VoorpublicatieTillen, alstublieft

Maud Sintenie had een bijbaan als kistdrager. ‘Iedereen om me heen gaat maar dood. Wacht nog maar met oud worden, meisje’

Beeld Maartje Geels

In haar studententijd kwam journalist Maud Sintenie per toeval in de uitvaartbranche terecht. Haar ervaringen voor en tijdens de coronacrisis verwerkte ze in een boek. Een voorpublicatie.

Het is altijd druk rondom begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam. Dat is leuk om te aanschouwen als we staan te wachten op de rouwauto. Hardlopers, fietsers, wandelaars met honden aan de lijn. Sommigen kijken vol verwondering naar ons en draaien zich nog even om, anderen merken ons niet eens op. Misschien komen ze hier zo vaak langs dat ze onze pakken herkennen en wel weten waarom we in een haag staan te wachten.

Een bezweet meisje met gespierde benen rent langs. Ik hoor een vlaag van muziek uit haar oordopjes komen. Ik kijk naar de lucht. Geen wolkje te zien. Het staat raar dat wij onze handschoenen aanhouden terwijl er mensen in korte broeken passeren. Maar het zijn nu eenmaal de regels.

De man is overleden aan corona. Het stond in blokletters in de werkopdracht. Ik vraag me af hoe het afscheid nemen is geweest. Hij is oud geworden gelukkig, vierentachtig volgens mij. Ik hoop maar dat hij niet al te eenzaam is gestorven, maar gezien de huidige omstandigheden vrees ik van wel.

In gebrekkig Nederlands vraagt de man wat we hier doen

Een luide stem haalt me uit mijn gedachten. We kijken alle zes op. Rechts van ons staat een forse man. Ik schat hem begin vijftig. Hij praat in een andere taal in zijn telefoon, het klinkt Oost-Europees. Zijn witte buik puilt een beetje onder zijn shirt uit. Op het scherm van zijn telefoon zie ik een vrouw terugpraten. De man loopt naar ons toe en vraagt in gebrekkig Nederlands wat we hier doen.

“Wij staan hier op een rouwauto te wachten, meneer”, zeg ik.

De man laat zijn telefoon even zakken. “Zijn er veel doden?”, vraagt hij.

Een cryptische vraag. Veel doden in een week, een maand, een jaar? Of bedoelt hij nu, in coronatijd? Ik ga uit van het laatste.

“Eh, er zijn nu door corona wel meer sterfgevallen dan normaal, ja”, antwoord ik.

De man schudt resoluut zijn hoofd. “Nee. Sorry dat ik zeg. Corona is propaganda van overheid. Manipulatie.” Hij praat op een felle toon en maakt een wegwerpgebaar met zijn handen.

Ik heb geen zin in dit gesprek. Ik besluit niet te reageren en kijk weer strak voor me uit. Marit staat naast me en gniffelt een beetje spottend.

De man hervat zijn videogesprek en praat weer in zijn moedertaal. Opeens richt hij zijn telefoon op ons. Hij praat druk en luid verder tegen de vrouw terwijl hij ons filmt. Ik hoor de vrouw terugpraten. Het ­geluid klinkt schel.

De man staat veel te dicht bij me; zijn ­telefoon is nog geen halve meter van mijn gezicht verwijderd. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik kijk snel of de rouwauto er al aan komt. Nog niet gelukkig. Ik moet iets zeggen. Hij kan hier echt niet staan filmen als de rouwauto de straat in komt rijden.

“Meneer, zou u uit respect voor de overledene ergens anders kunnen gaan staan?” Een beetje angstig voor zijn reactie kijk ik hem aan. Hij stopt met filmen en bergt zijn telefoon op in zijn broekzak. Ik voel een beetje spanning van me af glijden.

“Sorry, ik laat zien hoe het hier is, aan ­iemand die in andere land zit. In lockdown.” Ik zwijg. “Sorry”, zegt hij terwijl hij wegloopt. Hij praat verder, maar volgens mij nu tegen zichzelf.

Ik zucht opgelucht, maar hou hem in de gaten. Hij staat nu een eindje verderop, maar is nog niet uit het zicht verdwenen. Ik kijk naar mijn collega’s. Hoofdschuddend wisselen we wat afkeurende blikken en dan kijken we weer strak voor ons uit.

Beeld Maartje Geels

De man houdt zich gelukkig koest wanneer de rouwauto tussen ons in rijdt. Ik werp nog snel een blik op hem, maar zie dat hij niet meer op ons let. We buigen en sluiten aan.

De familie staat bij de grote poorten te wachten en sluit aan bij de rouwauto. We lopen met de stoet het terrein van Zorgvlied op. De grote oprijlaan, gesnoeide beuken in een rij en de aula, gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School, geven het geheel een statige aanblik.

De familie loopt met de uitvaartleidster richting de ingang van de aula. Wij lopen verder met de rouwauto mee om de aula heen, naar de achterkant van het gebouw. De rouwauto stopt.

“Bijdraaien.”

De chauffeur stapt uit. “Goedemorgen, dames.” Hij opent de achterklep, draait de schroef los en schuift de kist alvast een stukje naar buiten. Ik hoor het geluid van hakken. Daar komt de uitvaartleidster al aan.

“Gaat u maar, dames”, zegt ze.

“Bijdraaien. Achter de auto. Alstublieft.” Ik wacht even. De commando’s te snel achter elkaar opvoeren, vind ik haastig overkomen. “We halen vooruit uit. Alstublieft.”

Met de kist onderhands lopen we de aula binnen. Voorzichtig zetten we de man op de katafalk.

“Staat meneer recht?”, vraag ik.

“Even kijken. Ja, perfect.” De uitvaartleidster veegt een paar losse bloemblaadjes van de kist af.

We lopen achter elkaar de trap af naar ­beneden. Onder de aula bevindt zich een wachtkamertje. We trekken onze overjassen uit en gaan zitten.

“Shit”, zegt Marit opeens. “Ik ben de parkeerkaart vergeten in de auto te leggen.”
Ik heb eigenlijk wel zin om even te lopen. “Ik doe het wel”, zeg ik. “Geef de autosleutels maar.”

Ik voel me klein terwijl ik langs de enorme beuken wandel. Er vliegt iets groens voorbij, een stadsparkiet. Ik loop naar de Dacia en haal de parkeerkaart uit het dashboard­kastje.

“Mag ik wat vragen?”, hoor ik een mannenstem zeggen, terwijl ik de kaart op de goede tijd zet.

“Natuurlijk”, antwoord ik. Ik kijk op en zie een man, begin tachtig, nog een klein beetje haar op zijn kruin. Hij ziet er niet heel netjes uit maar heeft naar mijn idee wel zijn best gedaan met een linnen colbert, al is deze flink verkreukeld.

“Is de uitvaart van Barry al begonnen?”
“Bedoelt u het afscheid van meneer Van der Steen?”, vraag ik.
De man knikt. 
“Ja, die is al begonnen. Maar loopt u met mij mee, dan kunt u nog naar binnen.”

De eerste paar honderd meter lopen we zwijgend naast elkaar, een flink gat tussen ons in om afstand te houden.
“Het is toch eigenlijk vreemd”, doorbreekt de man de stilte, “dat je je hele leven bezig bent iets op te bouwen. Je werk, je ­gezin. En dan ga je dood. Afgelopen.”

“Ja”, zeg ik, “eigenlijk takel je vanaf een bepaald moment alleen nog maar af.” Ik schrik een beetje van wat ik zeg, maar de man kijkt blij verrast op. “Precies.” Hij strijkt zijn laatste haren glad. “Barry was een van mijn oudste vrienden. Iedereen om me heen gaat maar dood. Wacht nog maar met oud worden, meisje.”

“Ik zal het proberen.”
Hij glimlacht. “Goed zo.”
We zijn aangekomen bij de aula. “Hier kunt u naar binnen, meneer.”
“Dank u, mevrouw.”

De dienst duurt niet lang. Het lampje ­boven het scherm begint te knipperen en we schieten overeind. Jassen weer aan, glazen opruimen, stoelen aanschuiven. We doen snel een check bij elkaar. Zitten alle knopen dicht, de sjaaltjes netjes? We graaien in onze zakken en trekken de handschoenen weer aan.

In twee rijtjes van drie gaan we weer klaarstaan bij de achterkant van de aula, in het zicht van de familie. Wanneer de grote deuren openen, lopen we rustig naar binnen en gaan om de kist heen staan.

“Buiging, alstublieft.”
Ik kijk naar de uitvaartleidster. Ze knikt.
“Bijdraaien. Handvatten. Tillen, alstublieft.”

Met alle kracht die we in onze lijven ­hebben, tillen we de kist op en zetten hem op de buitenbaar. We wachten tot de nabestaanden achter ons zijn aangesloten. Ik trek de fluwelen rok van de baar achter een wiel vandaan.

“Loop maar, dames”, zegt de uitvaartleidster. De muziek, een klassiek stuk dat ik niet ken, blijft buiten hoorbaar door de boxen in de bomen.

Ik hoor een vogel die ik zonder nadenken bij naam kan noemen. Tjif-tjaf, tjif-tjaf. De tjiftjaf.

We lopen met de stoet naar het crematorium, en rijden de baar met de kist het voorhof op, recht voor de oven.
“Buiging, alstublieft.” Ik kijk om me heen. We zijn eigenlijk niet meer nodig. De bloemen mogen we niet aannemen en een uitgeleide doen we nu ook tijdelijk niet meer.

“Bijdraaien.”

Op mijn ‘Alstublieft’ lopen we. De nabestaanden maken ruimte voor ons en zetten een paar stappen opzij. Helemaal achteraan staat de man met de gekreukelde colbert. Ik vang zijn blik terwijl we hem passeren.

“Dag mevrouw.”
“Dag meneer.”

Tillen, alstublieft
Maud Sintenie
Volt; 144 blz. € 21,99 

Lees ook: 

Studente Maud draagt doodskisten als bijbaan

Een van de eerste dingen die dragers van een doodskist leren, is in formatie lopen. Maud Sintenie (21) combineert haar studie journalistiek met een bijbaan als drager in een vrouwenteam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden