Review

Met 'nautisch geduld' door jaren zestig

Tijdens de verkiezingscampagne van 1971 hield de demissionaire premier Piet de Jong een toespraak in Volendam. In dit katholieke bolwerk was niet zoveel te merken van het rumoer en de opstand tegen het gezag, die het nabijgelegen Amsterdam in de greep had. Maar in het zaaltje waar De Jong sprak, was die avond iemand van de 'ludieke' Kabouterbeweging binnengedrongen.

Halverwege de toespraak begon deze jonge man, een scooterhelm onder een van zijn armen geklemd, luidkeels misbaar te maken. Onmiddellijk werd hij beetgepakt door twee potige Volendammers, die hem hardhandig naar buiten begonnen te werken. Op dat moment zei De Jong met de hem kenmerkende zachte stem: ,,Nee, nee, zo doen wij dat niet. Laat meneer maar naar voren komen om zijn verhaal te doen. Misschien kunnen we er nog iets van leren.'' De knaap wist weinig samenhangends mee te delen en droop onder bulderend gelach van de zaal af.

De reactie van De Jong op het incident in Volendam was typerend voor de wijze, genuanceerde manier waarop hij als premier opereerde in kwesties van gezagshandhaving en machtsuitoefening. Dat was in die dagen overigens beslist niet het beeld dat het publiek van hem en zijn kabinet had. Het kabinet-De Jong stond bekend als 'rechts', dus autoritair en conservatief. Voorzover het in de persoon van de premier een begripvol, vaderlijk gezicht liet zien, werd dat door de luidruchtige progressieve gemeente beschouwd als 'repressieve tolerantie' en daar moest je helemáál voor oppassen.

Alleen al daarom is het goed dat de biografie van De Jong alsnog het volle licht zet op zijn optreden bijvoorbeeld tijdens de bezetting van het Maagdenhuis, en na de schoonveegactie van mariniers tegen Damslapers.

De Jong zette twee dagen na zijn aantreden al de toon, toen de ministers Roolvink en Beernink, aangemoedigd door de burgemeester van Amsterdam (Van Hall) en anderen voorstelden marechaussee in te zetten om in de hoofdstad een staking van schilders te breken. De premier wees dit meteen van de hand. Tegen Roolvink zei hij: ,,Je bent niet goed snik. Ik ga geen staking met de politie breken.''

Volgens de auteurs van de biografie, de Nijmeegse historici Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer, was dit resolute optreden van De Jong van belang, omdat zijn kabinet nogal wat ministers telde die ordeverstoringen fors wilden aanpakken. Niet alleen Roolvink en Beernink behoorden tot de hardliners, maar ook Luns en Udink, die zelfs werd vergeleken met de beruchte Amerikaanse havik, vice-president Spiro Agnew.

Voor De Jong was de lijn eigenlijk simpel. In een speciaal kabinetsberaad in 1969, na een jaar vol rellen en acties speciaal gewijd aan het probleem van de gezagshandhaving zei hij: ,,Is er slechts sprake van een rel om de rel, dan zal krachtig moeten worden ingegrepen. Bestaan er gerechtvaardigde grieven, dan zal het gezag ruimte moeten geven.'' Het bestaande stelsel handhaven mocht niet zonder meer uitgangspunt zijn, omdat ,,de wijze waarop de democratie haar weg vindt aan voortdurende verandering onderhevig is''.

De Jong baseerde zich op lessen uit de geschiedenis, die aantoonden dat geweld tegen gerechtvaardigde grieven alleen maar averechts uitpakt, maar hij beschikte dankzij zijn marinejaren ook over praktische wijsheid en een sterk relativeringsvermogen. Hij had wat van de wereld gezien en als commandant van de onderzeeboot O24 in de oorlog aanvallen met dieptebommen overleefd.

Anders dan veel van zijn generatiegenoten in het destijds nog wat provinciaalse Nederland raakte De Jong niet zo snel ondersteboven van een actie of een ordeverstoring. Minister Schut noteerde eens tijdens een kabinetszitting uit de mond van De Jong: ,,Voor mij zijn er twee soorten mensen. Zij die het strand beschouwen als het einde van de wereld, en anderen die het juist zien als het begin van de wereld.'' Daarbij beschikte hij over een 'nautisch geduld', dat stoelde op zijn ervaring ,,dat je, voordat een schip vergaat, altijd nog tien minuten de tijd hebt om je portemonnaie en je scheermes te pakken''.

De biografie laat zien dat De Jong dus het tegendeel was de 'autoritaire ijzervreter' waarvoor hij werd aangezien. Hij zag volgens de auteurs de noodzaak in van modernisering van de samenleving en hij verpersoonlijkte de 'nieuwe redelijkheid' van het gezag. Extreme tegenstellingen en gewelddadigheid, zoals in Duitsland, werden daardoor vermoedelijk voorkomen. De Jong zegt daarover, zoals altijd relativerend: ,,In mijn tijd ging het om omgaan met macht. Daar had ik verstand van. Ik zou in een economische crisis nooit goed hebben gefunctioneerd. Hoe je met rellen moest omgaan? Dat vond ik nou leuk. Grappig hoe goed dat paste. Je krijgt kennelijk precies de lui die je op een bepaald moment nodig hebt.''

De biografie over de oud-premier is bij de presentatie vrijwel direct in het perspectief gezet van een politiek eerherstel voor De Jong. Dat is tot op grote hoogte terecht, want zijn tijdgenoten hebben niet alleen zijn capaciteiten als premier en politicus onderschat, maar ook de prestaties van zijn kabinet ondergewaardeerd. Daardoor is lang het tamelijk ongunstige beeld van dat kabinet blijven hangen dat het slechts de ambitie had 'op de winkel te passen', tot verdriet van De Jong zelf, die zichzelf en zijn ministersploeg tekortgedaan voelde. Het is echter oppassen voor doorslaan naar de andere kant.

Achteraf kan het als een blunder worden beschouwd dat de KVP de vertrouwenwekkende en bekwame De Jong in 1971 aan de kant schoof. Maar geplaatst in het maatschappelijke en politieke klimaat van die dagen is het niet zo vreemd. Het gistte en borrelde, er was een zucht naar verandering en de confessionele KVP brokkelde zo snel af dat zij in grote verwarring, zo niet paniek verkeerde. Daar stond een opkomend 'progressief' tij tegenover, waar leidende christelijke politici als Barend Biesheuvel bij probeerden aan te haken. Dat had tot gevolg dat het zwaartepunt in de politiek sterk naar links verschoof. Daardoor kreeg het kabinet van De Jong bijna als vanzelf een rechts, conservatief imago en was het, zoals Hans Wiegel naderhand zei, aan het eind van de rit van niemand meer.

In dat licht is het misschien nog altijd dom, maar minder onbegrijpelijk dat de KVP zich van De Jong ontdeed, hem niet aanzocht voor het lijstaanvoerderschap en hem na de verkiezingen ook passeerde voor het premierschap. Bij dat laatste speelde ook het streven naar christen-democratische samenwerking een rol. Oud-KVP-leider Schmelzer, een spilfiguur in die tijd, zegt in het boek: ,,De KVP had in het recente verleden min of meer het monopolie gehad op het premierschap. Om bij de protestanten het vertrouwen in de roomsen te versterken, leek het mij gewenst een sterke protestant de plaats van premier aan te bieden.''

De Jong, die in 1967 als een sterke allround politicus was komen bovendrijven en die met zijn kabinet nogal wat vernieuwing tot stand bracht, was dus ineens de goede man op het verkeerde moment. Voor het lijsttrekkerschap zette zijn partij de jongere en als progressief bekendstaande Veringa in. Daarbij speelde ook een rol, zoals de auteurs aantonen, dat De Jong te bescheiden en te relativerend tegenover het politieke bedrijf stond. ,,De politieke amateur die zichzelf had weggerelativeerd, kon na vier jaar dan ook weinig uitrichten tegen de politieke professionals die hem opzij wilden schuiven.''

De Jong zag aan tegen het eind van de rit wel in dat hij (tegen zijn zin) meer op de voorgrond moest treden om het beleid van zijn kabinet goed voor het voetlicht te brengen. Op 16 januari 1970 gaf hij de eerste persconferentie na het kabinetsberaad. Tegenwoordig is dat wekelijkse ritueel in de verhouding tussen politiek en pers een instituut. Volgens de mythe begon de premier met die persconferenties om op vrijdagavond rustig thuis te kunnen eten, zonder gestoord te worden door telefoontjes van journalisten. ,,Soms liet ik mijn vrouw de telefoon aannemen, die dan de naam van de opbeller nog eens hardop herhaalde, zodat ik nee kon schudden van niet thuis. Maar dat kon ik niet altijd doen.'' De biografie toont aan dat de belangrijkste reden de slechte pers over het kabinetsbeleid was.

De man die in 1971 in Volendam de orde verstoorde heette Julius Vischjager. Deze man, thans hoofdredacteur van de handgeschreven Daily Invisible, heeft al ongeveer twintig jaar als steller van de laatste vraag een vaste plaats in het ritueel van de wekelijkse persconferentie van de premier, de uitvinding van Piet de Jong.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden