Review

Memoires in de vorm van verhalen

Vanaf zijn debuut in 1962, 'Bericht uit Hollandia', heeft F.Springer zijn boeken consequent voorzien van de mededeling vooraf dat 'Alle personen die in deze verhalen voorkomen, zijn ontsproten aan de verbeelding van de schrijver'. Deze bekende formule betekent over het algemeen dat de verbeelding van de schrijver juist wel berust op wat zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Natuurlijk, hij heeft er een verhaal van gemaakt, maar zijn ervaringen als bestuursambtenaar in Nieuw-Guinea vormden vanzelfsprekend de stof voor dat verhaal. In feite wil de waarschuwing vooraf alleen maar zeggen: leest u wat hierna volgt toch echt als een verhaal, beoordeelt u het niet op eventuele biografische elementen, maar als literatuur.

Kennelijk vond Springer het in 1981, toen zijn roman 'Bougainville' verscheen, niet meer nodig om dat verschil tussen verhaal en werkelijkheid te stipuleren, want vanaf dat moment ontbreekt het zinnetje in zijn oeuvre. Ik heb destijds gedacht dat het wel moest ontbreken omdat in het verhaal van 'Bougainville' zelf het probleem van werkelijkheid en verbeelding aan de orde wordt gesteld. De hoofdfiguur Bo is namelijk, en dit voor het eerst in Springers werk, zowel diplomaat als schrijver, in welke laatste hoedanigheid hij flink aan het worstelen is met de vraag hoe 'het eiland Bougainville op papier te krijgen'.

De roman werd een groot succes -vijftien herdrukken- en maakte Springer tot de veelgelezen schrijver, die in 1990 zelfs geroepen werd het Boekenweekgeschenk, 'Sterremeer', te schrijven. Uit 'Bougainville' spreekt ook een zeker zelfbewustzijn met betrekking tot het eigen schrijverschap en de moeilijkheden die daaraan verbonden zijn. Was Springer daarvoor een gevoelige en tegelijk gedistantieerde verhalenverteller, denk aan het verrukkelijke 'Tabee, New York' en het geestige 'Zaken overzee', daarna trad als het ware de verdieping in en werd het schrijven zelf en de bedoelingen die er achter dat schrijven schuilgingen een kwestie. Steeds duidelijker werd het dat Springer een, zoals hij het zelf een keer noemde, 'nuchtere nostalgie' aankleefde. De ondertitel van 'Bougainville' luidde dan ook: 'Een gedenkschrift'.

Het loont de moeite om zijn onderschriften eens op een rij te zetten: Een politieke legende, Een gedenkschrift, Een relaas, Een romance, Een terugtocht. Het eerste hoort bij een buitenbeentje in dit oeuvre, de expres aan de actualiteit onttrokken en zeer algemeen gehouden parabel 'De gladde paal van de macht'. De vier volgende hebben alle iets van doen met het verleden, de 'romance' 'Sterremeer' wordt bovendien opgedragen aan twee personen die de 'kleine passagiers van weleer' heten. 'Bandoeng-Bandung', zonder ondertitel, is blijkens de opdracht in eerste instantie bestemd 'Voor de klasgenoten van toen'. Al deze signalen wijzen erop dat Springer iets op papier wil krijgen dat moeilijk te vatten is en te maken heeft met vroeger, met vriendschap, liefde, met het verstrijken van de tijd en met trouw aan het eigen verleden.

Lezend in zijn meer dan duizend bladzijden tellend 'Verzameld werk' valt meteen op dat nu de waarschuwingen vooraf zijn vervallen, maar niet de plaats en datering van het schrijven aan het eind van de tekst. Dat betekent dat Springer eraan hecht zijn boeken biografisch te verankeren: Fak-Fak, 1958; Wamena, Baliemvallei, 1960; New York, 1965; Bangkok, 1969; Dacca, Bangladesh, 1973 enzovoorts. Het diplomatenleven, het leven van Carel Jan Schneider, die al vroeg het pseudoniem F.Springer aannam, is als een onderstroom via deze plaatsnamen en jaartallen in de verbeeldingswerelden van zijn boeken aanwezig.

Plaats en tijd, precisie, het juiste woord, de juiste toon, nuchterheid naast sentiment, distantie samen met melancholie -in deze opzichten spant het proza van Springer de kroon. Hij heeft zelf in interviews vaak gezegd hard te werken op de eerste zin en het valt op dat ze meestal duidelijke tijds aanwijzingen bevatten en ook vrijwel altijd plaatsaanduidingen. De eerste zin van het debuut bewijst dat al: ,,Woensdagmiddag om twee uur liepen wij de kampong Jetty binnen''. Geen enkele beginzin is gesteld in de tegenwoordige tijd, het is een en al verleden tijd wat de klok slaat. Springer schrijft in de vorm van verzonnen en gelogen verhalen zijn eigen memoires.

Zijn stijl is fameus. Beginzin 'Sterremeer': ,,Felix Sterremeer leerde ik kennen toen wij allebei achttien waren, in een door natte regenjassen en jongensgeur bedompt wachtlokaal van de militaire keuringsdienst, niet ver van Station Hollands Spoor, in een immer droef stemmende Haagse buurt''. Naam, leeftijd, sfeertekening, locatie, plek op de wereld. En een ikverteller die zich vast en zeker enigszins als buitenstaander in zijn eigen verhaal zal opstellen. In zulke beginzinnen ligt een geschiedenis besloten die over vele jaren heen reikt. Altijd weet Springer, de diplomaat-schrijver, zijn Indië, Indonesie, New York, Teheran, Bougainville, Kandy en waar hij het zich ook maar laat afspelen, een prachtige rol te laten spelen. Wat dat betreft heeft hij veel van Gerrit Krol, die ook altijd met veel verve locaties over de hele wereld inzet om zijn verhaal letterlijk vaart en reikwijdte te geven.

Met de echte literatuur, ik bedoel de literatuur die zichzelf graag met een hoofdletter ziet geschreven, heeft Springer weinig op. Hij spreekt zelfs wat raillerend over ingewikkeld in elkaar gestoken boeken, met veel leesniveaus en verwijzingen, terwijl 'Bougainville' bijvoorbeeld bepaald geen ondubbelzinnige en simpele compositie heeft en ook nog eens veel verwijzingen naar schrijvers bezit, naar Multatuli vooral. In een lezing, een paar jaar geleden in Leiden gehouden, die handelt over 'Vroege leermeesters', vraagt hij aandacht voor literatuur met een kleine l, vermoedelijk in de overtuiging dat zijn eigen literatuur door de liefhebbers van de grote L gerekend wordt tot die met de kleine l. Hij zei toen: ,,En dan zijn er de schrijvers die vertoeven in een soort grensgebied tussen de echte oftewel grote-mensenliteratuur en de ontspanningslectuur. De literaire scherprechters willen hen best als 'goede vertellers' kwalificeren, maar een grote L krijgen zij toch zelden opgeplakt. Populariteit, veel gelezen zijn, goed verkocht worden - volgens de geleerden mogen dat geen redenen zijn om zo'n auteur zonder meer tot de hogere letterkunde te rekenen.''

Dit zei hij als gastschrijver aan de Leidse Letterenfaculteit. De schrijvers die hem interesseren zijn geen Nederlandse, maar buitenlandse schrijvers die 'kristalhelder, zonder bombast, zonder schijnbewegingen, maar recht op de man af' schreven: Guy de Maupassant, F. Scott Fitzgerald, W. Somerset Maugham en Arthur Schnitzler. Ooit noemde hij wel Nederlandse schrijvers die hij kon waarderen, zoals Willem Elsschot, Nescio, E. du Perron en Multatuli.

Springer hoeft zich met dit magnifieke 'Verzameld werk' geen zorgen te maken, of hij het nu wil of niet, hij is opgenomen in de eredivisie van de Nederlandse schrijvers met een grote L of een kleine l, maakt niet uit. Zijn lezers, tot wie ik mij reken, dragen hem op handen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden