Review

Moderne Devoten hielden van plaatjes

Een illustratief voorbeeld van Moderne Devotie.

'In een hoecxken met een boecxken', dat is toch wel vaak het stereotiepe beeld dat de geloofsbeweging van de Moderne Devotie bij menigeen oproept. Op zich is dat niet zo verwonderlijk, want inderdaad stond bij deze religieuze reveilbeweging, die rond 1400 in de IJsselstreek ontstond, het stichtelijke boek voorop.

Talloos waren de handschriften die de broeders en zusters van het Gemene Leven kopieerden en verspreidden. En Geert Grote (1340-1384), stichter van de Moderne Devotie, schreef aan een vriend dat hij telkens platzak was vanwege zijn ,,honger naar handschriften'.

Kortom, de Moderne Devoten, die streefden naar een praktische, persoonlijke maar stichtende vroomheid, waren echte 'boekenjunks'. Maar betekende die grote liefde voor het geschreven woord dat zij beeldvijandig waren? Hoe was, met andere woorden, hun houding tegenover de beeldende kunst?

Zo'n anderhalf jaar geleden stond deze kwestie centraal op een studiedag in Nijmegen. Wetenschappers uit diverse disciplines als kunstgeschiedenis, theologie, geschiedenis en andere aanverwante richtingen, probeerden daar met concrete antwoorden te komen. De resultaten zijn nu te vinden in de kloeke bundel 'Geen povere schoonheid'.

Ieder heeft dus op zijn of haar vakgebied geprobeerd tot aantoonbare feiten te komen, maar dat leverde geen eensluidend antwoord op. Eigenlijk was dat ook niet te verwachten, want hoe kun je een zo moeilijk grijpbare beweging op tastbare ideeën betrappen als die vooral streeft naar 'innerlijke vroomheid'?

Wie het citaat van Thomas a Kempis leest, dat A.G. Weiler in zijn bijdrage aanhaalt, vreest het ergste voor wat betreft de rol van muziek en beeldende kunst in de geloofsbeleving bij de Moderne Devoten. Thomas van Kempen schrijft: ,,Zalig de oren die niet horen naar de buiten klinkende stem... Zalig de ogen die gesloten blijven voor de dingen van buiten... sluit de deur van uw zinnen'.

Toch waren de Moderne Devoten bepaald niet wars van plaatjes, beelden en muziek. Dat maken ook de artikelen in de bundel duidelijk. Allereerst zijn daar natuurlijk de getijdenboeken met miniaturen die dienden om de meditatie te bevorderen. Dankzij Geert Grote's vertaling in het Middelnederlands werden deze gebedenboeken in de vijftiende eeuw uitermate populair.

In de scriptoria van hun kloosters vervaardigden de Moderne Devoten ook zelf zulke miniaturen. Maar dat gebeurde dan wel op bestelling, zo concluderen zowel classicus Rijcklof Hofman als neerlandica Lydia Wierda in hun bijdragen. Tegen betaling leverde men aan buitenstaanders luxueuze exemplaren, waarbij frivoliteiten echter taboe waren. De miniaturen dienden puur als ondersteuning bij de teksten.

Hetzelfde komt naar voren in de artikelen van José van Aelst en Katrhyn Rudy. Beiden bespreken handschriften die rijkelijk voorzien zijn van illustraties om de lezer tot mede-lijden te brengen. Van Aelst voert nog een aantal vrouwen ten tonele die in devote vrouwenhuizen woonden. Van hen bleven namelijk levensbeschrijvingen bewaard. Die beschrijvingen laten vrouwen zien die niets liever deden dan ,,de passie van Onze Lieve Heer met diepe aandacht en innige begeerte' te overpeinzen.

Ze gebruikten daarvoor beelden in hun kerken en 'plaatjes' in hun boeken. Dat begeren, meelijden, gedenken, gebeurde met grote felheid. Je zou dus mogen verwachten dat een voorkeur voor bepaald 'beeldmateriaal' bij de Moderne Devoten terug te vinden is. Niets is minder waar.

Het grote probleem is namelijk dat de Moderne Devoten 'leentjebuur' speelden bij andere kloosterorden. Telkens blijkt dit aspect het grote struikelblok in het onderzoek naar een eigen beeldtraditie.

Neem Tummers' bijdrage over de inrichting van de kloosterkerken. De beelden die zich in de kerk van het klooster Soeterbeeck in Deuren bij Ravenstein bevonden en die de tand des tijds overleefden, vormden uitgangspunt van zijn onderzoek. Concreter kan het niet, zou je denken. Maar ook hier luidt de conclusie dat de Moderne Devoten 'gangbare beelden' aanschaften.

Beelden die in Soeterbeeck stonden, zoals 'Christus op de koude steen', de kruisdragende Christus en een piëta, waren ook bij andere kloosterorden geliefd. Met andere woorden: een voorkeur voor een bepaald beeldtype kan bij de Moderne Devoten niet worden aangetoond.

Hetzelfde blijkt uit de studie van Ton Hendrikman naar de kloosterarchitectuur. In Windesheim verrees het eerste klooster, waardoor Windesheimer kerkbouw een feit werd. Bestond er een typisch Windesheimer kloosterkerk, zo vroeg Hendrikman zich af.

Aan het eind van zijn bijdrage moet hij echter constateren dat architectonische 'eigenaardigheden' niet bewezen kunnen worden: ook bij andere kloosterorden komen diezelfde typische kenmerken voor.

De inhoud van 'Geen povere schoonheid' lijkt op die manier povere uitkomsten op te leveren. Toch zou het onterecht zijn om de bundel daarom maar opzij te leggen: de bijdragen bieden zicht op een uiterst boeiende leef- en denkwereld. Het gedachtegoed van Geert Grote en de zijnen wordt werkelijk van alle kanten belicht.

Dat die opvattingen overigens lang niet altijd juist werden geïnterpreteerd, wordt ook duidelijk. Met haar artikel over de devotie tot de lichaamsdelen en bloedstortingen van Christus getuigt Kathryn Rudy nog het sterkst van die ontsporingen. Grote's oorspronkelijke intentie van innerlijke navolging is in dit soort meditaties ver te zoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden