Review

Marijnis kegelt als een jongleur met taal en beelden

'Gillette' is het poëziedebuut van Paul Marijnis. De flaptekst noemt zijn gedichten 'een vorm van emblematische kunst'. Een praatje bij een plaatje, zoals dat in de renaissance in zwang is geweest. Het ging daarbij vaak om puntig geformuleerde levenswijsheden op velerlei gebied. De emblemataliteratuur had iets van onze eigentijdse columns: kort, gevarieerd en moraliserend.

Marijnis' gedichten zijn inderdaad pregnant en snedig, maar een expliciete moraal ontbreekt. Ook staan er geen plaatjes bij: de bundel bevat gewoon alleen maar tekst. Toch is die verwijzing naar de emblematische kunst geen onzin, gezien de hoge graad van visualiteit van de gedichten. Ze zijn zeg maar plaatje en tekst ineen, een effect dat vooral wordt bereikt door het verrassende beeldgebruik. Elk gedicht is een pirouette van soms gezochte maar altijd rake metaforen.

Marijnis voert wat dit betreft echt een nummer op. En het moet gezegd: zijn beeldenkraam is veelal origineel en treffend. Zo karakteriseert hij de buldog achtereenvolgens als 'een bom met korte lont', een 'huishoudheld' en 'een melancholieke matador, / een doder die niet weet waarvoor'. En de ringnekfazant als 'theekoepelridder', 'gazonsamoerai', 'Martiale aansteller', 'fatale dandy' en 'arme galante danser'. Je moet er maar opkomen. Verschillende vogels, dieren, bomen en ook alledaagse voorwerpen als een bril, een stoel of een servies komen aldus in de bundel aan bod. Gezamenlijk vormen ze een literair prentenkabinet.

Hoe je deze poëzie verder ook beoordeelt, de virtuoze plasticiteit ervan dwingt in elk geval bewondering af. Of het nu gaat om zwarte zwanen met hun 'vlugge glimp van witte lingerie / onder roetwolk van rokken', of om de voorstelling van een kerkuil als een 'vale predikant, / getogaad in het blankst fluweel', het is, hoewel een beetje rococo, allemaal mooi gezegd en gezien. Soms klinken de beelden al even barok als ze eruitzien, getuige de aanhef van 'Europese koekoek': 'O anonieme onomatopoeet!'

Er is bij dit alles wel enigszins sprake van metaforische overkill. Het is knap wat Marijnis doet, maar ook knap eenzijdig en kunstmatig. Anderszijds heeft dat artificiële aantrekkelijke kanten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het halfironische, halfernstige 'Bij een boeket', dat handelt over een bosje kunstrozen met steeltjes van ijzerdraad en kroonblaadjes van crêpe de Chine. Het is nep, maar evenzogoed gaat het hier om 'stijlbloempjes die veel langer staan dan echte'. De beschouwer van deze namaak wordt zelfs beleefd uitgenodigd zich ontroerd te betonen: 'probeer dan een paar dauwdruppels te huilen'. Je reinste kitsch, zeker, maar als ik Marijnis goed begrijp gaat het daar juist om. Want: 'Brengt zoveel kunst geen ware tranen boven? / Hun blikken doornen doen de vingers snikken / tot naar behoren op mijn werkstuk is geplengd. / Kunst als bedrog eist list'. Het gedicht zelf ('mijn werkstuk') is dus ook een soort kunstboeket, en de uitwerking op de lezer wordt als 'kuis en decadent' voorgesteld.

Wat te zeggen van zoveel namaak en bedrog, van deze filmtranen zonder tal? Wel, in elk geval toch dit: dat filmtranen de onbevangen beschouwer vaak heftiger ontroeren dan echte tranen zouden doen. Dat is het dubbelzinnige van de kunstmatigheid: zij liegt de waarheid beter dan de waarheid zelf.

De lezer zit als het goed is mee in het complot. Hij eist zelfs van de dichter 'dat hij onder ede liegt', zoals het in het vermakelijke zelfportret 'Dichter' heet. Intussen wil ik deze poëzie geen zwaardere lading geven dan zij heeft. Het existiëntiele en beschouwelijke komt slechts mondjesmaat aan bod. Marijnis wil als gezegd vooral frapperen met zijn barokke beeldspraak. Hij gebruikt ergens de term 'equilibrettist', een samentrekking van 'equilibrist' en 'librettist'.

Die term is volledig op hem van toepassing. Hij is een jongleur die met taal en beelden kegelt en op het wankele koord der versregels zijn grillige buitelingen maakt. Dat is zijn kunst, en wie dat als poëtisch credo te mager vindt zal zeggen: dat is zijn kunstje. Niettemin weet hij daarbij soms emotionele snaren te raken: weemoed en eenzaamheid in 'Europese koekoek', vergeefsheid in 'Bonte specht', verdriet om de teloorgang der dingen in 'Gewone alikruik' en 'Elegie'. Of neem 'Egel':

Analfabete pennendrager, gids van zijn eigen labyrint. Navelstaarder, schatbewaarder, fakirs vriend hoest onder hagen.

De stekelige eerste strofe (wat een beelden weer!) ligt als het ware in egelstelling: de egel-schatbewaarder verdedigt zich. De tweede breekt met slechts één regel door die afweer heen. De egel hoest en krijgt daarmee opeens iets kwetsbaars. Ik weet wel dat egels in werkelijkheid een hoestend geluid maken, maar hier denk je toch aan écht hoesten en dat heeft na alle stekeligheden iets aandoenlijks. Aandoenlijk, maar dan op een groteske manier, is ook 'Tafel':

Waarom werd de staart vergeten? Door wie werd hij zo verminkt? Impotent, stom, doof en blind, eiken koe die alles draaglijk vindt. Geduldig wachtend tot de hemelen scheuren: eens zal het gebeuren.

De metafoor bezielt de tafel: het ding wordt een dier. Maar wat voor een! Staart- en koploos, onmachtig om in welk opzicht dan ook contact te maken met zijn omgeving. En dát staat te wachten op het scheuren der hemelen. Heeft het daar weet van? Kan het, als het grote moment daar is, dáármee dan wel contact maken? Is het überhaupt voorbestemd voor het hogere? Dat een doodgewone tafel tegelijk zo geestig en zo treurig te kijk kan staan is op zijn minst bijzonder. Marijnis doet kortom nog wel iets meer dan plastische capriolen maken. Op zijn beste momenten raken zijn vreemde voorstellingen je ook.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden