Dirigent Mariss Jansons dirigeert het Concertgebouworkest, waarvan hij in 2015 afscheid nam.

In memoriam Oud-chef KCO

Mariss Jansons’ zwakke hart klopte voor de muziek

Dirigent Mariss Jansons dirigeert het Concertgebouworkest, waarvan hij in 2015 afscheid nam. Beeld ANP

Voor veel orkestmusici was Mariss Jansons de best denkbare dirigent. Het Concertgebouworkest beleefde onder zijn chefschap een glorieuze periode, en werd uitgeroepen tot ‘beste orkest ter wereld’. Dit weekend overleed hij, 76 jaar oud, na jarenlange problemen met zijn hart.

Veel had het niet gescheeld of dirigent Mariss Jansons (Riga, 1943) was in het harnas gestorven. In 1996 gebeurde dat al eens bijna. Tijdens het dirigeren van Puccini’s ‘La bohème’ in Oslo kreeg Jansons een hartaanval. Terwijl de dirigent half bewusteloos in elkaar zakte, dirigeerde zijn rechterhand nog automatisch in de maat door. Sindsdien was de Letse maestro hartpatiënt. Zijn vader Arvid, ook dirigent en ook worstelend met een zwak hart, stierf wél in het harnas. Tijdens een concert in Manchester in 1984 met het Hallé Orchestra zakte hij in elkaar en overleed ter plaatse. Het was een waarschuwing.

Mariss Jansons werd na die schokkende hartaanval in 1996 geopereerd en er werd bij hem een defibrillator geplaatst. Die moest zijn hart een optater geven als het weer kuren vertoonde. Dat Jansons het lot van zijn vader bespaard bleef, lag aan het gegeven dat hij vanwege zijn zwakke hart op doktersadvies steeds vaker concerten moest afzeggen en veel thuis was. Daar, in Sint Petersburg overleed hij zaterdagnacht aan acuut hartfalen.

Warme en integere dirigent

Het Koninklijk Concertgebouworkest kwam zondagmiddag met deze reactie: ‘Wij zijn ontdaan door het overlijden van onze geliefde conductor emeritus Mariss Jansons op zondag 1 december. Mariss Jansons was chef-dirigent van oktober 2004 tot en met het seizoen 2014/2015, waarna hij nog regelmatig te gast was. De muziekwereld verliest hiermee niet alleen een groot dirigent, maar ook een warm en integer mens. Wij leven mee met zijn lieve vrouw Irina en zijn familie en naasten’.

Een warme en integere dirigent was Mariss Jansons absoluut. Een gesprek met hem verliep meestal tamelijk anders dan een conversatie met Riccardo Chailly, zijn flamboyante voorganger bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Chailly had vaak de partituur bij zich, wees je al bladerend enthousiast op bepaalde passages in het stuk dat hij ging dirigeren, en zong zo nodig hele frases voor. De Italiaan was ook nooit te beroerd om ergens tijdens het interview, als dat zo uitkwam, een nogal boude of ongezouten mening over iets te verkondigen. Reuring verzekerd.

Hier repeteert Mariss Jansons met het Wiener Philharmoniker voor het nieuwjaarsconcert in december 2011. Beeld EPA

Niets van dat al bij Jansons. Je kon veel over de Letse maestro zeggen, maar niet dat hij flamboyant was. Een naar binnen gekeerde man, die haast op fluistertoon zijn antwoorden gaf, voorzichtig, nooit tegen schenen aanschoppend. Iemand, die probeerde uit te leggen waarom de muziek die hij dirigeerde zo belangrijk was, waarom je daar als mens beter van kon worden, met als gevolg dáár weer van: een betere wereld dan die waar we nu in leefden. Bij Jansons moest je vaak tussen de regels door naar diepere betekenis en inhoud zoeken, en je zag hem zelf soms ook worstelen met het vinden van de juiste woorden. Bij het laatste gesprek, in maart 2015 vlak voor zijn afscheid, viel hij zelfs tijdens het praten in slaap. Gevolg van de slaapproblemen en de inname op verkeerde momenten van slaapmiddelen.

Populair en bemind bij musici

Over muziek hoorde je volgens hem eigenlijk niet te praten. Muziek openbaarde haar geheimen pas op het moment dat ze klonk. “Zeg het met je handen, die vertellen alles”, hield Jansons in Amsterdam tijdens een masterclass zijn studenten voor. Van Herbert von Karajan, bij wie hij studeerde, had hij deze uitspraak altijd onthouden: “Je moet erachter zien te komen wat de allerbeste manier is om een orkest niet te storen”. Jansons leek wat dat betreft op Bernard Haitink, de voorganger van Chailly bij het KCO. Haitink en Jansons waren dan ook goede vrienden, die elkaar hogelijk respecteerden. Tussen Haitink en Chailly boterde het nooit.

Jansons was een beminnelijk iemand, die schijnbaar alleen leefde voor de muziek, er totaal in opging. Dat maakte hem ongelofelijk populair en bemind bij musici. Toen Chailly zijn vertrek uit Amsterdam in 2002 aankondigde, zong de naam van Jansons als zijn beoogde opvolger meteen rond. Al sinds 1998 was hij als gastdirigent bijna jaarlijks bij het KCO te vinden, dus de musici kenden hem goed, en wisten zijn economische manier van repeteren mateloos te waarderen. Met grote meerderheid van stemmen – de orkestmusici hebben bij de uiteindelijke keuze het laatste woord – werd Jansons dus benoemd als chef-dirigent.

Inmiddels had Jansons zo’n beetje het predicaat ‘beste dirigent ter wereld’ opgeplakt gekregen. Van de Sovjet-autoriteiten mocht hij in 1979 geen assistent worden van Von Karajan in Berlijn. Hij kon wel naar Oslo vertrekken. In de ruim twintig jaar die hij daar dirigeerde, maakte hij van het Filharmonisch Orkest van Oslo een topensemble. Daarna was hij chef-dirigent van de Pittsburgh Symphony Orchestra (1997-2004). Een jaar vóór hij in Amsterdam begon, werd hij ook chef-dirigent van het Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks in München, waar hij in functie bleef tot aan zijn dood.

‘Muziek is geen sport’

In 2008 publiceerde het Britse tijdschrift Gramophone het beruchte lijstje met de beste orkesten ter wereld. Jansons stond met zijn beide orkesten zowaar in de top tien. Het Amsterdamse orkest stond op nummer één, het collega-orkest uit München bezette de zesde plaats. Hoewel Jansons zelf als eerste de uitverkiezing relativeerde, en waarschuwde tegen dit soort lijstjes – “muziek is geen sport die meetbaar is in centimeters of seconden” – vond hij de uitstekende plek psychologisch erg belangrijk. Vooral in de onderhandeling voor betere salarissen voor zijn musici, die vele malen minder verdienden dan de musici in orkesten die lager op de ranglijst stonden. En met onderkoelde humor voegde hij eraan toe: “Deze positie is natuurlijk wel beter dan die van slechtste orkest ter wereld”.

Er kleefde een wat saai imago aan Jansons. Zijn concerten konden spectaculair goed uitpakken, maar als ‘verkoopbaar’ dirigent miste hij de magnetische uitstraling van iemand als Chailly. De marketing- en persafdelingen van het KCO zaten met hun handen in het haar. Hoe moesten zij deze ietwat saaie man aan de stad verkopen? Zij kwamen met het onzalige idee om Jansons als een soort James Bond te laten optreden. De stad hing vol met posters waarop Jansons als een suffige agent 007 stond afgebeeld. Erbij stond de tekst: ‘A license to thrill’, een platte verwijzing naar de Bond-film ‘A license to kill’.

Het was een tenenkrommende wervingscampagne, die nog erger had kunnen uitpakken. Het KCO had Jansons namelijk willen presenteren op de Uitmarkt op het Museumplein. Daar had Jansons – live op televisie – moeten landen met een helikopter, waarna hij strik om het ingepakte Concertgebouw had zullen doorknippen. De maestro zelf stak er zijn stokje voor. Hij voelde er niets voor dat hij zich als non-poseur ineens moest gaan aanstellen. Een van zijn vroege leraren had over Jansons gezegd: “Deze man kan de musici in een orkest verliefd maken op de muziek die ze spelen. En hij is absoluut geen poseur”. Zo waren de foto’s van hem waarop hij poseerde met een fiets in Amsterdam ook al zo ‘fout’. Dat Jansons ooit door de stad zou fietsen? Ondenkbaar. De dirigent ging nooit officieel in Amsterdam wonen. Als hij hier was, logeerde hij in een luxe suite van het Okura Hotel.

Perfecte cirkel

Muziek maken dus, samen proberen om in de hemel te komen, daar ging het Jansons om. En ondanks de vele afzeggingen heeft hij ons daar vaak deelgenoot van gemaakt. Zijn Mahler-cyclus in Amsterdam (helaas net niet compleet) was om door een ringetje te halen. Minder opwindend misschien dan die van Chailly, maar superieur in afwerking en orkestklank. Moderne of hedendaagse muziek was niet zijn fort. Berucht werd de aanvaring die Louis Andriessen met hem had over zijn compositie ‘Mysteriën’, speciaal geschreven voor het jarige orkest. In de documentaire ‘Imperfect Harmony’ van Carmen Cobos maakt Andriessen de dirigent uit voor ‘zeikerd’.

Een van de voordelen van zijn aanstelling in Amsterdam vond Jansons dat hij eindelijk opera kon dirigeren. Hoewel hij vanwege zijn hart in 2009 de productie van ‘Carmen’ bij DNO moest teruggeven, heeft hij drie spectaculaire opera’s bij De Nationale Opera gedirigeerd. In 2006 was dat Sjostakovitsj’ ‘Lady Macbeth uit Mtsensk’, die tevens de grote doorbraak betekende van Eva-Maria Westbroek. De uitvoering was superieur en spectaculair en liet het publiek onthutst achter. Daarna kwamen Tsjaikovski’s ‘Jevgeni Onjegin’ en ‘Pique Dame’, beide in harmonieuze samenwerking met regisseur Stefan Herheim.

In maart 2015 nam Jansons afscheid van het KCO. Geheel in zijn geest, was het een sober afscheid, geen feestconcert. Koningin Máxima gaf hem bloemen, er werd een schilderij van hem gepresenteerd dat nu in de Dirigentenfoyer van het Concertgebouw hangt, er waren toespraken. Maar de muziek was als altijd het belangrijkste. Hij sloot af met Bartóks ‘Concert voor orkest’ uit 1945. In september 2004 was hij in Amsterdam begonnen met Honeggers Derde symfonie, ook uit 1945. Er was een perfecte cirkel gesloten.

Lees ook:

Mariss Jansons: Ik zie een nieuw, jong publiek

Nog één keer daalde de Letse dirigent Mariss Jansons vrijdag de beroemde trap in het Concertgebouw af. Op weg naar de bok voor zijn laatste concert bij het Koninklijk Concertgebouworkest waar hij in 2004 als zesde chef-dirigent begon. Jansons blijft wel gastdirigent.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden