Review

Mandela pakt De Klerk hard aan, maar spaart Inkatha-leider Buthelezi

Nelson Mandela: Long Walk to Freedom. Little, Brown and Company, Londen (imp. Penguin); geïll., 630 blz. - ¿ 65,60.

ERIC BRASSEM

'De struggle is mijn leven', schreef Mandela ooit. Daarmee leek alles wel gezegd. Ook in zijn autobiografie benadrukt Nelson Mandela dat hij met de mond vol tanden staat, zodra journalisten hem ertoe proberen te verleiden zijn emoties tot uitdrukking te brengen. Daarover praat hij met tegenzin. En als hij schrijft over bijvoorbeeld zijn gevoel van tekortschieten jegens zijn familie, blijft hij steken in algemeenheden.

Maar hoe hij in de strijd tegen apartheid verzeild raakte, en waar hij van mening verschilde met strijdmakkers en opponenten, beschrijft hij in zijn autobiografie vaak humoristisch - zonder ooit zijn imago van een man van eer schade aan te doen. Bij vlagen halen zijn anekdotische beschrijvingen zelfs een hilarisch niveau.

Rolihlahla Mandela (de christelijke naam Nelson kreeg hij van een juf op de missieschool) was op grond van zijn afkomst voorbestemd om raadgever te worden van de hoogste chief van de Thembu's, een tak van het Xhosa-volk. Lang duurde het voordat het bij hem begon te dagen dat er, naast deze traditionele positie, nog andere begeerlijke carrière-mogelijkheden open lagen. Ook de maatschappelijke positie der blanken kwam hem lang als vanzelfsprekend voor.

Mandela levert daarvan een prachtige illustratie met de beschrijving van het schoolhoofd van zijn middelbare school, ene dr. Arthur Wellington. “Bij openbare gelegenheden placht dr. Wellington het podium te betreden, en met zijn diepe basstem te zeggen: 'Ik ben de nazaat van de grote hertog van Wellington, aristocraat, staatsman en generaal, die de Fransman Napoleon verpletterde bij Waterloo, en daarbij de beschaving redde voor Europa - en voor jullie inboorlingen (natives)'. Dan applaudiseerden wij krachtig, een iegelijk vervuld van dankbaarheid dat een nakomeling van de grote hertog van Wellington de moeite nam om inboorlingen als ons te onderwijzen.”

Het verhaal hoe Mandela, met pijn in het hart, zijn traditionele achtergrond vaarwel zei, en in Johannesburg verzeild raakte in kringen van het ANC, was in grote lijnen al bekend. Mandela beschrijft nog eens, hoe hij ertoe kwam om samen met Walter Sisulu en Oliver Tambo een jeugdafdeling van het op dat moment behoorlijk bedaagde ANC op te richten.

Hij behandelt ook zijn eigen geworstel met een vraagstuk dat toen al de gemoederen verhitte: de relatie van het ANC met de (overwegend blanke) communistische partij. Nooit sloot Mandela zich bij de communisten aan. Maar wel groeide zijn waardering voor hun strijdlust en hun theoretische noties, zoals massa-actie als motor van de geschiedenis.

Toch had hij dit - nog steeds actuele - onderwerp uitputtender mogen behandelen. Mandela doet de kritiek op de verstrengeling van communisten en ANC'ers af met een retorische vraag: “De cynici hebben altijd gesuggereerd dat de communisten ons gebruikten. Maar wie zal zeggen of wij niet hen gebruikten?” Mandela zelf is waarschijnlijk de laatste om dit te zeggen. Jammer, want hij zou over argumenten kunnen beschikken die weinigen bekend zijn.

Veel openhartiger is Mandela over de verhoudingen met het radicale Pan Afrikaans Congres (PAC). Het PAC-leiderschap liep, volgens Mandela, het ANC hinderlijk voor de voeten. Zij pikten ANC-actieplannen (zoals de protesten tegen de paswetten in 1970, die zouden uitlopen op het bloedbad bij Sharpeville), en zij verpestten de ANC-zaak in het buitenland door staatshoofden leugens te verkopen.

Maar met een zekere eerbied schrijft Mandela over de, meest jonge, activisten van de Zwarte Bewustzijnsbeweging, die zich eind jaren '70 in steeds groteren getale voegden bij het gevangen ANC-leiderschap op Robbeneiland. In hen herkende Mandela de onbekookte radicaliteit uit zijn eigen jeugdjaren. Zij dreven de cipiers tot wanhoop, zozeer zelfs dat dezen Mandela vroegen hen tot de orde te roepen - wat Mandela weigerde, schrijft hij zelf.

Fascinerend is Mandela's beschrijving van zijn eerste ontmoetingen met vertegenwoordigers van 'het regime'. Het eerste contact vond plaats in 1986, toen een delegatie van het Britse Gemenebest het land bezocht. Mandela kreeg een perfect passend krijtstreep-pak aangemeten, en praatte met delegatieleden en de minister van justitie, Kobie Coetsee.

In 1989 kwam het tot een ontmoeting met 'die ou krokodil' president P. W. Botha zelf - een maand voor diens aftreden. “Ik vroeg meneer Botha om onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen, waaronder mijzelf. Dat was het enige gespannen moment in de ontmoeting, en meneer Botha zei dat hij vreesde dat hij dat niet kon doen.”

Soepeler verliepen Mandela's betrekkingen aanvankelijk met president F. W. de Klerk, tegenwoordig president Mandela's 'vice'. Maar “niettegenstaande zijn schijnbaar progressieve acties”, noteert Mandela, “was De Klerk op geen stukken na de grote emancipator. Hij voerde geen van zijn hervormingen door met de bedoeling zichzelf uit de macht te zetten. Hij had precies de tegenovergestelde reden: de macht van de Afrikaner te verzekeren in een nieuw bestel.”

Mandela spint zijn argumentatie voor dit harde oordeel pagina's lang en overtuigend uit. Hij rekent af met het beeld dat hij een tweespan met De Klerk vormde, een eensgezind duo dat het nieuwe Zuid-Afrika van de grond tilde. Hij gaat diep in op de gebleken onwil van de toenmalige regering-De Klerk om op te treden tegen het politieke geweld, en op de pogingen dat geweld waar mogelijk zelfs aan te wakkeren - opdat het ANC rechtstreeks zou worden geassocieerd met anarchie en moordpartijen.

Zo uitgesproken hard en persoonlijk als Mandela De Klerk aanpakt, zo loopt hij op eieren waar hij schrijft over zijn andere grote tegenspeler: zijn huidige minister van binnenlandse zaken, Inkatha-leider Mangosuthu Buthelezi. De reden ligt voor de hand: niets is zo cruciaal voor Zuid-Afrika's stabiliteit als een werkbare verhouding tussen ANC en Inkatha. Mandela moet Buthelezi's bloed wel kunnen drinken, maar heeft te rekenen met belangen die groter zijn dan dat van openhartigheid. Dit is een bezwaar dat elke autobiografie aankleeft, maar het geldt des te sterker voor een man die, al is het tegen wil en dank, een mythe op te houden heeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden