Maria Callas, de vocale ijzervreter

Maria Callas in Parijs, december 1958 Beeld Claude Poirier / Roger-Violet /

Eenzaam en uitgeblust stierf Maria Callas in Parijs, zaterdag veertig jaar geleden. Warner brengt vrijdag twintig opera-opnamen van haar uit, in een geluid dat glanzender is dan ooit. Nu hoor je nog scherper dat stemactrice Callas live op de planken alles en iedereen opvrat.

Het waren twee droevige maanden in 1977. Op 16 augustus overleed Elvis Presley en precies een maand later, op 16 september, werd Maria Callas dood aangetroffen in haar appartement in Parijs. Dramatische sterfgevallen, legendarische grootheden op hun eigen, zo verschillende vocale terreinen. Presley veranderde de popmuziek voor altijd en Callas deed datzelfde met de opera. Culthelden werden het, die veertig jaar na hun dood nog altijd een enorme schare fans achter zich weten. Niet alleen omdat ze zo groots en uniek waren in hun gloriedagen, maar vooral omdat er in hun privé-levens zo veel gedoe was. Levens die uiteindelijk zo miezerig eindigden. Presley, The King. Callas, La Divina. Ze waren op de dag van hun overlijden geen schim meer van hun vroegere zelf. Gevallen van de troon, respectievelijk uit de hemel.

De Presley-herdenkingen en -terugblikken zijn inmiddels achter de rug, die van Callas de Goddelijke nemen een aanvang. Er zijn tentoonstellingen in Parijs en in Milaan, twee steden waar ze triomfen vierde. Muziektijdschriften overal ter wereld zetten haar deze maand op de cover. En twintig van haar legendarische live-opnamen verschijnen vrijdag in een kloeke box van 42 cd's. Daarop is de spectaculaire ontwikkeling van een fenomeen vastgelegd, een vocale ijzervreter en krijger, die juist als ze live op de planken stond alles en iedereen opvrat. Van 'Nabucco' in Napels (1949) tot aan 'Tosca' in Londen (1964) - een jaar later nam ze in Parijs definitief afscheid van het operatoneel - komt een zinderende carrière tot leven. Een relatief korte carrière van slechts vijftien jaar, maar wat voor een!

!957, op het Internationale Film Festival in Venetië Beeld akg / Archivio Mario De Biasi di

Iemand vergeleek die loopbaan ooit met een kaars die met flakkerende en loevende vlammen aan beide einden opbrandde. Zoals in het gedicht van Edna St. Vincent Millay, dat John Ardoin in zijn boek 'The Callas Legacy' als motto gebruikte:

My candle burns at both ends;
It will not last the night;
But, ah, my foes, and oh, my friends
It gives a lovely light.

Te snel opgebrand. Te veel gevergd van haar stembanden. Te rigoureus afgevallen. Te impulsief in haar omgang met impresario's, collega's en operadirecteuren. Te naïef in haar liefde voor scheepsmagnaat Aristoteles Onassis. Te diep verzeild geraakt in de wereld van de jetset. Te veel controverse over haar privéleven dat haar kunst uiteindelijk volledig overschaduwde. Alles is eigenlijk 'te' als je het over Callas hebt, waarbij de echte liefhebber verzucht dat hij te kort van haar heeft kunnen genieten. Een leven vol vocale hoogtepunten en vol schandalen. Het 'lovely light' uit het gedicht brandde fel voor de operaliefhebber, maar ook voor de roddelpers.

Wezenloze ploertigheid

Ze schoffeerde bij een gala-voorstelling van 'Norma' in Rome de president van Italië door na de pauze niet terug te keren op de bühne, omdat haar stem het zou hebben laten afweten. Toen ze in 1958 toestemde om terug te keren naar Covent Garden in Londen voor 'Tosca' was het bestuur van het theater daar alleszins blij mee, omdat Callas inmiddels meer figureerde als society-figuur in de boulevardpers dan als operazangeres in de serieuze kunstkaternen. In een van die katernen in The Times stond het in 1958 zwart op wit: 'De luidruchtige, vulgaire, oppervlakkige, wezenloze ploertigheid van een hyper-typisch Callas première-publiek!' Zo. Ze maakte wat los, aan beide einden van het liefhebber-spectrum.

In mei 1960 met Aristoteles Onassis Beeld UPI/Topfoto/ArenaPAL

Prima donna assoluta

Maar laten we terugkeren naar haar kunst, naar die nieuw opgepoetste live-opnamen en er eentje uitpikken. Het is 7 december 1960. In de Scala van Milaan maakt men zich opgewonden op voor de opening van het seizoen. De spanning, altijd al groot bij seizoensopeningen, is gestegen tot een nauwelijks te controleren kookpunt. Twee seizoenen lang heeft Maria Callas geen stap op de planken van het vermaarde operahuis gezet, waar ze in 1949 inviel voor haar grote rivale Renata Tebaldi en waar ze in samenwerking met regisseur Luchino Visconti uitgroeide tot ongekroonde 'prima donna assoluta'.

Twee hele seizoenen heeft ze niet op die ene bijzondere plek in het vermaarde operahuis gestaan die voor haar stem akoestisch het beste was. De plek waar ze volgens haarzelf het best haar stem het auditorium in kon projecteren. En o wee wie haar daar wilde verdringen. Een plek op de planken, die veertig jaar na haar dood nog steeds haar naam draagt: de Callas-plek. Er is niks te zien, niets gemarkeerd, maar het is alsof daar een halo van een lang vervlogen echo hangt. En nog altijd benaderen hedendaagse zangeressen dat stukje bühne - aan de rand van het toneel, een metertje rechts van het midden - met een zekere aarzeling. Met egards vooral.

In Milaan heeft men op die 7de december 1960 gekozen voor de opera 'Poliuto' van Donizetti. Opmerkelijk, want dat is een echte tenor-opera en met Franco Corelli is een tenor van uitzonderlijk kaliber geëngageerd. Poliuto is eigenlijk helemaal geen titel voor de langverwachte terugkeer van een heldin. De rol van Paolina, de Romeinse martelares, past ook al niet bij het beeld dat de Milanezen van hun geliefde Callas hebben: de tijgerin die haar klauwen in partituren en vijanden zet, de schier onoverwinnelijke vocale krijger.

Spanning is te horen

Op de live-opname die van die avond gemaakt is, kun je de spanning haast horen. Het knispert en vonkt in het auditorium, gevuld met de rich and famous in de parterre, en met de gevreesde loggionisti, de zelfverklaarde stemmenkenners, in de engelenbak bovenin - op het schellinkje. Corelli oogst voor zijn eerste aria een oorverdovend applaus. Maar dan. Het orkest speelt een prelude. Callas komt op. Je ziet het bijna voor je. Nog vóór ze een noot heeft gezongen, breekt het tumult in de zaal los. Men juicht en scandeert haar naam - 'Maria, Mariaa, Mariaaaaa!' - dirigent Votto moet de muziek stilleggen. Callas zal weten dat de Milanezen haar gemist hebben en haar op handen dragen.

Het klinkt in de nieuwe remastering allemaal duidelijker dan ooit; alsof je erbij bent. Er zijn meer van die opzienbarende momenten. De lang aangehouden hoge E bijvoorbeeld, waarmee zij in Mexico City (1951), totaal tegen de partituur in, de triomfscène van 'Aida' verpletterend afsloot. Ze deed het ooit om een stijlloos loeiende tenor een hak te zetten, en het sloeg zo aan (luister naar het pandemonium dat in het theater uitbreekt), dat ze die noot 'bewaarde' voor latere uitvoeringen.

In 1958 in Rome tijdens een persconferentie Beeld RV

Risicovol zingen

Nog eerder, in Napels (1949), is ze een vervaarlijke Abigaille in 'Nabucco'. Wat is het mooi om haar zo risicovol zingend, en zo jong terug te horen. Ook daar zindering in het theater, vooral na het beroemde Slavenkoor, het officieuze Italiaanse volkslied. Nog voor de slotnoot klinkt, breekt de hel los in Napels. Met geknakte trots, zo vlak na de oorlog, schreeuwt men keihard: 'Viva Italia!' Ook hier moet de muziek worden stilgelegd.

En dan hebben we nog die fameuze hoge Es uit Bellini's 'La sonnambula' (Milaan, 1955), de fenomenale in het Italiaans gezongen 'Parsifal' van Wagner (Rome, 1950), de laaiende 'Macbeth' met dirigent De Sabata (Milaan, 1952) en de onwaarschijnlijke 'Armida' van Rossini (Florence, 1952).

Net als eerder gebeurde bij haar studio-opnamen is er alles aan gedaan om die live-registraties, soms in ronduit abominabel geluid, nog een keer in de best mogelijke conditie voor het nageslacht te bewaren. Er werd gezocht naar betere analoge bronnen - banden en platen - dan de bekende. En die werden gevonden ook. Veel nadruk werd gelegd op het afdraaien op het juiste toerental, zodat de toonhoogtes van de uitvoeringen klopten. En het moet gezegd, in sommige gevallen is de verrassing groot. Het blijven natuurlijk historische opnamen, gemaakt in verre van ideale omstandigheden, maar wat de technici voor elkaar hebben gekregen, is in sommige gevallen verbluffend.

Meer dan ooit heb je het gevoel dat je naar deze opnamen eerder met je ogen luistert, dan met je oren. Je ziet Callas voor je, omdat ze zo'n fenomenale stemactrice was. Met die unieke stem, hoe imperfect die soms ook mocht zijn, tekende zij een personage auditief voor je uit en kon je niet anders dan je volledig gewonnen geven. Het is mooi dat met deze uitgave verschillende titels nu het stempel van 'officiële' opname hebben, en niet meer door het leven gaan als obscure piraten-opnamen. Het zijn vooral de opera's vóór Callas in 1953 een contract tekende bij EMI (inmiddels Warner), waar alle bekende studio-opnamen verschenen. Op die officiële, historische Callas-discografie is deze nieuwe box een meer dan welkome aanvulling. Een prachtig gestolde live-carrière.

Maria Callas in Venetië in 1957 Beeld RV

Abrupt einde

In juli 1965 stopte die live-carrière op de operabühne abrupt. In Londen zong ze nog eenmaal de titelrol in Puccini's 'Tosca' en toen was het gedaan met de vocale vechtersbaas, de zangeres die in de loopgraven van de operawereld had gestaan. Dat ze zo eenzaam en gedesillusioneerd stierf, past misschien bij het toch wel tragische leven dat ze leidde. Daar is vast een opera over te maken. Alleen heb je een Callas nodig om aan die eventuele opera volledig recht te doen.

Maria Callas Live (42 cd's plus 3 blu-rays) is vanaf vrijdag verkrijgbaar voor zo'n 120 euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden