Review

MICK JAGGER HET TURBO-LEVEN VAN EEN VIJFTIGJARIGE

Zelfs als je denkt dat Jaggers muziek een vast onderdeel vormt van het muzikale repertoire in de hel, zelfs als je zijn naam nog nooit vrijwillig in de mond hebt genomen, weet je wie Mick Jagger is: een onontkoombaar verschijnsel. Hij en zijn Stones behoren tot de gevestigdste, onneembaarste rock-bastions van onze tijd. 'The Strolling Bones' inmiddels, maar ze lopen nog steeds, Jagger voorop. Christopher Andersen, Jagger, ongeautoriseerd, Uitg. In den Toren, 415 blz, F 39,50

ROB SCHOUTEN

Er bleek een overdosis aan gewauwel op te staan, een beschamend gesprek met een Frans liftstertje, een plechtstatig voorgedragen klachtenlijstje dat wij de huisbaas gingen overhandigen alvorens hem voor de rechter te slepen, wat ongeschoold gitaarspel, een wazig feestje en een nauwelijks verstaanbaar proces-verbaal over een blokje marijuana dat iemand zomaar op straat gevonden had. 'Sounds of the early Seventies', zou je het kunnen noemen. Maar wat vooral opviel was de muziek die op de achtergrond voortdurend aanstond: Between The Buttons, van de Rolling Stones. Steeds opnieuw gedraaid. Zeker niet de beste Stones-elpee, weten kenners, maar voor mij beladen met sentimentele en atmosferische herinneringen.

Popmuziek, Rock & Roll, werd mij aangeleverd door mijn vriendenkring; zelf bleef ik streng en recalcitrant in de klassieke leer, maar in het geheim luisterde ik toch mee. Het was nu eenmaal niet mogelijk om sociaal adequaat te functioneren zonder de Rolling Stones, Crosby Stills Nash & Young, Dylan en al die andere namen die ik steeds probeerde uit te spreken alsof ik ze voor het eerst hoorde, terwijl zich intussen wel degelijk een rock-canon in mijn hoofd vormde.

Inmiddels leven we in retrospectieve tijden, de ongenode helden van mijn generatie staan nog steeds of weer prominent op de podia, gevoed door de nostalgie van de eerste generatie die ze nu tijdens haar midlife-crisis herkauwt: Neil Young, inmiddels uitgegroeid tot aardappel, Eric Clapton, min of meer 'born again', Bob Dylan, valser zingend en ongeinteresseerder dan ooit, en de onverslijtbare Rolling Stones. Het zijn allemaal oude mannen geworden met grijs haar en buikjes, maar ze zijn er nog steeds. Wat onze ouders in de jaren zestig hielden voor een onaangename oprisping van de naoorlogse cultuur die wel weer zou verdwijnen, blijkt dertig jaar later het meest invloedrijke en vruchtbare uitdrukkingsmiddel van onze tijd: popmuziek. De veronderstelling dat al dat kwaliteitsloze en zedeloze lawaai vanzelf wel uitgemendeld zou raken, blijkt op valse hoop gebaseerd te zijn geweest. Wie er nog altijd schouderophalend aan voorbij wil gaan heeft oogkleppen op.

Komende maandag wordt een van de ikonen van de jaren zestig en zeventig, Mick Jagger, vijftig jaar. Zo'n beetje de leeftijd van z'n trouwste fans. Wie dertig jaar geleden voorspeld zou hebben dat we in 1993 nog aandacht voor zijn verjaardag zouden opbrengen, moet helderziend zijn geweest. Niets leek immers zo vergankelijk als de roem van de Stones, jonge woeste muziek als van een opgevoerde bromfiets die het wel gauw zou begeven. Popmuziek was er toen nog uitsluitend voor de jeugd, die zich steeds weer ververste, niet zoals nu ook voor middelbare mannen en vrouwen. Ik heb de gedachte zelf ook lang bestreden, maar ik denk dat we over niet al te lange tijd grijsaards gaan krijgen die naar Stones en Dylan luisteren.

Mick Jagger is in de loop van drie decennia uitgegroeid tot een symbool.

Het oorspronkelijke image van rebellen en vogelverschrikkers dat de Rolling Stones jarenlang succesvol in stand hielden, is al lang door de tijd achterhaald. Ze behoren tot de gevestigdste, onneembaarste rock-bastions van onze tijd. 'The Strolling Bones' worden ze inmiddels wel ironisch genoemd maar ze lopen nog steeds, Jagger voorop.

Zelfs als je denkt dat Jaggers muziek een vast onderdeel vormt van het muzikale repertoire in de hel, zelfs als je zijn naam nog nooit vrijwillig in de mond hebt genomen, weet je wie hij is en waarvoor hij staat. Mick Jagger is een onontkoombaar verschijnsel. En tegenwoordig maakt zelfs de overheid gebruik van zijn diensten, bijvoorbeeld door ons er op te wijzen dat seks wel natuurlijk is doch niet vanzelfsprekend en deze boodschap te begeleiden met het Stones-nummer 'You Can't Always Get What You Want'. Met de strekking van deze mededeling zal de zanger het ongetwijfeld niet eens zijn, gezien zijn levensloop, maar aan Rachmaninov werd ook niet gevraagd of hij met het overspel instemde dat in de film 'Brief Encounter' door zijn Tweede Pianoconcert wordt begeleid.

Ik ben zelf geboren om de dageraad van de popmuziek mee te maken. Joost Zwagerman, tot zijn eigen spijt van later datum, somt in een van zijn stukken de voordelen van mijn generatie jaloers op: 'Goed, de kinderen van 1950-1955 waren misschien te jong om de opkomst van de Beatles en de Rolling Stones te genieten, maar het staartje van de jaren zestig - Woodstock, het witte album van de Beatles, de Velvet Underground, Jimi Hendrix, de doorbraak van de piepjonge David Bowie - hebben ze toch maar mooi kunnen meepikken.' Je voelt je haast schuldig dat het voorrecht aan je verspild was.

Op afstand maar onmiskenbaar waaiden de muzikale jaren zestig door mijn straatje. Toen ik in de vijfde klas van de lagere school zat, verschenen er meisjes in Beatle-jurk (nu collectors-items), die weer naar huis werden gestuurd. De Beatles, moet u weten, waren erge onruststokers, maar de Stones, dat was helemaal vreselijk, dat grensde aan misdaad. Als beschaafd mens sprak je daar liever niet over. Negeren leek het beste.

Toen bleek dat de Beatles ook een stropdas en een koninklijke onderscheiding wilden dragen, en sommige liedjes, zoals 'Yesterday', toch best aardig waren, kwamen de Stones naar voren om onze ouders te beangstigen. In hun muziek verdween alle sociale ethiek ('Street Fighting Man') en seksuele moraal (Let's Spend The Night Together), al het moois dat in de jaren vijftig was opgebouwd. Onheilsprofeten hadden gouden tijden. Toen in 1964 een concert van de Stones in het Scheveningse Kurhaus uit de hand liep (ik wist overigens nog van niks), schreef Elsevier over de organisator: 'Wij zouden hem het volgende duidelijk willen maken. Ten eerste dat hij uit gewoon ordinair winstbejag vijf vieze jongens uit Engeland, genaamd de Rolling Stones, naar ons land heeft gehaald. Een kind had kunnen begrijpen, dat de vertoning op ellende zou uitlopen. Allen die dit optreden niet voorkomen hebben, beschouwen wij als gevaarlijke lieden in onze samenlevening.' Ach, die goeie ouwe jaren zestig.

Tien jaar later, toen ik op een Amsterdamse bovenwoning naar Between The Buttons zat mee te luisteren, waren de Rolling Stones al zo gearriveerd dat popjournalist Pim Oets in zijn boekje over hen een beetje droefgeestig vaststelde dat het met de spontaniteit gedaan was en dat de Stones een glad instituut waren geworden. En nu, weer twintig jaar later, zijn ze er nog altijd, niet ten onder gegaan aan vrouwen, drugs en schandalen.

Onlangs verscheen onder de titel Jagger Unauthorized een dikke biografie over het boegbeeld van de Rolling Stones, Mick Jagger. Ongeautoriseerd natuurlijk, want waar de autorisatie van Jagger vroeger iedere deelnamer aan de beschaving in de touwen joeg, is hij inmiddels zelf een van de voorzitters van het pop-establishment geworden. In hetzelfde boekje van Pim Oets lees ik nog: 'En het optreden voor het TV-programma viel, dankzij de talrijke vrijmoedige opmerkingen van de groep, nogal verkeerd bij de oudere generatie.' 'Vijf vieze jongens', 'talrijke vrijmoedige opmerkingen', de roerend truttige stijl verraadt angst om geinfecteerd te raken.

Inmiddels moet auteur Christopher Andersen zelf alle onbevestigde vuilnis aandragen om Jagger de anarchistische eer te geven die 'm toekomt. Want Jagger heeft niet meegewerkt aan dit produkt en hij zal ook niet blij zijn met het verjaardagscadeau. Zodoende was Andersen aangewezen op Jaggers omgeving, z'n vrienden en vijanden, groupies en minnaressen.

De toon wordt onmiddellijk gezet in het eerste, preludierende, hoofdstuk. Daarin wordt verslag gedaan van het beruchte concert in Altamont, in de Californische Bay Area, waarbij voor het oog van de camera een zwarte jongen werd vermoord door een van de Hells Angels die de Stones als ordedienst hadden aangetrokken. De beelden werden via de film Gimme Shelter wereldberoemd. Andersen schildert Altamont af als een soort duivelse pendant van het vredige, knikkebollende Woodstock. En Jagger wordt neergezet als een lafaard die zich aan de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen wilde onttrekken. Iemand die bovendien ongepast reageerde. Terwijl het slachtoffer werd afgevoerd zou de in zijn vliegtuig vluchtende Jagger hebben verzucht: 'Shit, dat scheelde niet veel. Maar dat wordt wel een retegaaf filmpje.' Een joint en een vrijpartij hielpen hem over de ellende van het concert heen. Toen hij later de moordscene te zien kreeg, moet hij gezegd hebben: 'Wauw, vreselijk allemaal.' 'Maar weet je wat het allerergste is,' vat Andersens informant samen. 'Die klootzak is ook een geweldig artiest.' Nee, van je vrienden moet je het maar hebben, zal Jagger na lezing van deze biografie denken. Toen na de dood van Brian Jones Jaggers vriendin Marianne Faithfull hem eindelijk snikkend aantrof en meende dat de compassie en het verdriet ook in hem eindelijk waren aangebroken, bleken de tranen slechts door hooikoorts te zijn opgewekt.

En zo gaat het maar door met de onttakeling van Jagger. Hij is een ordinaire duitendief die de moeder van z'n kind nog geen tweehonderd pond wil lenen, een calculerende hebberd, een toneelspeler die zorgvuldig op heersende trends inhaakt, een kleinburgerlijke hedonist.

En dat alles ondanks het weinig burgerlijke leven dat in dit boek aan ons voorbijtrekt. Want je krijgt niet de indruk dat Andersen vrijwillig wil besparen op ook maar een drugsessie of een orgietje. Zo komt Jagger naar voren als de slechterik waarvoor opa en oma al vreesden, of nog erger: niet alleen een slikkende, rokende en neukende bosduivel maar ook nog een slecht, krenterig, jaloers en min karakter.

Jagger, ongeautoriseerd leest als een gedetailleerd compendium van alle Napoleontische veldslagen: steeds maak je ongeveer hetzelfde mee. Door de bomen zie je tenslotte het bos niet meer. De ernstigste misser van dit boek vind ik dan ook het ontbreken van een index, al was het er maar een op de namen van Jaggers liefjes: Chrissie Shrimpton, Marianne Faithful, Anita Pallenberg, Marsha Hunt, Linda Ronstadt, Madonna (!), Prinses Margaret (?), Maggie Trudeau, Jerry Hall (zeer ontoereikende selectie). En de mannen, niet te vergeten want ook de praktizerende biseksueel Jagger krijgt zijn deel. Van tijd tot tijd slaat iemand een laken op en treft blote Jagger aan naast een mannenlijf (dat van David Bowie bijvoorbeeld).

Het vervelende van Andersens opsomming is dat het misschien wel allemaal waar is maar dat hij je toch de indruk geeft op alle beschikbare roddel te zijn ingegaan. Het kan zijn dat het Nederlandse vertalerscollectief (blijkbaar was het allemaal wat te veel voor een enkele vertaler) de stijl van het origineel nog verder heeft opgepompt maar de retoriek van het adjectief sloopt op den duur de opmerkingsgave. Zo klinkt het allemaal voortdurend: 'Door massahysterie bevangen, golfden schreeuwende fans in de richting van het podium, terwijl ze hun idolen de kolkende massa in dreigden te trekken.' Of: 'Jaggers grafstemming sloeg om toen de bloedmooie Michelle Phillips van de Westcoast-groep 'The Mama's and the Papa's' langskwam.' Massahysterie, kolkend, grafstemming, bloedmooi: met dit soort proza wordt de lezer vierhonderd pagina's lang beproefd.

Ook de bewijsvoering hangt aan zijden draadjes. Zo levert Andersen meestal eerst de 'feiten' en pas daarna de dubieuze bronnen. Over een scene in het prive-vliegtuig van de Stones lezen we: 'De tourneearts leek nog het meest verzot op seks. Die oefende alle denkbare standjes met een van de groupies, met Jagger en de anderen als toeschouwers.' Maar even later blijkt de enige getuige van dit vrolijke tafereeltje de schrijver Truman Capote te zijn geweest, die nogal een hekel aan Jagger ontwikkelde en hem 'zo sexy als een pissebed' noemde.

Daarmee zijn we trouwens aangekomen bij een van de vele raadsels rond de persoon van Mick Jagger. Wat maakt deze man zo fascinerend, waarom groeide hij (toch zeker niet moeders mooiste) uit tot een van de grootste seks-symbolen van onze tijd? Hoe verhoudt hij zich tot de cultuur die hem heeft opgeleverd en omhooggestuwd? Of, andere vraag, wat is zijn muzikale betekenis nu eigenlijk geweest? Christopher Andersen weet het net zo min als ik en houdt zich ook op de vlakte. Hij is immers niet meer dan de journalist die feitjes in kaart brengt.

In de epiloog doet hij even een flauw essayistisch gooitje naar wat visie: 'Jagger is bij uitstek de veranderlijke kunstenaar die veel te snel beweegt om een stempel opgedrukt te krijgen of in een vakje gestopt te worden. dat maakt deze man zo fascinerend en tegelijk zo irritant.' Maar dan is de lezer allang murw gebeukt door al die opwindende gebeurtenissen in het turbo-leven van de vijftigjarige. Nee, wie er iets van wil begrijpen kan het cortisone-proza in Jagger, ongeautoriseerd evengoed ongelezen laten.

Misschien is het voor verslingerde liefhebbers allemaal smullen, maar aan een afstandelijk geinteresseerde buitenstaander is het niet besteed.

Nog steeds weet ik niet waarom ik 1965 in het damesblad EVA (voorloopster van de VIVA) gebiologeerd uit de mond van een leeftijdgenoot las dat hij iedereen haatte die niet van de Rolling Stones hield. En waarom ik in 1973 elke dag naar Between The Buttons luisterde is mij ook nog altijd een groot raadsel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden