Review

Melville en de moed om pessimistisch te zijn

Herman Melville: De maskerade. Vert. Anneke Brassinga. Verschijnt volgende week bij Athenaeum/Polak & Van Gennep, Amsterdam; geb., 344 blz. - ¿ 55.

Blij dat ze er een bekende bij hadden, of gewoon omdat ze te verbouwereerd waren om nee te zeggen, antwoordden de meeste vreemdelingen 'ja'. Ze zagen hun horloge nooit terug.

Het bleef niet bij een krantenbericht over the confidence man (de oplichter, iemand die misbruik maakt van vertrouwen). Al snel werd hij een begrip, waaraan iedere New Yorker de gedachte verbond: vertrouw niemand! Het kwaad komt niet alleen als een dief in de nacht, maar ook op klaarlichte dag, gekleed in een net pak.

Maar Amerika zou Amerika niet zijn als er niet ook een optimistische kant aan het verschijnsel werd ontdekt. Wees blij dat je bedrogen kunt worden, was de strekking van een artikel van de criticus Evert Duyckinck in The Literary World. Iemand die altijd maar op zijn hoede is, zich nooit laat verleiden tot welke zwakheid dan ook, is toch niet meer dan een wandelende ijsberg in een even harde samenleving. Hoorde het niet tot de deugden van de (pioniers)geest dat een mens zelf ontdekte wat goed is en wat kwaad?

Een van degenen die het bericht en de gedachten van Duyckinck tot zich namen, was Herman Melville (1819-1891). Nadat hij van zijn 16e tot zijn 25e gevaren had, was hij, pas getrouwd, in 1847 in New York komen wonen om daar een schrijversloopbaan op te bouwen. Nu, twee jaar verder, had hij net zijn eerste grote roman, 'Mardi', gepubliceerd.

Geheel in de stijl van zijn lovend ontvangen avonturenverhalen 'Typee' (1846) en 'Omoo' (1847) begon 'Mardi' 'realistisch' met een reis naar de Stille Zuidzee, maar daar bleef het niet bij. Het boek eindigde, zeer bizar, in een allegorische droomwereld. Een vreemde, onbegrijpelijke mengelmoes van dromen, beelden en dialogen waar de gemiddelde Amerikaanse lezer geen touw aan vast kon knopen.

De kritieken waren dan ook niet mals. Charles Gordon Greene van de Boston Post noemde het boek een ratjetoe. “Het zou kunnen dat de schrijver zo intelligent is dat zijn werk alle begrip te boven gaat”, maar meer voor de hand lag het dat Melville 'gewoon een berg onzin' had geschreven.

Alleen Duyckinck, met wie Melville bevriend was geraakt, bleef in de klasse van 'Mardi' geloven. Tegen de traditie in van een literatuur die vooral om het fenomeen 'gevatheid' werd gewaardeerd, brak hij een lans voor de 'Amerikaanse zeeman die het aandurfde om een reis te maken naar de diepste drijfveren van de mensheid'. Melville beheerste de satire als Jonathan Swift en zijn reis was niets minder dan een echo van Thomas Mores poging Utopia te vinden.

In die periode dus verscheen het berichtje over the confidence man. Het moet koren op Melvilles molen geweest zijn. Als er ergens gespeeld kon worden met begrippen als fictie en werkelijkheid, waarheid en leugen, goed en kwaad, zoals hij graag deed, dan was het hier wel. Toch zou het meer dan zeven jaar duren voordat Melville het bericht tot roman promoveerde.

Het nu door Anneke Brassinga eenvoudig en helder, bijna 'klassiek' in het Nederlands vertaalde 'The Confidence Man, His Masquerade' is het caleidoscopische verhaal van een kosmopoliet die op 1 april (All Fools' Day!) aan boord stapt van het passagiersschip Fidele om de Mississippi af te varen, van Saint Louis naar New Orleans.

Onderweg houden zijn Christus-achtige verschijning en optreden de andere reizigers in de ban met schijnbaar absurde verhalen en levensvragen. Het grote thema (zie de New York Herald) is de vraag wie en wat je in deze gevallen wereld kunt vertrouwen. Als de kosmopoliet aan het eind van het boek in de kajuit van de Fidele een oude man tegenkomt die in de Bijbel leest, wordt pas duidelijk hoe groot de verwarring kan zijn.

“Zie toe dat uwe eenvoudigheid u niet bedriege”, staat er. “De vijand geeft wel goede woorden ... als hij u nodig heeft, kan hij u fraai bedriegen en lacht u toe ... tot hij u van het uwe berooft, en u op het laatste bespot. Daarom wacht u, en ziet wel voor u. Als u deze dingen hoort, ontwaak in uw slaap.”

Het lijkt alsof het de laatste waarheid is, maar dan blijkt dat de tekst apocrief is en wordt de strekking opeens dubieus. Kortom, niets is zeker, en het leven een grote maskerade, waarbij niemand ooit werkelijk weet wat iemands motieven zijn, noch die van de Schepper.

Waarom het zolang duurde voordat Melville aan 'The Confidence Man' begon, is niet helemaal duidelijk. Het is jammer dat het tweede deel van Hershel Parkers grote biografie van Melville nog niet af is. Nu moeten we het doen met de paar opmerkingen die hij in het vorig jaar verschenen eerste deel over het bedoelde krantenbericht maakt, en met de gedachte dat de ontvangst van 'Mardi' Melville en zijn Engelse en Amerikaanse uitgevers niet direct naar nog zo'n experiment en risico deed verlangen.

In de vaste overtuiging dat hij zijn verdere leven ook werkelijk zijn brood met schrijven wilde verdienen, was het Melville er in 1849 vooral aan gelegen, het geschonden vertrouwen van zijn uitgevers en oude fans te herstellen.

In een mum van tijd schreef hij twee bestsellers in de trant van 'Omoo' en 'Typee'. Eerst voltooide hij binnen twee maanden 'Redburn', een roman gebaseerd op de herinneringen aan zijn eerste zeereis naar Engeland in 1836. Nog geen jaar later pakte hij opnieuw uit met 'White Jacket' (1850), over de lotgevallen van een matroos op een Amerikaans oorlogsschip. De kritieken waren lovend, de verkoopcijfers stegen. Maar hoe sterk zijn comeback ook was, zowel financieel als inhoudelijk schonk het Melville allemaal minder bevrediging dan hij had gehoopt.

Om niet verder in de schulden te raken en zich helemaal op zijn werk te concentreren, verhuisde hij in 1850 met zijn vrouw Elizabeth en hun pasgeboren zoon Malcolm van het dure New York naar Pittsfield in Massachusetts. Daar begon hij aan een boek over de avonturen rond een grote witte walvis, waarover de wildste verhalen de ronde deden. Hoewel hij aanvankelijk alle risico's van 'Mardi' wilde omzeilen, veranderde hij zijn thematiek gaandeweg toch. Onder invloed van Nathaniel Hawthorne, die ook in Pittsfield woonde, keerde hij terug naar het experiment.

Toen 'Moby Dick' in 1851 verscheen, was Melville opgetogener dan ooit. Eindelijk dacht hij de ideale combinatie gevonden te hebben van avonturen- en ideeënroman. Maar opnieuw reageerden de critici, op Duyckinck na, onbegrijpend en bot. In het New Monthly Magazine werd Melvilles stijl afgedaan als 'maniakaal, brabbelend, krijsend, gillend als een ongeneeslijke gek, die zich niets meer van zijn verpleger of dwangbuis aantrekt'.

De reden van de slechte kritieken, eerst op 'Mardi', toen op 'Moby Dick' en later op 'The Confidence Man' (ja, ook dat werd een drama), moet vooral gezocht worden in het grenzeloze optimisme van de Amerikaanse samenleving. Het was een wereld waarin voor pessimisme geen plaats was. En dat was nu net wat er bij Melville van afdroop.

Aan de combinatie van een streng puritanistisch denken en een sterk door de Frontier bepaald vooruitgangsgeloof ontleenden Amrikanen de overtuiging dat God altijd aan hun kant stond en dat het goede uiteindelijk altijd overwon. Melville liet het tegendeel zien. Mensen waren niet alleen maar goed of slecht, maar beide, en volkeren waren niet alleen maar primitief of beschaafd. Nee, ondanks alle verschillen in kleur en gewoonten werden ze allemaal gedreven door dezelfde drift om de eerste of de sterkste te zijn.

En God zelf? Met Hem worstelde Melville (via zijn moederskant een Gansevoort: een oud, rijk, Nederlands en in New York invloedrijk protestants geslacht) zijn hele leven als Jacob aan de Jabbok. De Eeuwige Vader was voor Herman niet alleen maar groot, wit en het symbool van onuitsprekelijke liefde. Hij was ook toornig en ongenaakbaar en onbegrijpelijk wreed.

Het typisch Amerikaanse happy end was dan ook niet aan hem besteed. 'Mardi' loopt slecht af met het zinken van het oude schip de Parki. 'Moby Dick' loopt slecht af omdat de kapitein van een walvisvaarder, Achab, zich koste wat het kost wil wreken op de Witte walvis (Moby Dick), die er ooit voor gezorgd heeft dat hij zijn been verloor.

En ook in 'The Confidence Man' wordt de lezer op het verkeerde been gezet. Het boek houdt plotseling op, zonder dat er iets gebeurd of opgelost is. Net als Achabs schip de Pequod, wordt de Fidele bevolkt door allerlei soorten figuren en karakters uit alle windstreken. De symboliek is helder: in haar blindheid om te overleven of vooruit te komen gaat de mensheid, om dat grote woord maar te gebruiken, onherroepelijk ten onder, als een schip op weg naar de afgrond.

Het lijkt soms wel of Melville met het anti-Amerikaanse Experiment dat hij met 'Mardi' begon en met 'The Confidence Man' zo hardnekkig tot bijna in het absurde doorvoerde, moedwillig de ondergang koos. De kritiek op zijn laatste grote roman was nog harder dan voorheen. 'Een overspannen poging extreem en origineel te zijn', meer was zijn versie van Sebastian Brants vijftiende-eeuwse 'Das Narrenschiff' niet, vonden de kenners.

De kritiek betekende het einde van Melvilles schrijversloopbaan. Gedesillusioneerd zocht en vond hij in de jaren zestig werk als douanebeambte in de New-Yorkse haven. Nadat hij ook nog zijn zonen Malcolm en Stanwix had verloren, trok hij zich met Elizabeth en zijn twee dochters terug in een grauwe woning in Oost-Manhattan. Letterlijk, want op het laatst kwam hij de deur niet meer uit omdat hij het daglicht niet langer kon verdragen. Zijn dood in 1891 ging onopgemerkt aan de wereld voorbij. Pas in 1924 werd zijn laatste boek, 'Billy Budd', postuum uitgegeven. O Melville, o mensheid!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden