert de auteur zich door enige verzachtende omstandigheid te laten vermurwen en waarschuwt hij voor de banalisering van geweld: zodra het ondubbelzinnige afgrijzen wijkt voor toegeeflijkheid, is het hek voorgoed van de dam.

Een ander stijlmiddel dat de auteur hier aanwendt, is de haast obsessionele herhaling van enkele motto's, bijvoorbeeld het adagium dat de ogen de spiegel van de ziel zijn. Vanuit zijn onwankelbaar geloof in de overeenkomst tussen schijn en zijn, tussen lichaam en ziel, dringt pater Orduña er bij de inspecteur op aan vooral naar de ogen van de mensen te kijken, maar het gezicht van de dader blijkt uiteindelijk uitdrukkingsloos te zijn. De wetenschap brengt evenmin uitkomst. Net als de systematische handelwijze van de inspecteur zelf, die bestaat uit het optrekken van het ,,overweldigende, zinloze bouwwerk van alle dingen die iedereen die oktoberavond gedaan of gezien had', moet het indrukwekkend aantal genetische aanwijzingen die de gerechtsarts Ferreras heeft verzameld, het afleggen tegen Susana's intuïtieve ingeving dat de maan een sleutelrol in het hele misdadige opzet speelt.

Bij nader inzien gebeurt alles wat er in deze roman toe doet, zowel de ontvoeringen van de meisjes als de toenadering tussen de inspecteur en de onderwijzeres, bij volle maan. Dan krijgt alles nu eenmaal iets roerloos, iets onwezenlijks, iets van een opgeschorte werkelijkheid.

Zowel het motto van de ogen als dat van de maan verleent onvermoede samenhangen aan het verhaal en legt verbanden tussen personages die op het eerste gezicht elkaars tegenpolen zijn: tussen de stugge inspecteur in zijn Spartaanse flat en de openhartige Susana, maar ook tussen de nietszeggende, terughoudende blik van diezelfde inspecteur en die van de moordenaar, niet toevallig de enige hoofdpersonages die naamloos blijven.

Pas laat in de roman dringt het tot de inspecteur door dat hij in zijn moeilijke kindertijd ook nooit tederheid heeft gekend en daarom niet in staat is zijn gevoelens onder woorden te brengen. Hadden de jezuïeten zich niet over hem ontfermd, dan was hij misschien ook op drift geraakt. Had hij Susana niet ontmoet, dan had niemand hem op zijn halfslachtig conformisme gewezen.

De verwantschap tussen de schuldige en de onschuldige, die door de gemeenschappelijke blik wordt gesuggereerd, is bijgevolg niet zo vreemd, net zo min als de ongeloofwaardige bekering van de dader aan het eind wezenlijk verschilt van de gedaanteverwisseling die de inspecteur sinds zijn verhouding met Susana heeft ondergaan.

Daarenboven torst de inspecteur ook een schuld: voor de mislukking van zijn huwelijk en voor de gezondheidstoestand van zijn vrouw.

Vijftien jaar lang heeft zij lijdzaam de hel van het Baskenland, waar politieagenten het geliefkoosde doelwit zijn van aanslagen, moeten ondergaan zonder dat haar man een greintje begrip voor haar angsten toonde. Intussen hebben de dreigtelefoontjes van de terroristen en de ongefrankeerde enveloppen op de deurmat haar in een instelling voor geesteszieken doen belanden.

De rechtlijnigheid die tegenstanders Muñoz Molina wel eens aanwrijven heeft, kortom, alles met principiële stellingnamen te maken en weinig met eenduidigheid. De auteur is namelijk de kampioen van de nuance, de tact en zelfs van het mededogen. Niet voor niets luidt de paradox waar de hele roman om draait dat wie zich, zoals Susana, kwetsbaar opstelt, een grote kracht uitstraalt, terwijl diegene die zich, zoals de moordenaar, een air van onoverwinnelijkheid aanmeet, het onderspit delft.

Waarom Muñoz Molina zich zo tot het genre van de roman aangetrokken voelt, spreekt voor zich. Deze vorm leent er zich uitstekend toe om het concrete menselijke verkeer in kaart te brengen zonder ooit een sluitend antwoord te hoeven geven op de volgende verzuchting:

,,In wat voor labyrinten raakten de gevoelens van mannen en vrouwen verzeild, krachtens welke wet veranderden ze afwisselend in engelen en scherprechters, in beulen en slachtoffers van elkaar, in een eindeloze herhaling, zonder dat ze er iets van leerden of even rust kregen, zonder dat ze iets opstaken van het doorstane leed of zich ooit helemaal lieten ontmoedigen door de zoveelste mislukking?'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden