Review

'Met de mens Henri Polak als zodanig voel ik me niet verwant'

Salvador Bloemgarten: 'Henri Polak, sociaal democraat, 1868-1943'. Sdu Uitgeverij Koninginnegracht. Prijs: 79,50 gulden. ISBN: 90 12 08009 6

ANITA LOWENHARDT

Dat zegt Salvador Bloemgarten en hij kan het weten, want hij promoveerde vorige maand cum laude op 'Henri Polak, sociaal-democraat, 1886-1943', de 640 pagina's dikke biografie over deze vakbondsman, politicus en journalist.

Henri Polak was op 26-jarige leeftijd oprichter en vervolgens 45 jaar lang voorzitter van de Algemene Nederlandse diamantbewerkersbond (ANDB). Hij was raadslid in Amsterdam, voorzitter van de Wereldbond van Diamantbewerkers, mede-oprichter en de eerste voorzitter van het Nederlands Verbond van vakverenigingen (NVV) en Eerste-Kamerlid voor en (twee maal) voorzitter van de SDAP.

Als journalist had Polak een duizelingwekkende produktie (alleen al voor het ANDB-blad schreef hij 45 jaar lang bijna elke week ten minste een artikel); voor de biograaf tegelijkertijd een zegen en een vloek. Niet voor niets deed Bloemgarten twintig jaar over het schrijven van de biografie.

“Ten eerste ben ik niet zo'n snelle werker”, zegt Bloemgarten lachend. “Daarbij is er een gigantische hoeveelheid bronnen en heb ik me, door de veelzijdigheid van Polak, moeten verdiepen in allerlei onderwerpen waar ik van huis uit niet veel van wist. Zo heb ik als bijvak bij mijn studie geschiedenis wel economische geschiedenis gedaan, maar een onderwerp als de diamantindustrie heeft me behoorlijk veel tijd gekost.”

“Een ander probleem was dat het persoonlijk archief van Polak voor zeker tachtig procent verdwenen is. Zijn vrouw Milly heeft, toen haar man in 1940 gevangen was genomen, zijn hele persoonlijke correspondentie uit veiligheidsoverwegingen vernietigd.”

Band

Als je twintig jaar met iemand 'leeft', moet je wel een band met zo'n persoon krijgen. Toch lag het niet echt voor de hand dat Salvador Bloemgarten over Henri Polak zou schrijven, zoals hij ook zelf in zijn inleiding constateert.

Bloemgarten werd in 1924 in Brussel geboren in een zeer geassimileerd joods gezin, dat vanuit Maastricht naar Brussel was verhuisd. Negen jaar later werd er weer verhuisd, nu naar Amsterdam. Dat was een hele overgang, maar het wende snel, vertelt hij. “Het was 1933, crisistijd en er waren net verkiezingen geweest. Overal hingen aanplakbiljetten: 'Fascisme is moord'. Ik was zelf echt politiek geinteresseerd, las vanaf m'n tiende de krant.”

Die politieke belangstelling kwam niet uit de lucht vallen. Salvadors moeder omringde zich graag met linkse intellectuelen: anarchisten en communisten. Zo woonde na de Spaanse burgeroorlog, clandestien, een Duitse oud-Spanje-strijder en communist bij de Bloemgartens.

“Nee, op school werd niet gesproken over het dreigende fascisme. Op de lagere school waren de klassen groot, waardoor je met een beperkt aantal kinderen contact had. Wel kwamen er joodse kinderen uit Duitsland in de klas. Ik weet nog wel dat de onderwijzer in de zesde klas een keer vroeg wie er katholiek, protestant, of joods was. Daar protesteerde niemand tegen. Toen bleek dat zo'n 35 procent van de klas joods was. Dat ging echt van: 'he, ben jij ook joods?' Natuurlijk had dat met assimilatie te maken.”

Hij staat op om een foto te halen. Een foto van zijn klas op de Meerhuizenschool in Amsterdam-Zuid. “Die kreeg ik op mijn promotiefeest van Jo Polak, de vrouw van de oud-burgemeester. Die foto had ik niet meer, want toen wij in 1942 onderdoken, moesten we alles achterlaten. Toevallig staan alle joodse kinderen op een rij. Nee, ik weet niet of nog meer van hen de oorlog overleefd hebben . . .”

Hij praat liever niet over de oorlog. Het gezin was ondergedoken, maar zijn ouders werden verraden en overleefden de oorlog niet. Zijn oudste broer was betrokken bij de overval op het Amsterdamse bevolkingsregister en werd gefusilleerd.

“Na de oorlog ben ik geschiedenis gaan studeren. Misschien was dat toch de invloed van Presser.” Jacques Presser was zijn geschiedenisleraar geweest op het Vossius Gymnasium en, aan het begin van de oorlog, op het Joods Lyceum. “Maar eigenlijk wist ik helemaal niet wat ik wilde. Ik was helemaal in de war.”

Tijdens zijn studie kwam hij Presser weer tegen, nu als hoogleraar geschiedenis. Henri Polak kwam in die tijd ook zijn leven binnen. “In 1947 ontmoette ik Bram Rozelaar, een ontzettend aardige, intelligente man. Ik liep wel eens door de oude jodenbuurt, maar ik had nooit mensen ontmoet die daar geleefd hadden. Rozelaar vertelde hoe het leven daar geweest was.”

“Hij had Polak meegemaakt en was zeer onder de indruk geraakt van diens niet aflatende pogingen de diamantbewerkers het belang bij te brengen van studie, voor zichzelf en hun kinderen. Daar sprak hij met veel liefde over, maar hij romantiseerde Polak niet. Daarom maakte het indruk op me.”

De tweede, meer indirecte stap naar Henri Polak was de baan die Salvador Bloemgarten als werkstudent aannam. Hij kreeg wel een uitkering voor oorlogsslachtoffers, maar dat was niet meer dan een bijstandsuitkering en hij had ook geen zin meer “om voortdurend m'n handje op te houden”. Hij ging in 1951 werken bij de Bibliotheca Rosenthaliana.

“Daardoor ben ik meer geinteresseerd geraakt in de joodse cultuur en geschiedenis. Een van de dingen die mij na de oorlog bezig hield, was dat van het joodse proletariaat bijna niemand meer over was. Waardoor hun hele geschiedenis is afgebroken. Vandaar ook het onderwerp voor mijn doctoraalscriptie: de Amsterdamse joden tijdens de eerste drie jaren van de Bataafse Republiek. Dat was het begin van de emancipatie van de joden in Nederland.”

Hij studeerde in 1953 af en vroeg een beurs aan bij de Franse regering om de geschiedenis te bestuderen van de joden in Zuid-Frankrijk. “Dat heeft niet zoveel opgeleverd, behalve dat ik beter Frans ben gaan spreken. Maar ik was lekker even weg uit Nederland.” Terug in Amsterdam werkte hij korte tijd bij het Nieuw Israelitisch Weekblad en anderhalf jaar bij Vrij Nederland, maar voor het journalistieke werk vond hij zichzelf niet echt geschikt.

“Daarvoor moet je je snel kunnen orienteren en snelheid is nu eenmaal niet m'n grootste deugd, zoals ook met deze biografie gebleken is. Bovendien raakte ik het hele contact met mijn vak kwijt.” Hij werd leraar op het Spinoza Lyceum. Daarnaast schreef hij muziekrecensies voor het Handelsblad en ging hij zingen, onder meer als 'hulpchazzan' bij de liberaal-joodse gemeente.

Het duurde tot het eind van de jaren zestig voordat Henri Polak weer in Bloemgartens leven kwam. Redenen daarvoor, vertelt hij, waren de behoefte om naast het lesgeven weer zelfstandig onderzoek in zijn vak te doen en de dreiging van een nieuwe massamoord op de joden, voor en tijdens de Zesdaags Oorlog van 1967.

Dat deed hem besluiten het meest recente verleden te onderzoeken van de meest getroffen groep onder de Amsterdamse joden: het proletariaat. Gaandeweg besefte hij, met de verhalen van Bram Rozelaar in zijn achterhoofd, dat een biografie van Henri Polak daartoe een zeer geschikt middel was.

“Nee, verwantschap was geen reden. Ik geloof niet dat ik me verwant voel met de persoon als zodanig. Zo was Polak buitengewoon efficient, kon hij in korte tijd enorm veel werk verzetten. Ik ben toch een ander mens. Wat me aantrok in die man was dat socialisme voor hem niet alleen 'hoger loon' betekende, maar het verheffen van de arbeiders. Dat heeft hij niet alleen geprobeerd, dat is hem grotendeels gelukt ook.”

“Verder had hij een pragmatische instelling. Hij liet zich geen knollen voor citroenen verkopen en durfde onpopulaire standpunten in te nemen. Aan de andere kant was hij ook gelijkhebberig en . . . nee, ijdel zou ik het niet willen noemen, hij was zeer gevoelig voor lof.”

Assimilatie

Nog een verschil tussen beiden is de afkomst. “Polak kwam uit een sterk joods milieu en bleef een hele duidelijke joodse identiteit behouden. Mijn milieu was van huis uit toch veel geassimileerder, zeker de familie van mijn vader. Toen diens grootvader een keer een Seider-avond (avond voor Pesach, het joodse 'pasen') had georganiseerd, holde het hele gezin het huis uit op het moment dat een harmoniekorps de Maastrischtse Servaes-brug over kwam en liet grootvader aan de Seidertafel achter. Dat is assimilatie.”

Uit de biografie blijkt duidelijk dat Salvador Bloemgarten veel respect heeft voor de prestaties van Henri Polak, maar daarnaast zeker oog heeft voor diens minder aangename kanten. “Dat is ook goed”, zegt hij. “Als je alles gaat bewonderen, zie je iemand niet meer in het juiste perspectief.”

Als je zo lang met iemand hebt verkeerd, moet het een raar gevoel zijn om afscheid van hem te moeten nemen. “Ik ben nu nog steeds in de weer met interviews”, zegt Salvador Bloemgarten lachend. “Ik heb nog niet de gelegenheid gehad om de de diepte of de leegte daarvan te peilen.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden