Review

Meekijken met een koele polderdokter

Ruim honderd jaar geleden hoefde je in een gebied als de Hoekse Waard niet bang te zijn dat de dood je zou vergeten. Al voor de geboorte stond magere Hein je in het duister op te wachten met stinkende sloten, een totaal gebrek aan hygiëne en goed drinkwater, in combinatie met levensgevaarlijke artsenij. Malaria, tyfus, difterie en de pokkenepidemie van 1883-1884 sleepten een groot aantal eilandbewoners ten grave. In religieuze kringen verergerde men dit probleem door te propageren dat vaccinatie tegen de pokken moest worden geweigerd. In zijn proefschrift over het dagboek van de Oud-Beijerlandse arts dr. Johan Hers (1854-1915) biedt de historicus Philip Perneel een uitstekend beeld van een plattelandspraktijk omstreeks de eeuwwisseling. 'Een dominee bij het bed bedierf wat de dokter met moeite had bereikt', vond Hers. Daarom kon je een dominee maar beter weghouden bij je patiënten.

Het zorgvuldig bewaarde dagboek, bestaande uit 27 delen, lag op zolder bij Hers' kleinzoon in Oegstgeest. De in totaal 5630 bladzijden bevatten notities vanaf de eerste dag van Hers' praktijk op 9 mei 1881 tot een paar maanden voor zijn dood in 1915. Perneel (1951), geschiedenisleraar aan wat vroeger de Rijks-HBS in Oud-Beijerland was (de school die mede op initiatief van Hers werd opgericht), zag er onmiddellijk de waarde van in. Als een monnik heeft Perneel 7144 gevallen onderzocht, waarnaar hij uitgebreid verwijst in het notenapparaat. Gelukkig is het geen droge opsomming geworden. Perneel geeft een levendige en realistische beschrijving van de bezigheden van een polderdokter omstreeks 1900, waarbij je als lezer meer dan eens het gevoel krijgt dat je met de dokter meekijkt naar zijn patiënten.

Johan Hers is telg uit een doktersgeslacht, waarvan al minstens zes generaties arts zijn. Hij is op 14 mei 1854 geboren in Herkingen op Goeree-Overflakkee, waar zijn vader Floris plattelands heel- en vroedmeester was. Johan was de oudste van vier kinderen. Zijn jongste broer stierf toen deze nog geen jaar oud was op kerstdag 1857. Twee maanden later overleed zijn moeder. Ze was op een zondag naar de kerk gegaan, kreeg hoofdpijn en een dag later was zij dood. Volgens zijn vader was de doodsoorzaak waarschijnlijk meningitis epidemica (nekkramp) of encefalitis (hersenontsteking). In de eerste jaren daarna zorgde tante Dina, de jongste zus van zijn vader, voor het gezin. Toen deze trouwde nam de dienstbode Jannetje van Putten die taak van haar over. Jannetje was van haar 24ste tot 77ste jaar in dienst van Floris Hers.

Na de lagere school in Dirksland ging Johan in 1868 met zijn twee jaar jongere broer Jan Adrianus (de latere plattelandsarts uit Ooltgensplaat) naar de pas geopende Gemeentelijke HBS in Dordrecht. De jongens woonden bij de ongetrouwde tante Elisabeth, een halfzuster van hun vader. De veertienjarige Johan kwam in de tweede klas. In 1872 trok hij naar Leiden om medicijnen te studeren. Daar werd hij lid van het studentencorps. In het begin veranderde hij vaak van kamer en was hij bang dat hij het niet kon bolwerken. Hij studeerde niettemin vlot en in 1877 werd hij praeses van Trans-Flacqaeana et Goedereeda, een streekgezelschap dat twee jaar eerder in Leiden was opgericht. In 1878 slaagde hij voor zijn artsexamen en promoveerde drie maanden later tot doctor in de geneeskunde op 'Over vergroeiingen tusschen vrucht en placenta en hare gevolgen'.

In plaats van de wetenschap verkoos hij de plattelandspraktijk om de gezondheidstoestand van de bevolking te kunnen verbeteren. Hers was een liberaal maar, in tegenstelling tot zijn plaatsgenoot en collega dr. Kommer Lodder, niet politiek actief. Wel was hij regelmatig voorzitter van commissies, bijvoorbeeld voor de aanleg van een drinkwatervoorziening of de verbetering van een afvalverwijderingssysteem. Vermaard waren zijn heldere klinische voordrachten voor de plaatselijke afdeling van de Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Hers hield zijn vak bij door het lezen van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, het bijwonen van lezingen in Leiden en de wekelijkse nascholing in het Rotterdamse Coolsingelziekenhuis. Vanaf 1904 diagnosticeert Hers aarzelend de eerste blindedarmontsteking. Pas na 1905 meldt hij de voor deze ontsteking karakteristieke loslaatpijn.

Omdat er nog nauwelijks specialisten bestonden trad Hers op als chirurg en vrouwenarts in de polder, zo nodig geassisteerd door Lodder of een andere collega van de Zuid-Hollandse Eilanden, bijvoorbeeld zijn zwager Isaac Hage uit Zuidland (Voorne Putten). Hers deed tangverlossingen in de bedstee, opereerde beklemde liesbreuken op de keukentafel en voerde tracheotomieën uit om verstikking door difterie te voorkomen, wat maar 3 van de 12 patiënten overleefden. Aanvankelijk werkte hij veel met chloroform en voor plaatselijke verdoving gebruikte hij cocaïne. Verdoving werd echter tot een minimum beperkt. Als patiënt liep je een groot risico. Niet vreemd dat patiënten regelmatig een operatieve ingreep weigerden.

Als meest voorkomende ziekten vermeldde Hers luchtweg-, reumatische en huidaandoeningen. Voor erfelijke tuberculose, hemofilie en psychische aandoeningen had hij speciale belangstelling. Dat Hers veel verstand had van psychiatrie mag bijzonder heten, omdat Leiden pas in 1899 de eerste hoogleraar voor dat vak mocht verwelkomen, namelijk Gerbrand Jelgersma. Toch was Hers goed op de hoogte van de psychiatrische terminologie van zijn tijd. In de papieren turfde Perneel 19 gevallen van hysterie, tienmaal neurasthenie, driemaal melancholie en een enkele keer hypochondrie. In 1909 gebruikte Hers voor het eerst de diagnose dementia praecox (nu schizofrenie genoemd).

Juist de psychiatrische patiënten zijn de moeite waard omdat Hers hen woordelijk citeert. Illustratief is de 21-jarige vrouw die hij in mei 1887 liet opnemen in het krankzinnigengesticht in Dordrecht. ,,Ze was al geruime tijd stil, verbeeldde zich dat zij niets kon, alles slechter deed dan een ander, dat men haar niet mocht, vandaar huilpartijen, beweringen dat anderen wat van haar zeiden. Bij mijn bezoek in de nacht van 22 op 23 mei zei ze op mijn vraag hoe het ging: 'Dat zou jij niet weten, ik moet niets van je hebben, hou maar geen praatjes. Het is jouw schuld', (en op de familie wijzend) 'en van jou en van jou'. Opeens sprong ze van bed en schreeuwde: 'Ik ga me verzuipen, ik zal mijn hals afsnijden'.

Hers stuurde psychiatrische patiënten naar Loosduinen, Delft en Dordrecht. Hij vond dat er nog een gesticht bij moest komen in de buurt van Leiden. Dat gebeurde in 1897 toen Endegeest zijn deuren opende. Maar dat in 1909 het veel dichterbij gelegen Maasoord te Poortugaal (thans Delta Psychiatrisch Ziekenhuis) werd geopend, is hem kennelijk ontgaan. Perneel vond niet één keer een verwijzing van een patiënt naar dit gesticht aan de Oude Maas.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog raakten veel gezinnen hun kostwinner kwijt. Op 5 augustus 1914 werd Hers voorzitter van een ondersteuningsfonds voor deze gezinnen. Op 14 oktober van datzelfde jaar kwamen de eerste Belgische vluchtelingen in Oud-Beijerland aan. Spoedig werd een commissie in het leven geroepen voor de opvang van een honderdtal Belgische vluchtelingen. Het zou Hers' laatste publieke optreden worden.

Op 31 juli 1915 vroeg hij ontslag als gemeentearts, vanwege een ernstige ziekte waarvoor hij in het Antoni van Leeuwenhoekhuis in Amsterdam werd behandeld. Vermoedelijk leed hij aan maagkanker. Hij stierf op 28 september in Rotterdam en werd op Crooswijk begraven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden