Wederopbouw

Moet de wederopbouwarchitectuur tegen de vlakte? Niet doen, zegt deze architect

Beeld Brechtje Rood

Met schaarse middelen en in een rap tempo werd het verwoeste land na de oorlog opgebouwd. Het resultaat wordt nu vaak saai en sfeerloos gevonden. Architect Wessel De Jonge vindt dat de wederopbouwarchitectuur meer waardering verdient. ‘Het is de vastgoedvoorraad van de toekomst.’  Marieke Kuipers, emeritus hoogleraar Cultureel Erfgoed, is het daarmee eens. ‘Er is al veel gesloopt en dat is zonde.’

Het oordeel is onverbiddelijk: de woonwijken van de wederopbouw bungelen onder aan het lijstje van favoriete woonomgevingen in ­Nederland. De jarendertigwijk staat onaantastbaar op nummer 1, gevolgd door de oude binnenstad en – verrassend – de bloemkoolwijken van de jaren tachtig.

Op bereikbaarheid en het vele groen scoren de naoorlogse wijken nog een aardig cijfer. Maar verder: de architectuur wordt onaantrekkelijk gevonden, het straatbeeld eentonig, de huizen te klein, de voorzieningen slecht, blijkt uit het onderzoek dat in 2014 werd gedaan door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De ondervraagden kunnen de wijken uittekenen: veel identieke rijtjeswoningen en flatblokken in een gestaag ritme langs brede straten geplaatst. 69 procent vindt het hoog tijd voor vernieuwing.

De woningbouwopgave na de Tweede Wereldoorlog was enorm. Niet alleen moest de oorlogsschade door het hele land worden hersteld, het platgebombardeerde centrum van Rotterdam voorop, er moesten daarnaast ook honderdduizenden woningen extra gebouwd worden om in de behoefte te voorzien. En dat terwijl de bouwmaterialen schaars waren. Het leidde tot een zeer rationele, gestandaardiseerde aanpak. De reikwijdte van de bouwkraan kon daarbij bepalend zijn, zegt architect Wessel de Jonge. “Een aannemer legde een rail neer, zette daar een kraan op met een arm van 12 meter. Dan kon hij in totaal 24 meter draaien. Zo breed kon de straat worden, dat bepaalde waar de huizen kwamen. Wilde je een blok laten verspringen of dwars zetten, dan kostte dat extra geld. En dat was er zeker in het begin niet.”

Notenbalken zonder muziek

De Jonge weet veel over deze bouwperiode. Zijn bureau WDJarchitecten is gespecialiseerd in de renovatie van jonge monumenten en hij nam al heel wat wederopbouwpanden onder handen. Prachtige gebouwen, vindt hij, zoals het Cygnus Gymnasium in Amsterdam uit 1956 en het HUF-gebouw (1953), de parel van de Rotterdamse wederopbouw. Als architect kan hij genieten van het technisch vernuft en de creativiteit van zijn voorgangers, die met beperkte middelen vaak groots resultaat wisten te bereiken. Dus nee, die negatieve kijk op het naoorlogs erfgoed deelt hij niet. Al kent hij de kritiek goed. Zijn vader Leo de Jonge was als architect actief in de naoorlogse jaren. “Hij had weleens moeite met de strak geleide massabouw van die jaren”, vertelt De Jonge. “Hij noemde het soms notenbalken zonder muziek.”

Vader De Jonge werkte in de jaren vijftig aan de Rotterdamse wijk Pendrecht, waar architecte Lotte Stam-Beese het stedenbouwkundig plan had gemaakt. Brede straten, uniforme flatblokken en rijtjeswoningen, strak in het gelid. “De wijk was nog meer rigide van opzet dan de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. Mijn vader probeerde in dat systeem iets te ontwerpen waar je mensen toch een thuis kon bieden, een menselijk maat, minder voordeuren op een ­galerij. Maar de marges waren klein.”

Later, in Amsterdam-Noord, stelde hij voor een rij flats een knikje te geven, zodat mensen niet bij elkaar naar binnen keken, maar uitzicht hadden over de weilanden. “Het kostte hem maanden oorlogvoeren met het ministerie.” De uitgesproken kritiek die zijn vakbroeder Aldo van Eyck zou uiten, sprak vader De Jonge wel aan. Van Eycks Amsterdamse Burgerweeshuis uit 1960, een revolutionair ontwerp van hofwoningen rond intieme patio’s, brak met de rechte lijnen van de wederopbouw.

Vooruitgang in ­levenskwaliteit

Naast de kritiek was er vooral veel steun voor de voortvarende, rechtlijnige aanpak, zegt De Jonge. Zeker in de beginjaren. “Mijn ouders woonden in bij een oude dame vanwege de woningnood. En ze waren bepaald niet de enigen. Zo’n flatje van 45 vierkante meter, waarvoor we nu onze neus ophalen, was toen een enorme vooruitgang in ­levenskwaliteit voor heel veel mensen. De hemel.

“Architecten probeerden op een heel oprechte manier het beste te doen”, vervolgt hij. “Daarvoor grepen ze terug op bouwprincipes die ruim voor de oorlog ontwikkeld waren. In de jaren twintig werd al veel nagedacht over standaardisatie en rationalisatie in de bouw. Na de Eerste Wereldoorlog zagen de architecten van het modernisme het niet als een opdracht om het volgende indrukwekkende monument te bouwen. Hun missie was: hoe lossen wij de ongezonde leefomstandigheden op? Ze wilden betere huizen, scholen, fabrieken en ziekenhuizen bouwen. En wel zo snel mogelijk. Ze bedachten systemen waarbij in de fabriek geprefabriceerde onderdelen op de bouwplaats in elkaar gezet konden worden. Staal, glas en beton.” In Nederland zijn het sanatorium Zonnestraal in Hilversum (1928) en de Van Nellefabriek in Rotterdam (1930) de beroemde voorbeelden. De Jonge werkte aan de renovatie van beide iconen.

Het werk van je grootouders

Deze ervaring geeft hem hoop dat het met de herwaardering van de wederopbouwarchitectuur wel goed komt. Toen hij in de jaren tachtig als student geïnteresseerd raakte in Zonnestraal, stond het op instorten en was het vergeten. Nu geldt het voor velen als een hoogtepunt van de Nederlandse architectuur. De Jonge verklaart het zo: “Wat de generatie van je ouders gemaakt heeft, waardeer je minder dan het werk van je grootouders. Afstand in de tijd maakt het verschil.” Dat is ook het lichtpuntje in het eerdergenoemde onderzoek: de jongste generatie (18-24 jaar) was opvallend positiever over de wederopbouwarchitectuur. Zij hebben er ook niet de associaties van saaiheid bij – zij vinden in de gerenoveerde kantoren uit die tijd vaak hun eerste werkplek of een eerste woning.

De Jonge hoopt het van harte, want alleen al vanuit duurzaamheidsoogpunt ziet hij niets in sloop. “Het wordt vaak gedaan om een energiezuiniger gebouw neer te zetten, maar de rekensom klopt niet. Je gooit iets op de vuilnisbelt, en daarna gebruik je nieuwe materialen. Dat is ook verspilling.”

De Jonge heeft veel ervaring opgedaan in het verduurzamen van bestaande gebouwen. “Een gebouw weer tot glans brengen”, noemt hij dat. “Zodat mensen het gaan waarderen en zien wat voor kwaliteit het eigenlijk heeft. De vastgoedvoorraad van de toekomst staat er wat mij betreft al.”

Rotterdam had er zomaar heel anders uit kunnen zien

Wat moeten we behouden uit de naoorlogse periode? Zo veel mogelijk, vindt Marieke Kuipers, emeritus hoogleraar cultureel erfgoed en oud-medewerker van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ze was een van de eersten die zich met die vraag bezighield. Niet alles hoeft een monument te worden, maar de waarde van het wederopbouwerfgoed is nog lang niet verlopen, vindt ze. En om eerst maar eens met een hardnekkig vooroordeel af te rekenen: met die eentonigheid valt het wel mee.

Het is een vergissing om te denken dat iedereen eenstemmig het modernisme omarmde. “Er waren ook bestuurders en architecten die kozen voor een traditionele stijl, zoals in Middelburg”, zegt Kuipers. “Het oude stadshart was in de meidagen van 1940 net zo zwaar verwoest als Rotterdam. Er werd gekozen voor een intelligente reconstructie. De stad moest weer aantrekkelijk worden voor de burgers en toeristen. Er werd uitgegaan van het oude stratenpatroon. Het gotische stadhuis en de middeleeuwse abdij werden heel zorgvuldig gereconstrueerd. Voor de overige bebouwing werd gekozen voor een gematigde wederopbouwstijl, waardoor de herkenbaarheid van de oude stad is teruggekomen. Dat is zo goed gelukt dat men het bombardement bijna vergeten is.”

Deze aanpak zie je vooral in Zeeland, ook in Sluis werd de oude sfeer behouden. Volgens Kuipers was het geen Zeeuws conservatisme. “Het is een visie, men hechtte aan continuïteit en het eigen karakter. Men dacht dat dat heilzaam was voor de inwoners. Je geeft mensen terug wat ze kwijt zijn geraakt. Dan voelen ze zich minder verloren. Harmonische stadsbeelden verzachtten het oorlogsleed.”

Een stralend, nieuw Nederland

Tegenover deze traditionalisten stonden de modernisten die het oude alleen maar associeerden met oorlog, armoede en ellende en daarom een stralend, nieuw Nederland wilden bouwen. Die visie bepaalt het aanzien van veel andere verwoeste binnensteden: Nijmegen, Arnhem en Groningen. Vooral die laatste stad is al decennia bezig de moderne herbouw van de Grote Markt ongedaan te maken. In de jaren negentig ging de nieuwe aanbouw van het stadhuis al ­tegen de vlakte – recentelijk werd de oostwand gesloopt om plaats te maken voor hopelijk sfeervoller nieuwbouw.

Gebouwen die inmiddels zijn afgebroken

Het Stationspostgebouw in Amsterdam van Piet Elling
Het station van Rotterdam van Sybold van Ravesteyn
Het nieuwe Stadhuis van Groningen van Jo Vegter
Oostwand Grote Markt Groningen – diverse architecten
De Sandbergvleugel aan het Stedelijk Museum in Amsterdam van Frits Eshauzier
Sint Jozefskerk in Vaals van Jean Huysmans
Ministerie van onderwijs, kunsten en wetenschappen in Den Haag van Gijsbert Friedhoff

Wie denkt dat bij het herstel van Rotterdam, de zwaarst getroffen stad, een moderne stijl uitgemaakte zaak was, heeft het mis, zegt Kuipers. “Er is al tijdens de oorlog een monumentaal ontwerp gemaakt om de stad grotendeels volgens het oude stratenplan te herbouwen, door Willem Gerrit Witteveen. Toen ik daarover een tentoonstelling zag, was ik perplex.” Dat plan werd echter na de oorlog terzijde geschoven. “Door toedoen van een kleine groep ­architecten en ondernemers. Die club was heel effectief.” Rotterdam werd opnieuw verkaveld. Zo kon onder aanvoering van Cornelis van Traa, Witteveens opvolger, een stad ontworpen worden met brede boulevards, gescheiden verkeersstromen, hoogbouw en winkelcentrum De Lijnbaan.

Heeft het modernisme in Nederland gewonnen? Zo ver wil Kuipers niet gaan. “Het was een voortdurende richtingenstrijd. Ook modernisten moesten soms hard knokken voor hun visie.” En er ontstond – Nederland zou Nederland niet zijn – een compromis: de shake-hands-architectuur. Moderne constructies van beton en staal met strakke contouren kregen ‘een traditioneel jasje van baksteen’ en eventueel wat eenvoudige decoraties; een tegeltableau bij de trapopgang of een frivool balkonhek. De moderne architect Willem van Tijen nam hiertoe het initiatief en noemde het ‘een huwelijk tussen baksteen en beton’.

Pure weerzin

Een voorkeur voor een stijl wil Kuipers niet uitspreken, al stelt ze nuchter vast dat veel mensen zich prettiger voelen in een wat traditioneler gebouw. “In het begin hield ik er helemaal niet van. Maar mijn drijfveer is altijd geweest dat de enorme kaalslag die volgde geen goede zaak is.” Want gesloopt is er, uit pure weerzin tegen de wederopbouwarchitectuur. Kuipers ging voorop in de erkenning van dit erfgoed. Zij was een van de samenstellers van de top-100 monumenten uit de periode 1940-1958, die in 2007 in opdracht van het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap werd opgesteld. In 2013 volgde een lijst met nog eens negentig gebouwen uit de periode van 1959-1965 – ze kregen bijna allemaal een beschermde status.

Het zijn vaak toonaangevende gebouwen: kantoren, grote flatgebouwen, kerken, scholen, stadhuizen. Terwijl ­rijtjeshuizen en portiekflats van vier verdiepingen de bulk van het wederopbouwerfgoed vormen. “We hadden de opdracht om topmonumenten te selecteren. Dat vond ik toen al een probleem”, zegt Kuipers. “Wat is ‘top’ en waarom slechts honderd? Het aanwijzen van een heel woningbouwcomplex is ingewikkeld. Hoe kun je een paar honderd huizen beschermen en collectief laten onderhouden? Volgens het ministerie kostte dit te veel geld.” ­Weliswaar zijn er dertig wederopbouwwijken aangewezen als ‘gebieden van nationaal belang’, maar die genieten niet de bescherming van de gebouwen op de lijsten.

Gevaarlijke ideologieën

“Het was het ideaal van de wederopbouw om betaalbare sociale huurwoningen voor de bevolking te bouwen, dat was een gemeenschappelijk belang.” Daar zat ook het idee achter dat mensen in een goede leefomgeving minder vatbaar zouden zijn voor gevaarlijke ideologieën als het nazisme. “Daarom werd veel geïnvesteerd in ­cultuur. Er was kunst in de openbare ruimte, er kwamen schouwburgen en bibliotheken. Zelfs voor een harmonieuze inrichting van de woning werden adviezen gegeven. Alles om mensen op te voeden tot weldenkende burgers.”

Ook al vinden we dat soort ideeën nu nogal paternalistisch, het ideaal van de sociale woningbouw is niet achterhaald, vindt Kuipers. Vreselijk vindt ze het, dat in de wederopbouwwijken zo veel gesloopt wordt, om plaats te maken voor nieuwe koopwoningen. “De meeste woningcorporaties hebben die sociale opdracht verloochend. Mensen met lage inkomens hebben steeds minder te kiezen.” Het argument dat de woningen niet duurzaam zijn klopt niet, vindt ze. “Het meest duurzame is om een huis te laten staan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden