PoëzieJanita Monna

Marjolijn van Heemstra zoomt in op heelal én lichaam met de blik van een ruimtevaarder

Marjolijn van Heemstra kijkt nog altijd graag naar de sterren en van daaruit naar het leven op aarde.

Zeg eerlijk, wie droomde er als kind niet van om met een raket naar de maan te gaan? En bij wie hield die droom stand? Bij de meesten bleef waarschijnlijk hooguit een fascinatie voor dat onmetelijke heelal. Maar Marjolijn van Heemstra kijkt nog altijd graag naar de sterren en van daaruit, als met de blik van een ruimtevaarder, naar het leven op aarde. De ruimte verkent ze al schrijvend. Al in haar debuut (2010) werd een ‘Open dag in het ruimtevaartcentrum’ bezocht, in Meer hoef dan voet (2014) werden raketten van colaflessen gelanceerd. In het pas verschenen Reistijd, bedtijd, ijstijd is er het besef klein te zijn in het oude licht van zon en sterren, het besef er maar even te zijn. Het stemt best opgeruimd. ‘Heel voorlopig lig ik hier, neuriënd eiland, toevallige massa/ water en klank. Een lichaam rond een lied, zo tijdelijk intact.’

Toch zorgt die onbevattelijkheid, het feit dat een leven eens wordt teruggebracht tot een streepje tussen twee jaartallen, ook voor ‘wat als’-gedachten. Wat als de toekomst het verleden is en ‘mythen science fiction’, als we terug leven, en waarom zou dat niet zo zijn? ‘Is overal niet het bewijs?/ Niets vernieuwt zich met de jaren./ Het krast en slijt, ook ik’. Of wat als we de verkeerde kant op bidden, als lucht slechts leegte is en er onder onze voeten nog allerlei ongekend ondergronds leven krioelt?

Vanuit dat soort intrigerende gedach-tenexperimenten zoomt Van Heemstra in op meer aardse zaken. Op ongemak tussen mensen, op onbegrip. Tussen wit en zwart. Tussen buren in een volkswijk, de oude bewoners en de jonge gezinnen en de poging om met goedbedoelde buurtfeesten een brug te slaan: ‘maar dan wél vegaburgers en gerecycled bestek,/ maar dan niet die gore zeewierchips en gewoon ballonnen’.

Ze stelt verder scherp op haar eigen gezin, op haar eigen lichaam, haar ‘onderkant’ en hoe daar sinds de bevalling een hechting op een zenuw duwt. Ook daar huist het wonder van het leven, ‘en ik hoor voor het eerst de wond in dat woord’. Van Heemstra reist langs liefde, schoonheid, geboorte, langs pijn en dood en door tijd. Door dat leven dat maar stroomt. Ooit, zo vertelt Van Heemstra, stuurde de Nasa muziek de ruimte in, voor de oren van wie weet welke nieuwe beschavingen. ‘De duisternis in zingen.’ Doet poëzie dat niet ook?

Wat als

Wat als alles andersom blijkt te zijn,

alles en vooral de tijd:

de mythen science fiction,

wij op weg naar een verleden.

Als het nieuws ons dieper brengt

door de schacht van het voorbije

en onze ruimteschepen zeilen

naar de allereerste kou.

Als kennis mij verwijdert

van wat ik zonder woorden wist,

als elke cirkel om de zon mij verwijdert

van dat licht, als ik dag na dag

mijn voorland uitreis,

elk ding begint met wat het wordt

en groeit naar wat het was.

Is overal niet het bewijs?

Niets vernieuwt zich met de jaren.

Het krast en slijt, ook ik

droog langzaam uit mijn vorm

tot de toekomst niet meer past.

Wat als wij de laatste krimp zijn

van een stoffige implosie,

het finale inhaleren

van de vroegste hap naar adem?

Marjolijn van Heemstra

Marjolijn van Heemstra
Reistijd, bedtijd, ijstijd 
Das Mag; 64 blz. € 21,99

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden