Review

Marieke Jonkman: in andermans huid

In drie jaar schreef ze drie succesvolle dichtbundels. Haar naam stond in mum van tijd op een lijn met die van een gevestigde dichteres als Judith Herzberg en een zeldzame nieuwkomer als Anna Enquist. Maar waar zij soms naar buiten treden, is haar gezicht onbekend. Wie is Marieke Jonkman?

DIRK ZWART

De uitgeverij verstrekte geen foto van haar. Zij sloeg alle uitnodigingen voor interviews en optredens af. Bij sommigen werd bekend dat haar naam een pseudoniem was, maar van wie? Nu, bij het verschijnen van haar derde bundel, heeft de dichteres besloten naar voren te treden.

Ze blijkt een man te zijn: de schrijver en leraar Nederlands Henk van der Ent, die als de dichter Anton Ent reeds een oeuvre bij elkaar schreef. Na vanaf 1969 vijf bundels gepubliceerd te hebben bij christelijke uitgeverijen, vond hij vanaf 1983 poetisch onderdak bij uitgeverij De Arbeiderspers. Daar verschenen 'De hoed van Kierkegaard' (1983), 'Feestgangers' (1986), 'Zwart zilver' (1989) en 'Domein van meidoorn' (1992). Het is poezie van hoog niveau en een geheel eigen toon en taalgebruik, die tot nog toe vrijwel onopgemerkt bleef, terwijl de poezie van Marieke Jonkman direkt erkenning kreeg. Een publiciteitsstunt van een miskend dichter? Of is er meer aan de hand?

Waarom ben je als 'Marieke Jonkman' gaan publiceren?

“Ik vond die naam aantrekkelijk wat betreft klank en betekenis: pittig en een beetje aristocratisch. Het is de naam van iemand die zelfbewust aanwezig is, een adellijke vrouw die iets te vertellen heeft.”

Alsof je die naam willekeurig hebt gekozen: een van je dochters heet Marieke Jongman: slechts een letter verschil in de achternaam. Je hebt zelfs post vanaf haar adres gestuurd naar een literair tijdschrift.

“Ik vind dat volstrekt irrelevant en ik wil mijn dochter er graag buiten laten. Het gaat erom dat ik een vrouwelijk pseudoniem koos, niet welk. Ik heb altijd al behoefte gevoeld aan een vrouwelijke schuilnaam naast mijn mannelijke. Behalve gedichten vanuit mannelijk perspektief heb ik sinds 1963 ook gedichten geschreven vanuit een vrouwelijk perspektief. De mens is androgyn, tweeslachtig, hij is in wezen en mannelijk en vrouwelijk. In de gedichten van Marieke Jonkman geef ik vorm aan de vrouw in mij.”

Kon je dat niet als Anton Ent? Je kunt in gedichten toch een vrouwelijke ik-figuur opvoeren?

“Nee, dat kon niet. Marieke Jonkman is echt een ander, een afsplitsing van mezelf, een vrouw in mij, die mij als woordvoerster heeft gekozen. Vanaf het moment dat ik begon te schrijven heb ik vlagen gekend waarin ik als vrouw schreef. Toen vond ik het al vanzelfsprekend dat ik soms aan de vrouw in mezelf stem gaf, al wist ik er geen raad mee. Ik schreef gedichten onder de namen Antonia en Antoinette en herschreef ze in mannelijk vorm. Ik heb in 1963 zelfs een hele gedichtenbundel geschreven onder de naam Antoinette van der Ent. Zeven gedichten daaruit heb ik in 'Plejaden' opgenomen.”

Waarom is die bundel niet uitgegeven?

“Ik heb die bundel aan een literaire uitgever aangeboden. Na een half jaar kreeg ik hem terug met een afwijzend berichtje, waarna ik hem in een la heb gestopt. Het was me zelf ook niet zo duidelijk wat ik met die vrouw in me aan moest. Het was voor mij vooral een vorm van bewustwording, het bewuster gehoor geven aan een ander deel van mijn innerlijk. Ik denk dat veel mannen de vrouwelijke kant in zichzelf tegenkomen, maar daarvoor niet durven uitkomen.”

Waarom wilde je niet alsnog als Antoinette van der Ent publiceren?

“Nu is dat pseudoniem te doorzichtig en daarmee komt niet naar voren dat zij een ander is. Ze moet de stem van een ander zijn, niet een andere stem van mij.”

Waarom onthul je je pseudoniem dan nu?

“Omdat ik steeds banger begin te worden dat iemand er op een gegeven moment achter komt en mij ontmaskert, terwijl ik er zelf mee voor de dag wil komen. Ik wou dat ik daar direkt al de moed voor had gehad. Wanneer ik een prijs had ontvangen, had ik het onthuld, zo ver was ik toch wel. Maar ik ben er zeer huiverig voor, dat dit alles in een sensationele sfeer wordt getrokken. Het is mij absoluut niet om publiciteit te doen, integendeel, ik ben van plan alle publiciteit af te houden, zeker voorzover ze mijn persoon betreft. Het gaat om de poezie. Bovendien ben ik bang voor de kleingeestigheid. Er zijn altijd kleingeestigen die zich dit niet kunnen voorstellen en daarom de motieven en thema's niet meer authentiek vinden, of menen dat mijn vrouwelijke en soms moederlijke gevoelens niet echt zijn. Dat zou me werkelijk grieven. Het niveau van een criticus wordt voor mij bepaald door de manier waarop hij in een volgende kritiek deze informatie verwerkt.”

Had je liever een vrouw willen zijn?

“Ik voel me prima als man, maar ik zou er absoluut geen bezwaar tegen gehad hebben als ik als vrouw ter wereld was gekomen.”

In je novelle 'Wie niet zien kan' denkt de hoofdpersoon terug aan zijn jeugd. 'Als tweede zoon was ik een geweldige tegenvaller, omdat ik geen meisje was waarop ze (= zijn moeder) al haar hoop had gesteld en waarom ze zo vurig had gebeden. Toch moet ze me opgenomen hebben, trots, liefdevol, vooral in de periode dat ik krulletjes, een meisjesnaam, meisjesachtige kleren droeg en ze me als haar dochtertje behandelde.' Is dit een autobiografisch element in je boek?

“Dat is de visie van de hoofdfiguur op zijn jeugd. Dat kenmerkt hem als iemand die op zoek is naar geborgenheid, waarover dit boekje gaat. Of de feiten autobiografisch zijn? Deze vraag maakt duidelijk waarom ik tegen publiciteit ben die niets met mijn poezie te maken heeft. Wat moet je met een antwoord? Wil je voor psycholoog spelen en het bestaan van Marieke verklaren? Maar goed, als je per se een reaktie wilt horen, dan zeg ik nee. Niemand kan zo ver in zijn geheugen teruggaan. Wel staat vast dat ik mooi krullend haar had en opgezadeld was met de naam Hennie. Ik kreeg een hekel aan die meisjesnaam en heb die passend veranderd. Voor de duidelijkheid: ik was en ben tevreden met mijn lichaam en ik heb bijvoorbeeld nooit de neiging gehad om aan travestie te doen.”

Is publiceren als Marieke Jonkman niet een soort travestie?

“Nee, travestie is het aannemen van een andere gedaante, verkleding, inkleding, vervorming, maskerade. Er is bij mij geen sprake van vermomming, metamorfose of verhulling, ik neem geen andere gedaante aan zoals een travestiet andere kleding aantrekt. Ik treed terug en laat Marieke Jonkman aan het woord.”

Wat is volgens jou vrouwelijk, en wat mannelijk?

“Daar ben ik een essay over aan het schrijven. Er zijn zoveel theorieen. De vraag is wie ze hebben opgesteld. Kan een man bepalen wat 'mannelijk' is? Dan gaat hij op zoek naar een eigenschap die hij bezit en die volgens hem niet bij een vrouw voorkomt, maar hoe weet hij dat? Hoe kan hij zoeken naar 'vrouwelijke' kenmerken? Ik vind het bijvoorbeeld onzin om 'receptief' vrouwelijk te noemen en 'constructief' mannelijk, of om tegenstellingen als actief-passief, gevoel-verstand of zacht-hard te gebruiken.

Andreas Burnier zegt dat we allen eigenlijk vrouw zijn, en dat mannen daarvan een deviante vorm zijn. Maarten 't Hart beweert dat vrouwen voortreffelijker en bevoorrechte wezens zijn boven de man. Ik kan daar allen mijn - even onwetenschappelijke - beleving naast stellen van het vrouwelijke in mij, dat zijn neerslag heeft gevonden in mijn gedichten. Het is vooral een lichamelijk gevoel, een soort smelten.

Het is mij trouwens opgevallen dat meerdere dichters dit gevoel met zulke termen beschrijven. Als Marsman zich in het gedicht 'De bruid' met een vrouw identificeert, schrijft hij: 'nu smelt ik weg en voel mij openstromen / naar alle verten van den horizon, / maar ik weet niet / meer waar mijn loop begon.' ''

Je stelt dat je als Marieke Jonkman iemand anders bent dan als Anton Ent. Zijn die twee kanten niet te integreren?

“In de poezie niet. Het is juist het heerlijke van kunst dat die integratie niet nodig is. Ik heb het niet zo op integratie en harmonie. Er is moed voor nodig om voor je verscheurde ziel en je verwarde geest uit te komen.”

Maar je hoopt toch op verlossing daarvan, om ooit 'heel' en geheeld te worden? Verlangen naar harmonie en eenwording is toch een fundamentele menselijke drijfveer, die in je poezie ook sterk naar voren komt, dacht ik.

“Het hartstochtelijk verlangen naar de vervulling en voltooiing is een belangrijk gegeven in de poezie van Anton Ent. Van Plato's 'Symposion' tot vandaag toe tref je dat in de literatuur aan. Bloem, de dichter van het verlangen, noemde het de goddelijke onvervuldheid. Dat is essentieel voor de mens, dat erken ik. Maar Marieke Jonkman voegt er iets aan toe: spreken over harmonie kan volgens haar een vorm van lafheid zijn. Dan maakt de gedachte aan de vervulling de mens ongevoelig voor het besef van onvolkomenheid en leegheid nu. Het gaat haar om de moed jezelf bloot te geven en te tonen waar de scheuren en de barsten zitten.”

Waarom eigenlijk maak je een onderscheid tussen de dichter (Anton Ent, Marieke Jonkman) en jezelf?

“Zo beleef ik dat. Ik ben een burger, Anton Ent is de kunstenaar in mij. Ik ben een man, Marieke Jonkman is de vrouw in mij.

Eigenlijk heb ik geen zin om, zoals Pessoa dat heeft gedaan, te verklaren waarom ik me heb versplinterd in pseudoniemen. Ik heb geen behoefte aan zelfverdediging. Pessoa, die zich van vele pseudoniemen bediende, schreef dat het onnodig lijkt een zaak te verduidelijken die zo eenvoudig en intutief te begrijpen is, maar dat het noodzakelijk is omdat de menselijke domheid groot, en de menselijke wil niet opzienbarend is. Hij schreef ook: 'Today I have no personality: all that is human in me I have divided among the various authors of whose work I have been the executant.' Dat onderschrijf ik volkomen.

Trouwens, ook toneelschrijvers en romanschrijvers splitsen zich in en vereenzelvigen zich met diverse personages. Om je te kunnen identificeren met een vrouwelijke hoofdpersoon, zoals vele schrijvers hebben gedaan, moet je te rade gaan bij de vrouw in jezelf. De uitspraak van Flaubert: 'Madame Bovary, c'est moi', moeten we letterlijk nemen.''

Het is een feit dat je als Anton Ent, ondanks inmiddels vier bundels bij De Arbeiderspers, nauwelijks opgemerkt wordt als dichter. Frustreert je dat?

“Iedere dichter wil gelezen worden, dat is duidelijk. Daarom is het noodzakelijk dat er recensies verschijnen, anders weten de mensen niet dat er een nieuwe bundel verschenen is. Uit dat oogpunt bekeken vind ik het vervelend dat er geen aandacht aan mijn publicaties gegeven wordt. Op praktische gronden dus. Persoonlijk heb ik een hekel aan triviale publiciteit. Een kunstenaar moet daarboven staan en niet via de media naar de gunst van het publiek dingen. Het gaat om zijn werk.”

Hoe zou het komen dat het werk van Anton Ent zo weinig aandacht krijgt?

“Ik heb daar wel een paar veronderstellingen over. De bundels die bij De Arbeiderspers zijn verschenen bevatten, op de laatste na, allemaal cycli. Je kunt de gedichten niet los van elkaar lezen, begrijpen of citeren, zoals je van een goed diner ook niet alleen de groente, het nagerecht, de wijn, de saus of het vlees kunt eten. Het gaat om het geheel, het evenwicht, het samenspel van de smaken. Als je een bundel van mij openslaat en er iets in leest, snap je er geen jota van. Je moet ervoor gaan zitten, zoals voor een muziekstuk. Voor het beluisteren van een concert of cd neem je ook de tijd. Mijn cycli zijn symfonieen.

Ten tweede verschijnt er teveel poezie. Mijn werk is voor critici waarschijnlijk te tijdrovend. Bovendien ken ik geen critici persoonlijk. Ik sta buiten alle circuits. Ik veronderstel ook dat het te maken heeft met het feit dat ik niet de artiest uithang. Ik voel me alleen kunstenaar als ik schrijf. En ik ben gewoon leraar Nederlands - je moet als dichter tegenwoordig ook een beetje interessant zijn als mens of een belangwekkend beroep hebben.

Ten slotte heb ik het idee dat critici slechts een rationele antenne bezitten en dus niet opvangen wat ik uitzend. Ze beoordelen mijn gedichten als experimentele poezie of als verstandelijke poezie, en in beide gevallen kom je niet ver genoeg. Ik bedoel dus: niet ver genoeg. Je kunt meer dan betekenissen en associaties als middelen gebruiken, ook klank en ritme zijn bijzonder belangrijk. Ik voel me wat dat betreft verwant met Eliot en Nijhoff. Als Nijhoff schrijft in 'De eenzame': 'Beneden draven paarden door de straat', zegt hij dat er beneden paarden door de straat draven. Dan is het onzin om te vragen naar het hoe, wat, waarheen en waarom van die dravende paarden. 'De dingen zijn niet meer dan hunne naam', is trouwens de regel die erop volgt. Wie die regel niet hoort, is doof. Wie die regel niet proeft, heeft geen smaak. Dravende paarden door een straat in de nacht, dat is een auditief en visueel beeld dat voor zichzelf spreekt. In de werkelijkheid. Dat is het cruciale punt: wat doet het beeld in realiteit. Spreekt het, is het veelzeggend? Mensen zien niets meer. Dus in mijn gedichten zien ze ook niets.''

Heb je niet het idee dat het gebrek aan aandacht voor jouw poezie te maken heeft met een soort allergie voor de religieuze thematiek?

“Nee, religieuze motieven zijn universeel en niet godsdienstig van aard. Ik kan me niet voorstellen dat een criticus daarop afhaakt. Goede poezie is altijd religieus, ze laat zien waarom en hoe iemand zijn hoofd boven water houdt. Ik kom uit een gereformeerd milieu, maar beschouw mezelf als een agnost die sterk verbonden is met de christelijke traditie.

De Naam blijft een mysterie. Het christendom heeft naar mijn mening teveel omschreven en beschreven. Het bevindt zich nu gelukkig in een stroomversnelling, in die zin dat het zich steeds meer losmaakt van wat niet rationeel vastgelegd kan en mag worden. De geheimen komen weer op ons af, en die wil ik in mijn poezie verwoorden.''

Het is toch merkwaardig dat de poezie van Marieke Jonkman vanaf het begin wel ruime aandacht gekregen heeft, terwijl die poezie, zeker in de eerste bundel, onmiskenbaar dezelfde toon en hetzelfde taal- en beeldgebruik heeft als die van Anton Ent.

“Als dat zo is, heb ik goede argumenten uit mijn slof te schieten tegen critici die Marieke Jonkman wel en Anton Ent niet besproken hebben. Naar mijn mening zijn de gedichten van Marieke Jonkman wel anders van toon en inhoud, maar ik heb ook de indruk dat men bij redacties van kranten en tijdschriften en bij uitgeverijen meer alert is op het werk van een vrouw dan dat van een man. Marieke Jonkman komt duidelijk meer in de picture dan Anton Ent.”

Misschien krijgt het werk van Anton Ent nu ook meer aandacht.

“IK wil niet dat critici mij bespreken omdat ik in poezie vorm geeft aan de verschillende persoonlijkheden in mij. Ik wil dat ze aandacht aan me besteden omdat mijn gedichten dat waard zijn. Sommige kanten van Marieke Jonkman, zoals haar neiging tot zelfdestructie en haar angst voor aanranding, zijn voor mezelf ook een raadsel. Ik hoef dat gelukkig niet op te lossen. Het gaat erom of zij haar psychische strijd, waarin het vrouwelijke om erkenning vraagt en ervaart hoe het mannelijke dit de kop indrukt.

De boosaardige vader, de snauwende man, de aanrandende minnaar, de incestueuze broer, de jagende god, zij allen personifieren het rationele bewustzijn dat de Eros geweld aandoet. Of ze weerspiegelen de strijd in mijn jeugd, die tussen een boosaardige God die gerechtigheid wil en de natuurlijke mens die altijd schuldig is.''

Blijft Marieke Jonkman schuldig?

“Ja. Evenals Anton Ent.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden