Review

Monument voor Nederlandse cultuur?

Deze lijvige, door Daphne Meijer samengestelde bloemlezing van bijna zeshonderd pagina's is een typisch product van het eind van de jaren negentig, met zijn nadruk op het multiculturele karakter van de Nederlandse samenleving. Denkbaar zou zijn geweest een bloemlezing van fragmenten van Joodse en niet-Joodse Nederlandse schrijvers die aspecten van het leven en de situatie van Joden in Nederland belichten.

HENRIETTE BOAS

Daphne Meijer heeft echter een ander criterium gekozen, namelijk de bijdrage van schrijvers van Joodse of gedeeltelijk Joodse origine aan de Nederlandse literatuur. Deze schrijvers zijn verpersoonlijkt in de voornaam Levi, al draagt geen van de ongeveer vijftig geselecteerde auteurs die naam.

Ook tegen haar uitgangspunt '350 jaar Joodse schrijvers in de Nederlandse literatuur' zijn bedenkingen in te brengen. De vijf door haar uit de eerste 150 jaar - van ca. 1650 tot ca. 1800 - opgenomen auteurs schreven niet in het Nederlands, maar in het Latijn (Menasse ben Israel, Spinoza), Portugees of Spaans (David Franco Mendes), of het Jiddisj (Abraham Braatbaard en Mordechai ben Aaron).

Wat het begrip 'literatuur' betreft: opgenomen is een artikel van Johannes van Dam over Joodse kookboeken, waarvan men zich kan afvragen of deze tot de 'literatuur' behoren. En wat 'Joodse' schrijvers betreft: opgenomen is een uitvoerig fragment van Abraham Capadose (1795-1874), waarin deze zijn bekering tot het christendom beschrijft. Ook behoren tot de door haar opgenomen 'Joodse' schrijvers een aantal die alleen een Joodse vader hebben, dus 'halachiach', niet Joods zijn, en zich ook nooit als deel van de Joodse gemeenschap hebben beschouwd, zoals Renate Rubinstein.

Sommige fragmenten van schrijvers die van vol-Joodse origine zijn maar zich daarvoor nooit hebben geïnteresseerd hebben geen enkele Joodse inhoud, zoals de beschrijving door Leo Vroman van zijn ervaringen in een Japans concentratiekamp op Java in de jaren 1943-1945.

De lengte van de door Daphne Meijer opgenomen fragmenten is zeer verschillend. Zo zijn uit het overbekende Dagboek van Anne Frank niet minder dan 22 pagina's opgenomen en een fragment van dertien pagina's uit Heijermans 'Kamertjeszonde'. Maar een fragment van Ischa Meijer beslaat nog geen twee pagina's. De samenstelster had beter zeer korte fragmenten van meer schrijvers op kunnen nemen.

Zo heeft zij, zoals gezegd, wel Abraham Capadose opgenomen, maar geen fragment van zijn veel belangrijker vriend en eveneens tot het christendom bekeerde Isac da Costa. Wel opgenomen is een zeer kort fragment van Ischa Meijer, maar niets uit het in Joods opzicht veel belangrijker werk van zijn vader, Jaap Meijer.

Van een aantal fragmenten van wél opgenomen schrijvers kan men zich afvragen of dit de meest juiste keuze was. Waarom van Herman Heijermans wel 'Kamertjeszonde', maar niet 'Ghetto' of een van zijn Falklandjes, geschreven onder het pseudonym Samuel Falkland.

Verder staat het overgrote deel van de opgenomen auteurs slechts aan de rand van het Jodendom. Dit geldt zowel voor Spinoza, met een uitvoerig fragment uit diens 'Tractatus Theologico-politicus', als voor vele 19de- en 20ste-eeuwse auteurs. De meesten van deze laatsten waren links of zelfs links-radicaal, waren gemengd gehuwd, en hadden weinig of geen sympathie voor de Joodse religie. Dit geldt bijvoorbeeld voor Heijermans, maar ook voor Sam Goudsmit en voor Sal Santen.

Een opvallend grote plaats in deze bloemlezing nemen auteurs in van oorlogsdagboeken (Abel Herzberg, Philip Mechanicus, Anne Frank, Moshe Flinker) en van de naoorlogse tot half-na-oorlogse generatie, zoals Andreas Burnier, Gerhard Durlacher, Carl Friedman en Chaya Polak (Daphne Meijer, geboren in 1961, behoort zelf tot deze generatie).

Sommige van deze naoorlogse auteurs geven overigens een karikaturaal beeld van hun Joodse omgeving dat meer kenmerkend is voor henzelf dan voor die omgeving, bijvoorbeeld Arnon Grunberg, van wie Daphne Meijer een fragment van liefst vijftien pagina's uit diens 'Blauwe Maandagen' opvoert. Zijn succes in niet-Joodse kringen, ook in Nederlandse kringen in het buitenland, kan worden vergeleken met dat van Max Tailleur na de oorlog.

Daphne Meijer publiceerde in 1998 ter gelegenheid van de Boekenweek een boekje over Nederlands-Joodse auteurs waarin zij beweert dat er een Joodse traditionele vertelkunst bestaat waarvan vele auteurs van Joodse of gedeeltelijke Joodse oorsprong blijk geven. Volgens mij is dit te vergezocht.

In haar Voorwoord schrijft zij onder andere: ,,Iedereen mag vinden dat het onjuist is om een Bloemlezing samen te stellen met enkele Joodse schrijvers, omdat de distinctie Joods en niet-Joods ongepast, gevaarlijk, ouderwets dan wel crypto-fascistisch is. Deze kritiek zou ik willen pareren door erop te wijzen dat dit boek niet is samengesteld bij wijze van staalkaart van wat Joden allemaal kunnen, maar als overzicht van een historische ontwikkeling die Nederland heeft helpen vormgeven tot de maatschappij zoals die nu bestaat. In het verlengde hiervan is 'Joods' dan ook geen epitheton dat ik aan een schrijver verleen, maar is in alle gevallen voortgekomen uit het werk, op basis van inhoudelijke criteria.'

Zij maakt echter niet duidelijk wat deze 'inhoudelijke criteria' zijn. Op de achterflap staat: ,,Dit boek is ook een monument voor de wijze waarop de Joodse gemeenschap heeft geholpen om de Nederlandse cultuur gestalte te geven.' Mijns inziens is ook deze bewering te pretentieus.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden