Maskers en partituren

In het Bozar in Brussel werpt een overzichtstentoonstelling nieuw licht op de vele uitingen van sentimentaliteit van Paul Klee.

Een lijn, zei Paul Klee ooit, is een stippeltje dat aan de wandel gaat. Met die uitspraak kan een belangrijk deel van zijn werk worden verklaard. Paul Klee was meer een tekenaar dan een schilder die de overstap van de figuratieve kunst naar de abstractie met behulp van een precieze lijnvoering maakte. Als tekenaar (met pen, etspen en penseel op papier) bakende hij zo ook zijn rol in de ontwikkeling van de moderne kunst af. Dat maakt zijn oeuvre niet minder raadselachtig: Klee’s werk gaat nog steeds voor hermetisch door.

Kunsthistorici hebben zich stukgebeten op Klee. Gesproken wordt over een ’kleurige’ Klee (zijn betrokkenheid bij het Bauhaus), een ’dromerige’ Klee die haast surreëel is, een ’psychologiserende’ Klee en een vroeg modernistische Klee die in het voetspoor van Kandinsky tot een abstracte vormentaal kwam. Wat in essentie niet gebeurde, want Klee bleef aan de herleidbare vorm vasthouden.

Tijd dus voor een nieuwe visie op deze Duitser die in de canon van de beroemdste kunstenaars van de 20ste eeuw is opgenomen. Je moet er voor naar Brussel waar Bozar, gevestigd in het art nouveau achtige museum van Horta direct achter het Centraal Station, een overzicht van Klee’s werk heeft samengesteld.

De twee conservatoren hebben een reputatie op te houden als het gaat om hun inzichten in het werk van Klee. Christine Hopfengart is verbonden aan het Zentrum Paul Klee in Bern, de stad waar Klee de laatste jaren van zijn leven heeft gewoond. Het Zentrum Paul Klee is de belangrijkste bruikleengever voor deze tentoonstelling. Met vele honderden werken garandeert de tentoonstelling een langdurige rondgang. Als tweede conservator is componist Pierre Boulez toegevoegd. Boulez liet in het verleden al blijken dat hij zich voor zijn composities graag op sleeptouw laat nemen door de grafische vormgeving van Klee. Met zijn keus laat Boulez zien dat de mening gerechtvaardigd is dat Klee’ s werk het aanzien van een partituur voor moderne muziek heeft. Boulez gaat nog niet zo ver dat hij de strepen, lijnen, punten en andere grafische tekens rechtstreeks in noten overbrengt. Maar zaken als lijn, ritme, het veelvuldig terugkomen van het schaakbordpatroon en de relatie tussen heterofonie en homofonie hebben hem beïnvloed.

Hopfengart houdt zich verre van het muzikale gegeven in Klee’s werk. Zij verklaart het werk vanuit Klee’s fascinatie voor het theater. Behalve het toneel hoort daar ook de opera bij. Klee was niet weg te slaan uit de theaters, eerst in Bern waar hij opgroeide en vervolgens in München waar hij naar de kunstacademie ging en er geruime tijd zou blijven wonen.

Hij was een trouw bezoeker van de opera. Voortdurend op zoek naar uitingen van sentimentaliteit en pathos vond hij inspiratie in de opera-gestiek die hem een rijk repertoire aan uitdrukkingsmogelijkheden bood. „Toen ik tien jaar was, kwam ik voor het eerst in de opera. De ’Trovatore’ werd opgevoerd en ik werd geraakt door het zware leed van vele personages; nooit vonden ze rust en nooit waren ze vrolijk. Toch raakte ik vlug gewend aan die pathetische stijl”, schreef hij over de jaren 1888-1891 in zijn dagboek. Het knappe is dat Klee elk gebaar, elke handelingswijze van iedere vorm van overtolligheid wist te ontdoen zodat slechts een simpele lijn of punt overbleef die toch de essentie van de achterliggende bedoeling bleef behouden.

Voor Klee, wiens oeuvre meer dan 8900 werken zou omvatten, bood het theater een spiegel van het alledaagse leven. De mens speelde volgens hem altijd een rol die slechts een minimale afspiegeling van zijn eigen, persoonlijke bestaan is. Klee was meer geïnteresseerd in het masker dan in de ware persoonlijkheid van de mens. Hij kan niet tot de stroming van het expressionisme worden gerekend, al trok hij in München vaak op met de leden van Der Blaue Reiter. Met August Macke reisde hij in 1914 drie weken in Tunesië maar het werk dat zij daar en na hun reis maakten is totaal verschillend. Een expressionist als Macke was er op uit om de psyche van de mens van binnen uit weer te geven, voor Klee voldeed het masker beter. Vandaar zijn omweg om via het theater de mens te betrappen op zijn uiterlijke verschijningsvorm.

De expositie in Bozar maakt wel duidelijk dat Klee een zekere onvrede had over zijn bronnenmateriaal. Daarbij moet je, volgens Hopfengart, ook denken aan de zelden geëxposeerde poppen die Klee op het einde van zijn leven heeft gemaakt. Ze lijken ogenschijnlijk uitsluitend te zijn gemaakt voor het poppenspel, zoals dat al eeuwenlang voor kinderen is bestemd. Klee maakte zijn poppen echter bijzonder aangrijpend, ze blijken echte existentiële metaforen te zijn die zijn gevoelens, zijn angsten willen uitstralen. De poppen grijpen ook terug op de getekende ledepoppen die al eerder in het oeuvre opduiken. Klee fragmenteerde zijn figuren soms in kleinere vormpjes die hun onderlinge verband uitsluitend op basis van dezelfde (contour) lijn kregen. Met het uiteenvallen van de vormen komt ook een einde aan het leven en zet het sterven in.

Hoe simpeler de vormen werden, hoe primitiever ze ook ogen. Klee moet de kindertekening diepgaand hebben bestudeerd. Hij bereikte een zelfde soort naïviteit die voortvloeit uit een nog niet door intellectualisme bepaalde aanpak. Het is dezelfde zienswijze die de Cobraschilders tien jaar na de dood van Klee zo zou kenmerken. Niet toevalligerwijs hoort daar ook Klee’s weergave van dieren (een kat of hond die als een horizontaal streepje met pootjes en staart wordt getekend) bij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden