Review

Marokkaanse Odysseus

Mohammed Mrabet is verhalenverteller. De Marokkaan is deze week gast op cultureel festival Crossing Border in Den Haag.

’Paul Bowles sprak geen Arabisch.” Het is Mohammed Mrabet die het zegt, en die het kan weten, want hij werkte jarenlang als manusje-van-alles voor de Amerikaanse schrijver die het grootste deel van zijn leven in Marokko woonde.

En dat is toch nieuws, literair nieuws, dat niet-spreken van Arabisch door Paul Bowles, want was hij niet de vertaler van Mohammed Choukri’s ’Hongerjaren’, een keiharde roman over een straatarme Riffijnse jeugd, decennialang in Marokko op de zwarte lijst? Wist Bowles dat boek in de jaren zeventig zo niet voor een groot publiek te ontsluiten?

Jazeker. Alleen vertaalde de Amerikaan het dus niet in het Engels uit het Standaard-Arabisch – waarin het was geschreven – maar uit het Spaans.

Mrabet legt uit dat het ongeveer zo moet zijn gegaan: Choukri en Bowles bogen zich samen over de tekst van ’Hongerjaren’. Choukri vertaalde zijn eigen roman zin voor zin in het Spaans, dat hij goed sprak, en Bowles, die het Spaans ook uitstekend beheerste, maakte er Engels van.

De Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jelloun, die in Frankrijk woont, heeft ’Hongerjaren’ overigens ook vertaald, direct uit het Standaard-Arabisch. De Franse versie van Ben Jelloun – ’Le pain’ nu – vergelijken met de Engelse van Bowles – ’For Bread Alone’ – kan interessante verschillen aan het licht brengen. De arabist die de oorspronkelijke Arabische versie er ook nog naast kan leggen, zal vermoedelijk kunnen vaststellen hoezeer Ben Jelloun en Bowles, zulke geheel verschillende schrijvers, er hun eigen boek van hebben gemaakt.

Volgens Mrabet sprak Jane Bowles, Pauls vrouw, wél goed Marokkaans-Arabisch. Maar Paul zelf dus niet. ’Een paar woorden’, aldus Mrabet. De schrijver deed wel graag voorkomen alsof hij die taal goed beheerste, iets wat zijn toch al exotische imago vermoedelijk geen kwaad deed.

Zo belangrijk als Bowles niettemin voor Mohammed Choukri is geweest, zo belangrijk was hij ook voor Mohammed Mrabet, die praktisch analfabeet is maar toch een dozijn boeken op zijn naam heeft staan. Die boeken – verhalenbundels, romans – zijn door Mrabet op band ingesproken, en Paul werkte die banden uit en vertaalde ze in het Engels. Ook hier was de voertaal Spaans.

Na de dood van Bowles in 1999 was er niemand meer om Mrabets verhalen nog te vertalen en op te schrijven. In zekere zin stierf hij mét de beroemde Amerikaanse schrijver. Hier en daar werd letterlijk geopperd dat hij dood was, soms met datum van overlijden erbij. In de Franse krant Le Monde suggereerde Tahar Ben Jelloun dat Mrabet een uitvinding van Bowles was geweest.

Simon Pierre Hamelin, directeur van boekhandel alias cultureel centrum Colonnes in Tanger in Marokko, schrijft die uitspraak toe aan jaloezie. Tenslotte is Mrabet internationaal een van Marokko’s bekendste ’schrijvers’ – in Marokko zelf kennen maar weinigen hem. Hamelin nam Bowles’ plaats in en tekende onlangs de korte roman ’Manaraf’ uit de mond van Mrabet op, uitgegeven door Nieuw Amsterdam. Nu was de voertaal Frans. De Nederlandse vertaling is een primeur, want een Franse versie is nog niet op de markt.

Het werk van de 73-jarige Mrabet valt moeilijk te classificeren. Volgens Hamelin houdt het het midden tussen sprookje, volksverhaal en novelle. En inderdaad is ’Manaraf’ een soort Marokkaanse Odysseus, waarin een zekere Mrabet de rol van de held speelt. Aardig is het verhaal binnen de roman over de grootvader van held Mrabet, die Mahand heet en zo sterk is dat hij ’bergen met één hand samenvoegt’. Samen met twee vrienden, afkomstig uit hetzelfde Riffijnse dorp en toevallig ook Mahand geheten (Mahand-die-zeeën-van-melk-drinkt en Mahand-die-wol-uit-steen-trekt) neemt de grootvader van Mrabet deel aan de wrede Rifoorlog in de jaren twintig tegen de Spanjaarden, die de Riffijnen uiteindelijk zullen verliezen.

Dat er in ’Manaraf’ een begenadigd verteller aan het woord is, is onmiskenbaar. En wie de Marokkaanse orale cultuur enigszins kent, ziet dat Mrabet daaraan schatplichtig is. Zeker, hij vertelt zijn eigen verhaal, waarin ook zijn eigen (familie)geschiedenis is verweven, maar giet het in de vorm van een Marokkaans volksverhaal. Dat is bijzonder, en dat zag Paul Bowles indertijd ook.

Dat zien intussen ook anderen. Nu de verhalenvertellers in Marokko een met uitsterven bedreigde soort zijn geworden, publiceren steeds meer uitgevers volksverhalen en sprookjes die hier te lande soms al eeuwenlang worden verteld. Een goed voorbeeld zijn de Duizend-en-één-Nacht-achtige verhalen die dokter Légey, een vrouwelijke arts die omstreeks 1930 in Marrakesj werkte, verzamelde in onder andere de harem van de sultan, waar zij als arts toegang toe had. Ze vertaalde ze zelf in het Frans en liet ze uitgeven, een bundel die hier onlangs werd herdrukt en het goed doet. Een man als Mrabet staat midden in deze vertellerstraditie.

Een vader en een grootvader, een eenvoudig, ongeletterd, gastvrij man, die bezoekers thuis ontvangt en door zijn vrouw bereide kip laat voorzetten. Een verhalenverteller maar een even belangrijk primitief soort schilder, deze Mohammed Mrabet. Een vertegenwoordiger van maar nauwelijks – door Bowles en dokter Légey – ontdekt cultuurgoed dat alweer op het punt staat te verdwijnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden