Review

Maurits oefende met tinnen soldaatjes

'Tien jaren uit den tachtigjarige oorlog' (1857) is nog steeds het lezen waard. Dankzij Fruins gevoel voor drama.

Jan Kuijk

Het jaar 1588. De toestand van de opstandige noordelijke Nederlanden is hachelijk. Het grootste deel van het land is in handen van Parma, de bekwame veldheer van de Spaanse koning Filips II.

De opstandelingen kunnen daar geen duidelijke leider tegenover stellen. De Engelse graaf van Leicester is geen succes gebleken en in 1587 naar Engeland teruggegaan. De Staten-Generaal hebben de soevereiniteit maar aan zichzelf getrokken.

En in een poging om definitief af te rekenen met zijn twee grootste tegenstanders, Engeland en de Nederlanden, stuurt Filips II een geweldige oorlogsvloot, de Armada, naar de Noordzee.

De toestand lijkt hopeloos. Maar dan begint zich een kentering af te tekenen: Met de Armada loopt het door Spaanse blunders verkeerd af. In Holland ontpopt Oldebarnevelt zich als een behendig politiek leider, ook op buitenlands terrein.

En de jonge prins Maurits van Oranje mag delen in de militaire (vooral strategische) kennis die zijn zeven jaar oudere neef, stadhouder Willem Lodewijk in Leeuwarden, zich door vlijtige zelfstudie heeft verworven. Maurits maakt er al snel goed gebruik van.

Niet voor niets beschouwde de grote historicus Fruin de jaren 1588-1598 als beslissend voor de opstand van de Nederlanden in de 16de eeuw, en daarmee voor het ontstaan en voortbestaan van de Republiek. Hij schreef er, helemaal aan het begin van zijn loopbaan, een boek over: 'Tien jaren uit den tachtigjarige oorlog (1588-1598)'. Het is de eerste klassieker uit de wetenschappelijke, vaderlandse geschiedschrijving.

Robert Fruin is de vader van de geschiedwetenschap in Nederland. Daar zijn de grootmeesters het over eens. In een notitie van Huizinga uit 1940 heet Fruin 'de grootste Nederlandse historicus'. Om verdere discussie te voorkomen, voegt Huizinga er nog aan toe 'en niemand betwist dat'. En tien jaar na Huizinga's karakteristiek meende Jan Romein dat de Nederlandse historici moesten erkennen dat zij allen 'voortgekomen zijn uit de toga van Fruin'.

Maar het gekke is dat Nederlands grootste historicus met uitzondering van de 'Tien jaren' zelf geen grote systematische werken heeft nagelaten. Huizinga, toch niet zuinig met zijn lof, noemt hem zelfs 'de man van één boek'. Fruin doceerde, leidde studenten op in scrupuleus archiefonderzoek en fijnzinnige afweging, Fruin stelde de norm. Maar zelf kwam hij na de 'Tien jaren' niet meer verder dan tien dikke delen met detailstudies. Hij voelde zich behaaglijker als geschiedvorser dan als geschiedschrijver.

De eerste druk van de 'Tien jaren' verscheen, héél bescheiden, in 1857 als bijlage bij het jaarverslag van het Leids gymnasium. Bij Fruins leven volgden er nog vijf drukken, die hij steeds zorgvuldig heeft bijgewerkt en aangevuld.

Gelukkig maar. Want de 'Tien jaren' zijn nog steeds de moeite waard. Fruin heeft er - al vertellend - kennelijk plezier in gekregen: tussen de grote lijnen door, neemt hij de ruimte om in detail te vertellen hoe Willem Lodewijk en de jonge prins Maurits op een grote tafel in een serieus spel met tinnen soldaatjes de juiste linies en slagorden opzochten.

Hun spel loonde: het leger werd gereorganiseerd, de tucht hersteld, de soldaten werden aan het werk gezet bij het opwerpen van schansen bij de belegering van steden. Kwaad beklaagden de Spanjaarden zich in 1592, na het beleg van Steenwijk, dat zij niet met wapens, maar met schoppen waren overwonnen.

Al zouden de kansen in de jaren daarna zo nu en dan nog wisselen, de in 1591 begonnen veldtocht van Maurits en Willem Lodewijk had tot resultaat dat in 1598 'de tuin gesloten was'. In grote lijnen was het Nederland zoals wij het nu kennen vrij, met uitzondering van grote delen van Brabant en Limburg.

Het is allemaal bij Fruin terug te vinden, levendig beschreven tegen de achtergrond van het wat chaotische en onhandige, maar toch functionerende en zelfs bewonderde staatsbestel van de Zeven Provinciën.

,,De geschiedschrijver moet soortgelijke talenten bezitten als de dramatische dichter'', zei Fruin in een lezing uit 1858. Hij doelde op de bewonderde Shakespeare die het vermogen had zich geheel in zijn personages, de goeden en de kwaden, in te leven. Van dat talent geeft ook Fruin blijk - hij heeft zelfs een goed woord over voor Filips II, al zou hij het wel uit zijn hoofd laten zich met Shakespeare te meten.

Hij mocht zich gelukkig prijzen dat het jaar 1619 buiten zijn tien jaren viel, het jaar waarin zijn hoofdpersonen, Oldenbarnevelt en Maurits, elkaar te lijf gingen. En waarin Oldebarnevelt onthoofd werd en diens bloed 'de grote krijgsheld bezoedelde met wie hij zoveel zorgen en zoveel roem gedeeld had' (Maurits). Wie Fruins portretten van Oldebarnevelt en Maurits leest, voelt hoe hij zich in die niet beschreven dramatiek heeft ingeleefd.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden