Review

Met punk kwam einde aan het optimisme van de jaren zestig

Hans Righart: De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict. De Arbeiderspers, Amsterdam; 328 blz. - ¿49,90.

RUTGER VAHL

De hoogleraar politieke geschiedenis is voor zijn verklaring te rade gegaan bij de generatiesociologie van de Karl Mannheim en Ronald Inglehart. Mannheim stelde reeds in 1928 dat mensen in hun puberteit en adolescentie meer vatbaar zijn voor veranderingen en beïnvloeding van hun waarden en normensysteem, dan in welke andere levensfase ook.

Deze 'formatieve periode, duurt tot ongeveer het vijfentwintigste levensjaar. Inglehart gebruikte deze theorie in combinatie met Maslovs behoeftebevredigingstheorie om de maatschappelijke veranderingen van de zestiger jaren te verklaren. De mens streeft na waaraan hij in zijn formatieve jaren te kort heeft gehad, stelt hij. De generatie die crisis en oorlog had meegemaakt, streefde naar materiële welvaart, de naoorlogse wederopbouw-generatie naar het immateriële.

Hans Righart past beide sociologische modellen toe op de Nederlandse situatie. De generatie die tussen 1910 en 1929 werd geboren, de 'Vooroorlogse Generatie', groeide op in een sterk verzuilde en weinig geïndustrialiseerde samenleving. Hun formatieve periode stond in het teken van economische crisis, oorlog en bezetting, wat resulteerde in een generatie voor wie soberheid, spaarzaamheid en materialisme de hoogste deugden waren.

Hun kinderen, geboren in of vlak na de oorlog, behoorden tot een geheel andere generatie. Weliswaar leek de verzuilde samenleving van de jaren vijftig sterk op de vooroorlogse maatschappij, wie goed keek zag de verschillen. Economische groei in plaats van crisis kleurde hun formatieve periode, geen schaarste maar langzaam toenemende welvaart. Langdurige scholing en vrije tijd gaven het 'jong zijn' bovendien een nieuw karakter.

Beide generaties raken tegen het eind van de jaren vijftig in een crisis, stelt Righart. De puriteinse en ascetische Vooroorlogse Generatie wist met de welvaart van de jaren vijftig geen raad binnen haar vooroorlogse waarden- en normenpatroon.

Een crisisgevoel was het gevolg. Hun kinderen, de Protestgeneratie (geboren tussen 1940 en 1955), raakten eveneens in een crisis, omdat zij door langdurige scholing langer jong bleven en de stap naar de volwassenheid als moeilijk ervaarden.

Tegelijk stelde de industrialisatie van Nederland nieuwe eisen aan de jonge werknemer. De afstand tot de leefwereld van de ouderen, vooral waar het knellende normen en waarden betrof, was relatief groot. Het is deze dubbele generatiecrisis die Righart als de motor achter het veranderingsproces van de jaren zestig beschouwt.

Aan de hand van het radioprogramma 'In Holland staat een huis', uitgezonden door de Vara van 1952 tot 1958, tekent Righart de ambivalentie en verwarring van de Vooroorlogse Generatie. Waar moeder Doorzon nieuwsgierig is naar de nieuwe tijd, neigt vader Doorzon naar afwijzing en tracht vast te houden aan de ingetogenheid van zijn eigen generatie.

Maar tegelijkertijd speelt hij met de betoverende gedachte eens een auto, een gemoderniseerde winkel en een eigen huis te bezitten. Theo en Mien Doorzon vertegenwoordigden de honderduizenden ouders die eind jaren vijftig eigenlijk wel eens wilden profiteren van de welvaart, maar niet wisten hoe deze wens te verenigen met hun formatieve ervaringen.

Die tegenstrijdigheid werd door de jongeren wel degelijk opgemerkt en deed afbreuk aan de geloofwaardigheid van de ouderlijke generatie. De gebruikelijke puberteitscrisis werd daarnaast versterkt door de aanzienlijke verlenging van de jeugdfase. Waar deze overgang tussen kind-zijn en volwassenheid in traditionele samenlevingen door allerlei initiatieriten vergemakkelijkt wordt, kenmerkt de moderne maatschappij zich volgens Righart juist door het ontbreken van dergelijke rites de passage. ln een 'sociaal niemandsland' zochten de jongeren naar een manier om de kloof te overbruggen.

Zij vonden dit in een eigen jongerencultuur. Het was “een poging van jongeren om zelf vormen van initiatie te scheppen.“ De transistorradio, de platenspeler en de muziekbladen zorgden voor een razendsnelle verspreiding van de Anglo-Amerikaanse rock 'n' roll-muziek, die met haar lichamelijke en erotische traditie nauw aansloot bij diep gevoelde emoties omtrent seksualiteit, eenzaamheid en opstandigheid. De muziek werd het collectieve overgangsprojekt van de jeugd. Met eigen geld kon de opstandige generatie zich 'loskopen' van de ouders, een gegeven waar de commercie overigens gretig op in speelde.

Het boek is voor de helft uit als het in een stroomversnelling schiet. Mooi en humoristisch beschrijft Righart de ontwikkeling van de jeugdcultuur vanaf de problematische vertoning van de film 'Rock around the clock' in 1956 (na relletjes besluit de Goudse burgemeester de muziekfilm zonder de 'opruiende' muziek te vertonen) tot het popfestival van Kralingen (1970).

Langzaam tekent zich een nieuwe jongere af: een consument, die zich afzet tegen de heersende seksuele moraal en voor wie het gevoel jong te zijn belangrijker is dan het gevoel tot een bepaalde klasse te behoren.

ln de jaren zestig barst de hedonistische, klasseloze teenagercultuur in volle hevigheid los. Deze was aanvankelijk a-politiek, meent Righart, net als de studentenbeweging en de culturele avant-garde rond anti-rookmagier Robert Jasper Grootveld. Zij schiepen de 'infrastructuur' waarlangs de latere onvrede gekanaliseerd kon worden.

Een cruciale rol speelt het 'rampjaar 1966'. De rellen rond het huwelijk van Beatrix en Claus, het politiegeweld naar aanleiding van de fototentoonstelling van de rellen kort daarop en het bouwvakoproer van juni brachten Amsterdam op de rand van een burgeroorlog en zaaiden diepe twijfel bij de Vooroorlogse Generatie. Dit crisisgevoel bood de protest-generatie de kans een deel van de macht over te nemen. Righart traceert het epicentrum van 'de jaren zestig' rond 1 967, als de twee generatiecrises op elkaar botsen, elkaar versterken en, nadat de macht is herverdeeld, elkaar afzwakken.

Waar ligt het eindpunt van de jaren zestig? Het Altamont popfestival in december 1969, waar de zanger van Jefferson Airplaine uitgerekend tijdens het nummer somebody to love knock-out wordt geslagen en een toeschouwer de dood vindt? Aan het blakende optimisme, aan de zoektocht naar 'het zand onder de stenen' kwam met 'harde, agressieve en illusieloze' punk en disco-dreun in ieder geval een einde.

Op de theorieen van Righart zal best het een en ander af te dingen zijn. Zijn verbintenis tussen generatieconflict enerzijds er het ontstaan van een jeugdcultuur anderzijds nodigt uit tot discussie. Betekent het dat de hedendaagse jeugd die opgroeit zonder noemenswaardigde generatiekloof geen eigen subcultuur zal kunnen ontwikkelen? En wat zijn voor haar dan de initiatieriten?

Als een van de eerste boeken die het fenomeen 'jaren zestig in Nederland' integraal probeert te verklaren, biedt het de lezer een lekker geschreven, interessant visie. Gelardeerd met vermakelijke anecdotes en sprekend fotomateriaal zal het boek zich in een breed lezerspubliek kunnen verheugen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden