Review

Mirza Ghalib, collega van Nachoem Wijnberg

De Indiase dichter Mirza Ghalib was sterk afhankelijk van zijn broodheren. Zijn lot lijkt wel wat op dat van ónze slecht verkopende dichters.

’Ik gebruik graag abstracties op een concrete manier,” zei dichter (en econoom) Nachoem M. Wijnberg onlangs in een interview. Ik heb geen idee wat dat betekent, maar het leek een welkome ontboezeming van een van de ongrijpbaarste dichters van Nederland. Onlangs won hij de VSB Poëzieprijs voor zijn vorig jaar verschenen bundel ‘het leven van’, zijn veertiende alweer (bloemlezingen meegeteld) sinds hij twintig jaar geleden debuteerde.

Zijn dertiende, ‘Liedjes’, bezorgde me een intrigerende leeservaring. De taal is er eenvoudig als bij veel popliedjes: „Ik doe je gezicht na/zoals ik een liedje nadoe/dat ik mij herinner.//Hoe luid ik het ook doe,/niemand kan zeggen/welk liedje het is.” Toch snap ik geen snars van wat er staat. Hoe doe je een gezicht na zoals je een liedje nadoet? En hoe doe je dat luid? „Mijn gedichten zijn helder, makkelijk te lezen,” zei Wijnberg in datzelfde interview. Ja, dank je de koekoek. De woorden zijn wel te vatten maar de strekking niet. En dat bij poëzie die helemaal niet ondoordringbaar oogt.

Na ‘Liedjes’ en ‘het leven van’ is er nu alweer een nieuwe, liefst 168 pagina’s tellende bundel, ‘Divan van Ghalib’, waarin de schrijver zich richt tot Mirza Ghalib (1797-1869). Deze Indiase dichter diende aan het hof van de laatste mogulkoning van Delhi, Bahadur Shah Zafar, die regeerde vanuit het door de Britten gecontroleerde Rode Fort.

Volgens Wijnberg kunnen de gedichten gelezen worden als een roman over leven en werk van de Indiase dichter, die in weerwil van zijn moslimgeloof kwistig verslag doet van wijnliefhebberij. Die hobby deelt Wijnberg; hij schrijft dat een dronkaard niet veel nodig heeft, ‘behalve een lege plaats voor mijn voeten zolang ik loop’. Verderop vraagt hij zijn Indiase collega: „Was jij het die bijna geen voet meer voor een andere kan zetten of was/ik het toch,/hoe maak ik het huis daarna schoon, alsof ik er nooit/geweest ben, niet één dag?”

Het huis in die regel is saillant, want Ghalib bezat nooit een eigen woning (en dus ook geen divan) en maakte gebruik van hem aangeboden faciliteiten. Hij woonde in zijn taal, zou je kunnen zeggen, naar de dichtregel ‘alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ van Slauerhoff. In zijn lyrische ‘ghazal’-gedichten schreef de Indiase dichter met gevoel voor overstatement dat hij zich meer schaamde weer eens iemands huis te verlaten dan Adam toen die het hof van Eden werd uitgebonjourd.

In onder meer het hieronder geciteerde gedicht gebruikt Wijnberg Ghalib om het martelaarschap van de broodschrijver op tafel te leggen. Zo krijgt Ghalib dit in de mond gelegd: „Als de koning mij betaalt schrijf ik over zijn tuin als het avond wordt.” De tot voor kort maar weinig bundels verkopende Wijnberg moet op zijn beurt leuren om inkomsten binnen te krijgen: „Ik ga van deur naar deur, als een hond of een kat, omdat ik anders/niet te eten heb,/soms geven zij mij iets omdat zij gehoord hebben dat ik/gedichten schrijf’.” Ook Ghalib heeft moeite met zijn doelgroep: hij krijgt te maken met de rode correctieinkt van de koning, zoals in onderstaand gedicht dat speelt ten tijde van de de Indiase Opstand van 1857-1859, die een einde maakte aan het Moghul-bewind: „Als de koning wil dat er iets anders in staat kan hij/veranderen wat hij wil.” De laatste strofe lijkt dan een rechtstreekse vingerwijzing naar besprekers zoals ik. Het uitleggen van Wijnbergs gedichten leidt alleen maar tot meer vraagtekens. Je moet zijn poëzie gewoon lézen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden