Review

Marina Ivanovna Tsvetajeva

Marina Tsvetajeva: Wat zijn mij wolken nog en wegen. Vertaald door Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes, en van een nawoord voorzien door Marko Fondse. G. A. van Oorschot, Amsterdam; 274 blz. ¿ 49.

ANTOINE VERBIJ

Ze prijst haar 'volkomen natuurlijkheid' en plaatst die naast haar 'verbluffende koppigheid'. Maar het meest kenmerkend vindt ze dat Tsvetajeva overal 'extase en volheid van gevoelens' zocht, niet alleen in haar vele liefdes, maar ook in haar miskend, verlaten en verwaarloosd zijn. 'In zo'n instelling zie ik een zeldzame noblesse', stelt de oude, wijze dame vast.

Eigenzinnig, geëxalteerd en onuitstaanbaar zelfzuchtig - het zijn eigenschappen die een dichteres wellicht goed van pas komen, maar die in het werkelijke leven knap lastig kunnen zijn. En in het geval van Marina Ivanovna Tsvetajeva (1892-1941), een van de allergrootste Russische dichters van deze eeuw, waren ze dat zeker. Zij leefde op voet van oorlog met de hele wereld, heeft nooit tot enige groep of beweging gehoord, zocht vaak doelbewust de afzondering, en als ze al eens door anderen als gelijkgestemde werd gezien, slaagde ze er bijzonder snel in hen te bruuskeren en van zich af te stoten.

Zo was ze al in haar jeugd: een onhandelbare puber, door haar moeder voorbestemd voor een muzikale carrière, maar koppig kiezend voor de pen, waar ze zich na de vroegtijdige dood van haar moeder met heel haar ziel aan vastklampte. En met wat een talent, zoals het mooie sonnet 'Ontmoeting' bewijst, dat ze op zestienjarige leeftijd schreef over haar gestorven nichtje. Dat gedicht opent dan ook met recht de verzamelde poëzie van Tsvetajeva, vertaald door een beproefd viertal slavisten en tweetalig uitgebracht door uitgeverij Van Oorschot, die maar niet ophoudt de Nederlandse boekenmarkt met vertalingen van Russische grootheden te verrijken.

Het was haar eerste en haar laatste sonnet, legt Marko Fondse uit in zijn nawoord bij de bundel. Want, en dat kan de lezer al snel zelf vaststellen, Tsvetajeva verliet spoedig de gebaande wegen in de poëzie en koos een eigen weg. Er zijn in haar werk weliswaar sporen te vinden van de vele grote vernieuwingen die zich in het begin van deze eeuw in de Russische dichtkunst voordeden, maar ze was die vernieuwingen eerder telkens een stap voor dan dat ze ze volgde. Die ontwikkeling van Tsvetajeva als dichter is in de bundel van begin tot eind te volgen, zij het dat de samenstellers zich, met het oog op de gigantische vertaalproblemen waarvoor Tsvetajeva hen stelt, hebben beperkt tot het kortere werk.

Wat de lezer in de bundel ook op de voet kan volgen, is Tsvetajeva's levensloop. Haar verschillende verblijfplaatsen, haar talrijke affecties, zowel voor dames als voor heren, haar huwelijksproblemen, de drama's met haar kinderen, haar eigenzinnige politieke opstellingen, haar woede-uitbarstingen en wanhoopskreten, haar momenten van fiere trots en van larmoyant zelfbeklag - de bundel voert de lezer langs alle emotionele stations die de dichteres in haar korte leven is gepasseerd.

'Ik draag zijn ring, het hoofd fier opgericht/ Voor Eeuwig heeft hij mij tot vrouw gekregen', dicht ze in de zomer van 1914 aan de Krim. De antisemitische sentimenten van haar vader trotserend was ze reeds op negentienjarige leeftijd, zwanger en wel, getrouwd met Sergej Efron, een officier in wording, die later tegen het Rode Leger zou vechten, en weer later medewerker werd van de geheime dienst van de Sovjetunie, om te eindigen in Stalins kampen. Haar ode aan hem is een hooggestemd liefdesgedicht, dat evenwel iets wrangs krijgt wanneer je bedenkt dat ze diezelfde zomer en op diezelfde plek voor het eerst in de ban raakte van Osip Mandelstam, en tegelijkertijd een hartstochtelijke relatie begon met de dichteres Sofja Parnok ('Een lieve stem was aan mij gegeven,/ Mijn lippen waren gekust door het Lot').

Het huwelijk - dat haar na de eerste dochter nóg twee kinderen schonk, van wie er een in de rampzalige winter van 1920 zou verhongeren ('Als een steeltje met een bloem erboven/ Was de tere hals, het hoofdje blond!') - heeft onophoudelijk onder druk gestaan van haar licht ontvlambare hartstocht. Maar daar stelde ze een onverwoestbare loyaliteit tegenover, die haar ertoe bracht haar man op zijn merkwaardige politieke dwaalwegen trouw te volgen. In 1922 verliet ze de Sovjetunie om zich in het Westen bij hem te voegen. Ze woonde met hem in Praag en Parijs, waar haar nimmer aflatende eigenzinnigheid verhinderde dat ze werd opgenomen in de literaire emigrantenkringen. In 1939 volgde ze, murw door het uitblijven van succes, opnieuw haar man, nu weer terug naar de Sovjetunie, om enkele maanden later te moeten toezien hoe eerst haar dochter en vervolgens haar echtgenoot naar Siberië werden afgevoerd. Verlaten en verarmd, met alleen nog haar onhandelbare puberzoon bij zich, sloeg ze op 31 augustus 1941 de hand aan zichzelf.

'Als eens, van kienen moe, het kind/ Loop ik straks weg van 't spel,/ Blij dat ik geen geloof meer in/ Nóg eens een wereld stel.' Die regels schreef Tsvetajeva op jonge leeftijd. Al is de verleiding groot, ze zijn te licht van kleur om er een voorafschaduwing in te zien van haar latere zelfmoord, die ze immers pleegde toen over haar leven, evenals over heel haar land, een diepe duisternis was neergedaald. Haar desparate daad was geen 'weglopen van 't spel', al zijn er tijdgenoten die, in een poging Tsvetajeva's onberekenbare karakter te doorgronden, beweren dat haar heftige emoties tot op zekere hoogte altijd gespeeld waren, met de bedoeling om er des te vlammender poëzie van te maken.

Dat beweert bijvoorbeeld Nina Berberova, die haar in Praag en in Parijs van nabij meemaakte. “Tsvetajeva”, schrijft Berberova in haar memoires, “gaf toe aan de oude, decadente verleiding zich een voorstelling van zichzelf te maken: de dichter als een wangedrocht, miskend en onbegrepen; de moeder van haar kinderen en de vrouw van haar man; de minnares van een jonge efebe; iemand met een sprookjesachtig verleden; de zanger van het tot ondergang gedoemde leger (het Witte leger, waar haar man in vocht - red.) leerling en vriend, hartstochtelijke vriendin. Uit zulke 'persoonsbeelden' maakte ze gedichten, grootse gedichten van onze tijd. Maar ze was geen meester over zichzelf, ze had zichzelf niet gemaakt, ze kende zichzelf niet. Ze was weerloos, roekeloos en ongelukkig.”

Dat Tsvetajeva in haar gedichten zelfgekozen 'persoonsbeelden' van zichzelf schiep, lijkt moeilijk vol te houden, ook al wordt die veronderstelling ogenschijnlijk geschraagd door haar eigen opmerking dat er minstens zeven dichters in haar werkzaam zijn. Daarvoor is haar poëzie, zoals Fondse met recht benadrukt, veel te spontaan, ook al heeft ze aan elk gedicht na de eerste eruptie nog eindeloos geschaafd. Tsvetajeva is in ieder van haar zeer verschillende gedichten voor de volle honderd procent aanwezig, ze schuift geen voorstellingen tussen zichzelf en de lezer in. Wie denkt dat ze dat wel doet, geeft slechts blijk van de maar al te menselijke moeite om te accepteren dat de schepper van zulke mooie poëzie een lastig, wispelturig, bijkans hysterisch en, naar het zich laat aanzien, onaangenaam en onuitstaanbaar karakter heeft.

En ze zou zichzelf niet kennen, zoals Berberova beweert? Voor haar dan deze twee strofen uit een gedicht uit 1920, waarin Tsvetajeva zichzelf met zeeschuim vergelijkt - niet origineel, maar let op hoe fris:

Er zijn er uit leem en er zijn er uit steen en Ik zelf ben geschitter van zilver! Mijn naam is Marina, de wisseling mijn wezen, Ik ben zeeschuim, het grillige zilte.

Mijn eigengereidheid breekt dwars alle harten En netten door, niet te bedwingen Uit mij - zie mijn krullen die elk gezag tarten - Valt geen zout der aarde te winnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden