Tien GebodenMarga Bult

Marga Bult: ‘Ik ben te levenslustig om op te geven’

Marga Bult: ‘Je kunt van alles over mij beweren, maar je mag me geen leugenaar noemen. Dat ben ik niet.’Beeld Mark Kohn

Marga Bult (Lattrop, 1956) is zangeres, presentatrice en verpleegkundige. Van 1981 tot 1986 maakte ze deel uit van de meidengroep Babe. In 1987 deed ze voor Nederland mee aan het Eurovisiesongfestival. Eind maart meldde zij zich aan als herintreedster in de zorg en ze werkte vorige week mei in een Udens zorghotel voor coronapatiënten.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“God was alles. Ik bad – in mijn vroege jeugd: altijd op de knietjes – voor het eten, voor het slapengaan en in de kerk, natuurlijk. Ik deed communie, kreeg het vormsel en ik ben ook nog een Pinksterbruidje geweest. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik moest huilen toen ik voor het eerst het verhaal over de kruisiging van Jezus hoorde. En al die andere bijbelverhalen: ik verslond ze, haalde voor iedere godsdienstles een negen. Tot ik me, rond mijn achttiende, begon af te vragen waar ik nou precies in geloofde. Ik ging de Bijbel herlezen en zag hoeveel onderdrukking er in zat. Wil je niet luisteren? Pas dan maar op! Dat heb ik óók heel erg meegekregen; dat er op je werd gelet, dat je geen fouten mocht maken omdat het anders slecht met je zou kunnen aflopen. Bidden, hard werken op de boerderij en iedere zondag naar de kerk: daar kwam het zo’n beetje op neer.

“Tegelijkertijd zijn mijn ouders ook gaan inzien dat er dingen niet klopten aan het katholieke geloof. Na de geboorte van haar zesde kind mocht – mócht! – mijn moeder van meneer pastoor eindelijk de pil gaan slikken, een pil vol rare hormonen die haar zo misselijk maakte dat ik haar elke ochtend in de stal zag overgeven. Als we een koe of een varken hadden geslacht moest ik het beste stuk vlees naar de pastorie brengen. Dat deden alle boeren in de buurt; die man moet echt een enorme vrieskist hebben gehad! Er was van alles mis met het katholicisme, maar de basis is goed en daar leef ik nog steeds naar: ik ben hier om mijn talenten te gebruiken, voor mijn naasten te zorgen en elke dag iets goeds te doen.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Als ik ergens enorm van baal roep ik: godsamme! Of: kut. Het mag in principe niet, maar soms... soms móet je er gewoon zoiets uitgooien en dan komen we meteen bij een ander probleem waar ik steeds vaker tegenaan loop: je kunt tegenwoordig niks meer zeggen in dit land. Eén Facebookberichtje, één tweet en je krijgt iedereen over je heen. Ik ben op sociale media veel voorzichtiger geworden want, ja, ik vind dat je moet kunnen zeggen wat je denkt, maar al die nare verwensingen en doodsbedreigingen kunnen me gestolen worden.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Zodra ik de Simon en Judaskerk in Lattrop binnenstap en de wierook ruik, ben ik weer helemaal thuis. Daar zaten we, iedere zondag, helemaal achterin: rij negentien. De matjes waarop ik mijn knieën heb stukgebeden hangen er nog. Ik heb ook gebaald, tuurlijk, het duurde me allemaal véél te lang, maar als ik er nu ben, voel ik een enorme rust over me heen komen. Die meditatieve sfeer, de rituelen, de muziek, de preek; ik begrijp heel goed hoe het geloof, op die manier, veel troost kan bieden.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader was een geweldige man. Twee meter lang, tanig, harde werker, positief ingesteld, geweldig gevoel voor humor. Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd, zei hij altijd. Mijn moeder was degene die hem in toom probeerde te houden. ‘Doe nou eens rustig Johan!’ Altijd op de achtergrond. Op bruiloften zou mijn vader het liefst met alle vrouwen dansen. Mijn moeder bleef aan de kant zitten, omdat ze last had van haar gewrichten. Mijn moeder hield het gezin draaiende, deed de financiën, hielp mee op de boerderij en naaide zelfs onze kleren. Ik hoorde ’s avonds laat haar naaimachine eindeloos ratelen. Papa was vooral ‘achter’ zoals wij dat noemden; op het land, bij de beesten. Hij kwam meestal tegen het avondeten thuis en als we iets nodig hadden, zei hij: ‘Vraag het maar aan mama. Dat doet mama wel.’ Het gekke is: ik had niet vaak echt één op één contact met hem en tóch had ik het gevoel dat we elkaar helemaal begrepen.

“Mijn moeder was best streng. Met haar had ik vaak strijd. Ik hield van het boerenleven, maar zo rond mijn veertiende, vijftiende begon het me echt te benauwen. Later, toen ik het huis uit was, kon ik pas zien hoe zwaar het voor mijn moeder moet zijn geweest. Hoe kei- en keihard ze heeft gewerkt. Mijn vader ook. Aan het eind van zijn leven kreeg mijn vader Parkinson en Alzheimer. Ook in die jaren heeft mijn moeder voor hem gezorgd. ‘Tot de dood ons scheidt’, dat hadden ze elkaar beloofd. Ik herinner me dat we in het begin dachten dat papa ons in de maling nam, net zoals vroeger. Misschien ook omdat mijn moeder hem, net als altijd, aanvulde en corrigeerde; die twee waren zo goed op elkaar ingespeeld. Twee jaar voor hij stierf, kwam mijn vader na een crisisopname in een verpleeghuis terecht. Daarna ging het snel steeds slechter met hem. Uiteindelijk gaf het bijna een soort opluchting dat hij mocht sterven. We hebben hem met z’n allen van de kerk naar het graf gedragen. Daar ligt-ie, onder een grote donkerrode beuk, naast het Mariakapelletje dat hij zelf heeft helpen bouwen, met uitzicht op de boerderij.

“Als ik naar mijn moeder ga – ze woont, 88 jaar oud, nog altijd zelfstandig in mijn ouderlijk huis – ga ik altijd bij het graf van mijn vader langs. Dan kijk ik eerst om me heen om er zeker van te zijn dat niemand me hoort en begin met hem te praten. ‘Moet je horen, pa, wat er nu weer is gebeurd...’ Want hij is daar ergens, ja. Er is iets. Er móet iets zijn. Het gaat er bij mij niet in dat alles gewoon stopt en dat dit hele leven van ons geen enkele zin heeft gehad.”

V Gij zult niet doden

“Toen ik examen deed als verpleegkundige, heb ik de eed afgelegd om mijn beroep op een verantwoorde en betrouwbare wijze uit te oefenen. Mijn keuze voor de verpleging is een keuze voor het leven, niet voor de dood. Ik werd als negentienjarige al met stervende mensen geconfronteerd en ook tijdens mijn werk, de afgelopen twee maanden in Zorghotel Udens Duyn, kwam ik weer met de dood in aanraking. Het begon in de palliatieve zorg met zo’n soort gesprek: ‘Waar komt u in terecht, qua benauwdheid en beademing? Wat nu als het een lange lijdensweg gaat worden?’ Soms werd in overleg met artsen en familie afgesproken om langzaamaan steeds meer rustgevende en pijnstillende middelen te geven. Ik vind het ook bij mijn vak als verpleegkundige horen om mensen te helpen in zo’n situatie, al heb ik zelf altijd gezegd dat ik geen euthanasie wil, geen extra morfine die me het laatste zetje geeft; ik wil het proces tot het eind meemaken, de beker tot de bodem leegdrinken. Ik geef niet zomaar op, daarvoor ben ik veel te levenslustig. Ik sta elke dag op met ‘Hallo, goedemorgen!’ Het leven kan zomaar afgelopen zijn dus probeer ik zoveel mogelijk van ieder moment te genieten.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Op een dag - ik zat net in de verpleging – kwam Edwin, één van mijn broers, bij me langs. ‘Mar,’ zei hij, ‘het is niet goed met me.’ ‘Je bent homoseksueel bedoel je? Dat weet ik al héél lang!’ Hij was altijd met verzorgende zaken bezig, heeft nooit een voetbal weggetrapt en zat voortdurend aan mijn haar te frutten. Voor hem is het een enorme worsteling geweest. Hij had anderhalf jaar verkering met een meisje gehad. Misschien hoopte hij wel dat het ‘over’ zou gaan. In ieder geval schaamde hij zich ervoor en hij was bang dat onze ouders er last van zouden krijgen. En inderdaad, kort nadat hij uit de kast was gekomen, werd er in Lattrop al over geroddeld: ‘Heb je ’t al gehoord? Bij Groeneveld hebben ze een homo!’ Tegen mijn moeder zeiden ze: ‘Het zal wel aan jullie liggen, er is vast iets niet goed gegaan in de opvoeding.’ De waarheid is natuurlijk dat de katholieke kerk ons jarenlang heeft willen wijsmaken dat het onkuis is om homoseksueel te zijn. Het is voor mij één van de redenen geweest om nog meer afstand te nemen van dat geloof.”

VII Gij zult niet stelen

“Als je het aan de vastgoedmakelaar vraagt van wie ik, samen met mijn ex, in 2014, 50.000 euro heb geleend om ons bedrijf, VIPevents, weer op poten te krijgen, zal je ongetwijfeld te horen krijgen dat ik hem heb bestolen. Hij heeft z’n geld nog niet terug, dat klopt, maar dat komt doordat ik vorig jaar in de schuldsanering terecht ben gekomen. Het is heel naar, hoe dit verhaal op straat is komen te liggen. Er zijn dingen gebeurd waarvan ik vind dat niet iedereen ze hoeft te weten. Jarenlang heb ik geprobeerd iedereen te beschermen en ondertussen zag ik alles wat ik sinds mijn zeventiende had opgebouwd afgebroken worden. O jongen, ik heb hier zo’n verdriet van gehad, dat wil je niet geloven. En om er dan van beschuldigd te worden dat ik iemand in feite probeer te belazeren? Nee. Het stomme is: ik heb die geldschieter eerder 20.000 aangeboden. Dat was niet genoeg. Nu kan ik pas over anderhalf jaar, als ik uit de schuldsanering kom, beginnen met terugbetalen. Beetje bij beetje.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“De vastgoedmakelaar gelooft me niet. Hij beweert dat ik ten onrechte in de schuldsanering zit, dat ik wél geld heb en dat ik overal het ‘zielige vrouwtje uithang’. Die man heeft echt iedereen – de media, vrienden en bekenden – bestookt met roddels over mij. Daarom heb ik hem aangeklaagd voor smaad, laster en belediging. De zaak is vanwege de coronacrisis uitgesteld, maar ik zal het er nooit bij laten zitten. Je kunt van alles over mij beweren, ik kan heus wel tegen een stootje, maar je mag me geen leugenaar noemen. Dat ben ik niet.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Toen ik zangeres werd in een bandje met vijf jongens, zag ik dingen gebeuren waarvan ik dacht: hallo, kan dat zomaar? Ze gingen regelmatig vreemd. Ik zei: ‘Jullie zijn getrouwd, hoe kunnen jullie zoiets doen?’ Hun antwoord was, terecht: ‘Waar bemoei jij je mee?’ Ik vind ook dat je zoiets zelf mag bepalen, maar ik ben altijd monogaam geweest. Mijn relaties... ik weet het niet, ik was zo’n type: alles wat zielig is, rolt zo mijn armen in. Wilfried (Bult, AV) en ik pasten achteraf, qua karakter, niet zo goed bij elkaar. We trouwden omdat samenwonen zondig was, maar na een paar jaar was het boek uit. Met Jan ging het beter. We waren jarenlang een ijzersterk team. Als ik je vertel dat we dertig jaar samen zijn geweest, maar ons vijfentwintigjarig huwelijksfeest helaas niet hebben gevierd, dan weet je wel genoeg. Na een aantal jaar alleen te zijn geweest, kreeg ik contact met Ludo, mijn ex-manager. Hij verloor zijn enige kind, ik had een echtscheiding achter de rug, zat in de financiële malaise en toen ik tijdens een optreden op een VVD-avondje ook nog eens van de trap viel en mijn been op drie plaatsen brak, stelde hij voor dat ik bij hem in Brabant zou komen wonen. Zo zijn we langzaam naar elkaar toegegroeid. En of we ooit trouwen, dat zien we dan wel weer. We zijn op een soort ontdekkingsreis en ik vind het ook wel spannend om te zien waar we uit gaan komen.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Natuurlijk ben ik wel eens jaloers geweest op het succes van een ander, maar ik heb me er nooit door laten leiden. Ik ben gezegend met een goede gezondheid, ik ben ook geestelijk altijd stabiel gebleven – terwijl ik wel tien keer een burn-out had kunnen hebben. Uiteindelijk gaat het om de manier waarop je denkt hè? Gedachten bepalen gevoelens. Ik herinner me die momenten in mijn leven nog goed, dat ik mezelf voelde wegzakken, maar ik heb ergens een knop in mezelf ontdekt en als ik die omzet, kan ik denken: ‘En nu is ’t genoeg geweest, Mar, stom wijf, pak je fiets, rij een paar blokjes om en brúl het er uit! Over een uur is alles weer anders.’ En het werkt. Soms moet je jezelf gewoon even nét iets steviger aanpakken. Verdriet hoort erbij, het leven is niet alleen maar leuk. Je valt, ja. En daarna sta je gewoon weer op. Zo zit het ook met de dingen die – hoe zei je dat? – een ander toebehoren. Waarom zou ik die begeren?

“Als je me vraagt wat ik voor mezelf zou wensen, dan is het een huisje in Twente. Met een kruidentuin, een paar fruitbomen en een stuk of vijf kippen. Misschien wil ik uiteindelijk wel terug naar mijn kindertijd, ja, dat zou best eens kunnen kloppen. Dit is mijn mooiste herinnering: ik ben zes, zeven jaar oud en ik lig op mijn rug in onze boomgaard. Wolken drijven voorbij. Ik zie er olifanten in, bergen en kaboutermutsen. Ik heb het jurkje – dat mijn moeder voor me heeft gemaakt – netjes gedrapeerd, zodat ik op een elfje of een engeltje lijk. Ik ruik de bloesem van de appel- en perenbomen. En ergens in de verte klappert het schone, frisse wasgoed aan de lijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden