Maud Vanhauwaert: ‘Steeds als iets af is, heb ik het gevoel dat ik het nóg eens moet proberen. Die paradox is de motor van alles wat ik maak.'

InterviewMaud Vanhauwaert

Maud Vanhauwaert: ‘Verbeelding kan je uit de misère trekken’

Maud Vanhauwaert: ‘Steeds als iets af is, heb ik het gevoel dat ik het nóg eens moet proberen. Die paradox is de motor van alles wat ik maak.'Beeld Joris Casaer

Maud Vanhauwaert houdt zowel van het podium als van ‘het platte papier’. En van het scherm: ‘Mensen durven via de chat sneller vragen te stellen dan in een zaal.’

Maud Vanhauwaert houdt een foto voor de camera. Een beeld in zwart wit van een winters geklede man en een vrouw. Ze kijken stemmig. De personen op de foto zijn beeldend kunstenaar Bram Rombouts en zijzelf, staand bij het ‘Motorarium’, een reutelende dieselmotor als speels protest: de motor zou voor de laatste keer ronken. Hier werd afscheid genomen van de fossiele bandstoffen.

Maar dat is niet waarom ze de foto toont. “Had je die mondkapjes gezien? Die hadden we natuurlijk op vanwege de stank en de giftige dampen. Toch bizar”, zegt Vanhauwaert, “ik ben geen visionair, maar het is of er zoveel vooruitwijzingen naar de coronacrisis in dat boek staan.”

Beluister via onderstaande speler het gedicht Maar morgen!, dat Maud Vanhauwaert schreef voor Trouw. Vorige week was de beurt aan Ingmar Heytze. 

Dat boek is Het stad in mij, een vrolijke catalogus met gedichten, foto’s, columnachtige teksten. Een schuimend verslag van twee jaar Antwerps stadsdichterschap. Ze bladert verder, houdt nog een foto omhoog. In beeld verschijnt de regel ‘soms is het gewoon wachten’, die groot is aangebracht op de oude droogdokken van Antwerpen, waar vroeger schepen werden hersteld.

“Die regel kwam in de eerste lockdown vaak op Instagram voorbij. Mensen wisten niet dat ik die woorden schreef speciaal voor die plek. Ze waren ineens van toepassing op iedereen. We zaten allemaal in hetzelfde schuitje, iedereen kon alleen maar wachten. Ik vind het mooi hoe poëzie werkt. Dat een gedicht door veranderde omstandigheden nieuwe betekenissen kan krijgen.”

De Vlaamse Maud Vanhauwaert (1984) debuteerde als dichter in 2011, met Ik ben mogelijk. Na het verschijnen van haar tweede bundel, Wij zijn evenwijdig (2014), merkte de jury van de VSB Poëzieprijs op: “Ze dicht zo goed voor de mensen hier en nu, dat ze ook overmorgen nog gelezen wordt”.

De dichter, die zowel van het podium houdt als van het ‘plat papier’, praat opgewekt en bedachtzaam vanaf de zolder van haar Antwerpse huis. Het stad in mij staat op de longlist voor de Grote Poëzieprijs. Ook de Nederlandse lezers vielen voor haar gedichten, voor het enthousiasme waarmee ze schrijft over poëzie en over de vele projecten die ze in 2018 en 2019 initieerde als negende stadsdichter van de Belgische havenstad. Twee jaar liep ze van hot naar her. Alle ideeën die in laatjes verstopt zaten of in haar hoofd borrelden, voerde ze uit. Dit was het moment, zo vond ze, om de grenzen van poëzie buiten het papier ten volle te verkennen.

Kort nadat ze het stokje overdroeg, kwam de lockdown. De theaters gingen dicht. Optreden deed ze vooral vanaf de zolder waar ze nu ook zit. Een spannende plek. Achter haar is een houten laddertje zichtbaar, het leidt naar de nok van het huis. “Wie zouden er allemaal over naar boven zijn geklommen? vraag ik mij weleens af. Wat zou daar zijn uitgevogeld en bedisseld? Al die eeuwen, al die mensen die hier hebben gewoond, die meerlagigheid, dat prikkelt mij.”

Over vooruitwijzingen gesproken, ergens in Het stad in mij fantaseer je hoe je via online kanalen zou kunnen spelen met de grens tussen fictie en realiteit. Hoe is het als zo’n fantasie werkelijkheid wordt?

“Online communicatie zorgt voor afstandelijkheid, voor fake news, maar het biedt ook nieuwe mogelijkheden. Je kunt iets verbeelden, zonder dat je het in het echt hoeft uit te voeren. Bovendien is voorlezen, hier, vanaf mijn werkplek, best intiem. Mensen durven sneller vragen te stellen via een chat, dan in een zaal. En ik kan er van alles bij pakken. Kijk, mijn poëziekoffertje!” Ze vist er een viewmaster uit, er past een gedicht in over uitzicht en vooruitzicht. En een spiekpen met een gedicht erin – “In mij staart/ nog altijd dromend een kind uit het raam.” – ideetjes, ‘fratsen’ noemt ze ze zelf, die vorm kregen in de periode van het stadsdichterschap.

“Zelf had ik wel behoefte aan stilstand. Ik ben heel graag bezig, maar het tempo waarin ik dat deed, viel niet vol te houden. Nu ik tot stilzitten werd geforceerd, viel ik voor het eerst sinds lang weer samen met mijn hartritme. Al realiseer ik me dat ik spreek vanuit een luxe positie, ik heb geen zorgen over geld, er is hier in België een financieel vangnet voor kunstenaars. Maar voor het gros van de mensen is deze periode verschrikkelijk. Mensen zijn eenzaam, zien hun zaak ten onder gaan, hollen zich juist voorbij omdat ze in de zorg werken.”

Op de ochtend van het gesprek is de Poëzieweek net voorbij. ‘Samen’ was het thema van de week. Vanhauwaert schreef, met Rodaan al Galidi, het Poëzieweekgeschenk en met de Vlaamse omroep VRT nam de dichter het initiatief om tijdens de Poëzieweek mensen bijeen te brengen via een gedicht. Ze zocht passende gedichten bij bijzondere levensverhalen, en kwam zo ook bij een 82-jarige kapper aan de deur, een man die door corona zijn werkzaamheden had moeten stoppen. Ze bracht voor hem het gedicht ‘Kapper’ mee, van Luuk Gruwez.

Hoe reageerden mensen als jij ze een gedicht kwam brengen?

“Dit project was voor poëzielezers, maar ook voor mensen die normaal nooit met poëzie in aanraking komen. De kapper kreeg tranen in zijn ogen toen ik hem het gedicht voorlas, alsof het voor hem was geschreven. Ik zie in elk gedicht een uitgestoken hand of een verlangen naar een wezenlijke ontmoeting met de ander. In een tijd waarin we geen effectieve handen kunnen geven, kan poëzie voor verbinding zorgen.”

Toch noem je taal ook een ‘lastig medium’ dat ware ontmoetingen in de weg staat?

“Taal is krachtig en machteloos tegelijk. Eén Twitter-bericht van Trump kon de wereld in beweging brengen. Maar tegelijk zorgt net taal voor veel misverstanden. Een prachtig gedicht van Bette Westera bijvoorbeeld, kan kinderen die in coronatijd hun moeder verloren, wel diep ontroeren, maar nooit ten volle troosten. Poëzie is altijd een poging. Als dichter probeer je om in taal iets te vangen van het wezenlijke, maar uiteindelijk slaag je daarin nooit helemaal.

Misschien was ik beeldend kunstenaar geworden als ik met klei had kunnen werken, of met potloden, want ik voel me vooral een beeldend maker. Maar taal is het enige materiaal waarmee ik overweg kan. In taal probeer ik beelden te boetseren en te zeggen hoe weinig je eigenlijk kunt zeggen met taal. Dat maakt dat in elk gedicht ook een mislukking zit. Net dat ontoereikende van taal blijft mij ontroeren en drijft mij voort. Steeds als iets af is, heb ik het gevoel dat ik het nóg eens moet proberen. Die paradox is de motor van alles wat ik maak.”

'Voor veel mensen heeft poëzie eeuwigheidswaarde. Voor mij is poëzie iets voorlopigs. Elk gedicht als een voorlopig antwoord op een niet gestelde vraag.' Beeld Joris Casaer
'Voor veel mensen heeft poëzie eeuwigheidswaarde. Voor mij is poëzie iets voorlopigs. Elk gedicht als een voorlopig antwoord op een niet gestelde vraag.'Beeld Joris Casaer

Je deed als jong meisje al mee aan voordrachtswedstrijden. Wanneer wist je dat je wilde schrijven?

“Dat waren vooral de momenten waarop ik grip verloor op het leven. Dan zocht ik houvast op het papier. Mijn poëziedebuut bijvoorbeeld, ontstond vanuit een heftig liefdesverdriet. Anders dan in het echte leven, waar de meest wezenlijke dingen, de grootse en de meest verdrietige, ongepland gebeuren, waar je het parcours wel een beetje, maar nooit helemaal kunt sturen, heb ik de macht als ik schrijf. Op papier beslis ík welk woord ik waar zet en welk woord weg moet. Daar ben ik, om met Willem Kloos te spreken, even God in diepst van mijn gedachten. Er kan me van alles gebeuren, alles kan me ontvallen, maar ik kan er altijd over schrijven. Dat geeft troost.”

Is vanuit die gedachte ook dit gedicht bij het Boekenweekthema ‘Tweestrijd’ ontstaan?

“Nu buiten alles wankel is, wilde ik een hoopvol gedicht schrijven. Er is zoveel misère en droevenis en wanhoop, zeker in een krant. Daar wilde ik iets tegenover zetten. Dit gedicht getuigt van een zekere naïviteit, die benoem ik ook – veel van mijn levenskracht put ik uit mijn eigen naïviteit.

Ik heb bewust vrij surreële beelden gebruikt. Verbeelding kan je uit de misère trekken, kan kracht geven als het moeilijk gaat. Ik hoop dat de lezer dat erin… Of nee, dat hoop ik helemaal niet. Ik wil niks opdringen. Als de lezer er iets heel anders in leest, is dat net zo mooi. De interpretatie van de schrijver is maar een van de mogelijke. De lezer is vrij. Meer dan als genre, zie ik poëzie als waardeoordeel.”

Kun je dat uitleggen?

“Of iets poëzie is, dat is uiteindelijk aan de lezer. Op mijn tweede bundel, Wij zijn evenwijdig, staat nergens ‘gedichten’ of ‘poëzie’. Lezers mogen de teksten al dan niet als poëzie tot zich te nemen.”

Je noemt jezelf, met een knipoog, ook wel ­‘iemand die de kantjes van de poëzie afloopt’?

“Ik flirt graag met de grenzen van het genre. Ik maak ‘fratsen’, zoals die spiekpen, en ernstige gedichten, die soms op het pathetische af zijn. En in het Poëzieweekgeschenk liet ik, met gedichten die ik samenstelde uit zinnen van anderen, de experimentele kant van mijn dichterschap zien. Dat hele palet is de beste vertegenwoordiging van wie ik als dichter ben. De fratsen neem ik net zo ernstig als de zogenaamd serieuze gedichten. Je vraagt wie mij inspiratoren zijn?”

Vanhauwaert staat op, loopt zoekend over haar zolder, duikt even achter het houten laddertje. Als ze weer zit houdt ze een dik groen boek voor de camera. Opperlans! van Battus. “Dit vind ik een onwaarschijnlijk fantastisch werk, een onuitputtelijke bron van informatie. Ontroerend hoe Battus/Hugo Brandt Corstius jarenlang de taal is ingedoken en er allerlei schatten uit op wist te diepen.

Maar Paul van Ostayen – Antwerps stadsdichter avant la lettre – is me ook bijzonder lief. Zowel wat meer hermetische dichters als Astrid Lampe of Tonnus Oosterhoff, als klassieke klassebakken Hugo Claus en Remco Campert, inspireren me. ‘Lamento’ is een van mijn lievelingsgedichten. Ik houd van de veelheid van poëzie.”

En dat zestiende-eeuwse trapje, dat zou zo een metafoor voor haar eigen schrijverschap kunnen zijn.

“Ik heb veel last van wat de Fransen zo mooi noemen l’esprit de l’escalier, het gevoel dat ik pas bij het afdalen van de trap, als het project of gedicht klaar is, weet wat ik anders had willen doen, of anders had willen zeggen. Precies die frustratie is de reden dat ik blijf schrijven. Steeds laait het verlangen op weer iets nieuws te maken, nog preciezer te zijn.

Voor veel mensen heeft poëzie eeuwigheidswaarde. Voor mij is poëzie iets voorlopigs. Elk gedicht als een voorlopig antwoord op een niet gestelde vraag.”

Maar morgen wordt alles anders!

we hebben de angst met zijn bleke wortels

uit onze borstkas getrokken

zie hoe hij verschrompelt

wat moet de angst nog zonder ons

er zal niemand meer sterven

en de doden, zij zullen wederkeren

komen weer bij ons aan tafel zitten

zullen hun eigen as verstrooid

weer van hun schouders slaan

         wij weten wat de dood is, wij hebben haar gedragen 

wij weten wat gemis is, leegte op zijn volst

Maar morgen wordt alles anders!

bladeren zullen niet meer dwarrelen

maar fladderen als duizenden okeren

vogels behalve de vogels

is straks niemand nog op de vlucht

elke aanraking zal ik verzilveren

elke kus verzilveren van alle zilverwerk

maak ik een tempel die we inwijden

met een dans, we zullen niet blijven hangen

in de wals van wat als, van wat als

         wij weten wat de dood is, wij hebben haar gedragen

          wij kennen het verdriet, vertel het ons maar niet

Zelfs de aardlagen zullen verschuiven!

een berg duwt zich op die ons eindelijk

weer uitzicht biedt en ik zal zonder gêne

nog wat gedichtjes schrijven

zoals men dat van mij gewoon is

heel toegankelijke poëzie (ach, de vraag is niet

hoe vlot kom je binnen doch hoe

makkelijk geraak je straks weer weg)

noem mij naief, mijn tweespalt onhandig

gespalkt, maar als iets begint

       te wankelen bestaat de kans dat straks alles, al is

       het maar heel even, de goede kant op valt

Maud Vanhauwaert

Maud Vanhauwaert (1984) debuteerde in 2011 met de bundel Ik ben mogelijk. In 2018 en 2019 was ze stadsdichter van Antwerpen. Haar laatste bundel is Het stad in mij, uitgegeven door DasMag.

Voor poëzieontmoetingen van Vanhauwaert tijdens de Poëzieweek zie online de prachtige filmpjes ‘Dichter met Maud’, vijf gedichten die mensen weer samen brengen.

null Beeld
Beeld

Maud Vanhauwaert
Het stad in mij
Das Mag; 358 blz. € 37,50

Lees ook:

Een feest van een boek

Ik wou dat Maud Vanhauwaert mijn stadsdichter was geweest, schrijft Janita Monna.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden