‘Alles, écht alles, draaide om geweld.’

Voorpublicatie Jezidi's

Majdal overleefde de genocide op zijn volk. Als kindsoldaat van IS

‘Alles, écht alles, draaide om geweld.’ Beeld Sjoerd van Leeuwen

Majdal (14) is Jezidi. Hij is opgeleid door Daesh (Islamitische Staat – IS). Die leerde hem wat er in de Koran staat. En hoe je bommen maakt en mensen moet vermoorden.

 “Kijk, dat ben ik toen ik bij Daesh zat”, vertelt Majdal, en opent een filmpje op YouTube. Schelle tonen van een jihadistische nasheed, een islamitisch religieus lied, overstemmen het geluid van de airconditioning in de benauwde vluchtelingentent in Khanke. Op het Samsungscherm zien we beelden van een trainingskamp voor jongens van het kalifaat.

We zien Majdal met een IS-hoofdband om zijn zwarte haar, kaki legerkleding en een jonger gezicht. In de video kijkt hij strak voor zich uit, terwijl de IS-strijder naast hem in het Arabisch het woord voert. “Het blijft vreemd om jezelf zo terug te zien”, zegt hij zachtjes.

Het is slechts een van de talloze video’s die de terreurgroep de afgelopen jaren uitbracht. Naarmate het zogenoemde kalifaat in Irak en Syrië begon af te brokkelen, verscheen er meer propagandamateriaal waarin kinderen van (buitenlandse) strijders trainen en executies uitvoeren. Jezidi-kinderen doken ook steeds vaker op in deze filmpjes. IS liet maar graag zien wat ze met de Jezidi’s deden; ze waren er zelfs trots op. De video’s werden niet alleen gebruikt om de Jezidi-gemeenschap te vernederen en angst in te boezemen, maar ook om IS-aanhangers te ‘inspireren’.

Majdal draagt sneakers, een T-shirt en heeft een modern kapsel. Op het eerste gezicht lijkt hij een doodgewone veertienjarige, maar zo voelt hij zich allang niet meer. Alles wat stond voor zijn kindertijd werd vernietigd toen IS in augustus 2014 zijn woonplaats Kocho binnenstormde.

‘Vergeet je geloof’

Majdal werd gescheiden van zijn moeder en zussen en naar Raqqa gebracht. Hij was elf jaar toen hij in een militair trainingskamp van de terreurgroep belandde. “Vergeet je geloof, vergeet je familie en vergeet je verleden. Vanaf vandaag heet je Abu Otman en ben je moslim”, was het eerste dat de IS-leider in het kamp tegen hem zei.

We zitten in de tent waar Majdal met zijn broer Bahjat, diens vrouw en andere familieleden woont. De woning ziet er ongeveer hetzelfde uit als de woningen in het Vrouwen­- kamp: gemaakt van spaanplaten, tentzeilen en cement, met meerdere kamers.

Majdal blijkt nog niet eerder te zijn geïnterviewd. Omdat hij nog minderjarig is en een heftige tijd achter de rug heeft, ben ik extra voor­zichtig. Voorafgaand aan het interview vraag ik Bahjat, zijn oudste aanwezige familielid, om toestemming. Daarna vraag ik ook Majdal om toestemming. Ik benadruk dat hij alles mag vertellen (‘geen enkel antwoord is fout of raar’) maar dat dit niet per se hoeft.

“Hij zegt dat mensen moeten weten wat IS allemaal deed met jongens zoals hij. Daarom gaat Majdal akkoord met een interview”, vertaalt mijn tolk Bati.

Geweld

Het begin van het interview verloopt chaotisch. Kinderen rennen in en uit, Bahjats pasgeboren dochtertje begint te huilen en in een hoekje van de kamer laat de parkiet ook nog eens van zich horen. Ook nemen Majdals familieleden deel aan het interview door aan te ha­ken bij antwoorden die Majdal geeft. Ze zijn allemaal uiterst vriendelijk en het is ongetwijfeld goedbedoeld, maar ondertussen trekt Maj­dal zich terug. In een hoekje van de kamer staart hij stilletjes naar de grond, frunnikend aan zijn spijkerbroek.

“Denk je dat we het interview alleen met Majdal kunnen doen? Dat geeft meer rust”, zeg ik tegen Bati. Mijn vertaler legt het aan Bahjat uit, die het prima vindt. Hierop gebaart hij vriendelijk dat alle familieleden de kamer moeten verlaten. Alleen de parkiet mag blijven.

“Het is vast moeilijk voor je”, begin ik nu er van achter de tentzeilen enkel nog geroezemoes klinkt, en schuif een stukje naar Majdal op. Nu er meer plek is, komt ook Bati dichterbij zitten. “Maar kun je iets meer vertellen over de tijd dat je gevangenzat bij IS?”

Majdal knikt. “Je kunt je niet voorstellen hoe het leven daar was, dat kan niemand. Van hoe je iemand het best kunt vermoorden tot het in elkaar zetten van bommen: alles, écht alles, draaide om geweld.” Hij kijkt niet naar ons, maar staart naar de muur. Zijn donkere ogen lijken er dwars doorheen te kijken, zo de verte in.

Okselhaar

Vandaag ben ik hier om Jezidi-jongens die door IS werden opgeleid tot kindsoldaat te interviewen. IS had niet alleen de slavernijhandel van Jezidi-vrouwen tot in de puntjes voorbereid; er was ook een uitgestippeld plan voor de gekidnapte jongens. Toen de extremisten de Jezidi’s naar leeftijd en geslacht van elkaar begonnen te scheiden, bepaalden zij of de al wat oudere jongens moesten worden ingedeeld bij de mannen of bij de vrouwen en kinderen. Dat werd onder meer gedaan door op leeftijd te selecteren en bij twijfel onder hun oksels te kijken: degenen zonder haar werden ingedeeld bij de vrouwen en kinderen, en degenen met okselhaar bij de groep tienerjongens en mannen. Die werden vervolgens naar een nabijgelegen veld gebracht, waarna ze geëxecuteerd werden met automatische geweren.

De jongens die nog niet of nog maar net de puberteit hadden bereikt, wachtte een ander lot. Zij werden van hun moeders en zussen gescheiden en naar cubs of the caliphate-kampen gebracht. Vooral Jezidi-­jongens van zeven tot vijftien jaar belandden in de trainingskampen. Daar werden ze dag en nacht geïndoctrineerd met jihadistische propaganda, ze kregen militaire training en ze werden uiteindelijk gedwongen om voor de terreurgroep te strijden.

Beeld Sjoerd van eeuwen

“Iedere dag moesten we om tien uur in bed liggen. Zes uur later stonden we weer op. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat waren we bezig”, vertelt Majdal. De jongens moesten iedere nacht tussen vier en vijf uur het islamitisch ochtendgebed verrichten.

Training

Dan volgde een intensieve militaire training van een paar uur, gevolgd door theorielessen over het leven van de profeet Mohammed, de Koran en het islamitisch (oorlogs)recht. De theorielessen eindigden pas in de avond. “Tijd om de teksten uit een van de zes boeken uit het hoofd te leren hadden we niet. Maar dat maakte Daesh niets uit. Als ze erachter kwamen dat we in die paar vrije uren niet geleerd hadden, bonden ze onze handen en voeten aan elkaar vast. Daarna werden we geslagen met elektriciteitskabels.”

In het trainingskamp zaten naast Jezidi-kinderen ook Syrische en Iraakse kinderen en kinderen van buitenlandse strijders, wel honder­- den. In de nacht hoorde hij de andere Jezidi-jongens op de slaapzaal huilen om hun moeder. “Niet huilen”, probeerde Majdal hen te troosten. “Als ze weten dat je je familie mist, maken ze het je alleen maar moeilijker. Doe alsof je een van hen bent, zodat je op een dag vrij zult zijn.” Dat werd ook zijn eigen overlevingstactiek.

Toen hij samen met elf andere jongens ‘afstudeerde’ in de laatste fase van het bootcamptraject kwam de dag waar hij zo voor gevreesd had: ze werden uitgezonden naar een plaats nabij de Syrische stad Aleppo om tegen het Free Syrian Army (FSA), het Vrije Syrische Leger, te vechten. 

Drugs

In eerste instantie weigerden Majdal en een paar andere kindsoldaten uit zijn unit, die bestond uit Jezidi‑ en Arabische kinderen, onder wie wezen. “Het is vechten of verhongeren”, dreigden de jihadisten. De maaltijden stopten ze vol met drugs. Majdal: “Na het eten voelde ik me onoverwinnelijk, een held zelfs. Als ze me toentertijd hadden gevraagd om mezelf in brand te steken, had ik het zonder aarzelen gedaan.”

Onder invloed van drugs deden Majdal en de rest wat er van hen gevraagd werd. In het wilde weg schietend renden de kinderen op de rebellen van het Vrije Syrische Leger af. Angst kenden ze niet. De tegenpartij daarentegen wel. “Die verbazing op hun gezichten toen we op hen afstormden zal ik nooit vergeten. Ze trokken zich direct terug.”

Beeld sjoerd van leeuwen

Eén moment staat in zijn geheugen gegrift. Dat was toen Bassem, een zestienjarige Jezidi-jongen, omkwam. “We zagen de vijand in de verte. Nog voordat er een schot gelost werd, rende Bassem in volle vaart op hen af en begon te schieten. Maar opeens stopte hij. Bassem ging rustig zitten in het open veld. Toen werd hij doodgeschoten door strijders van het FSA.”

Of Bassem van plan was zich over te geven of de dood bewust heeft opgezocht, is onbekend. Voor het eerst tijdens het uren durende gesprek krijgt Majdal tranen in zijn ogen. Ter afleiding opent hij zijn Facebookpagina op zijn mobieltje, die heeft hij aangemaakt na zijn ont­snapping, bijna twee maanden geleden. Bati en ik worden ook toegevoegd.

“Mijn vrienden zijn nu in de hemel”, zegt Majdal en begint ijverig door zijn timeline te scrollen.

Gebroken arm

Tijdens zijn gevangenschap bleef Majdal proberen om onder het vechten uit te komen. Op een dag zei hij dat hij ziek was, in de hoop dat hij niet naar de frontlinie hoefde. De leider pakte vervolgens een grote stok en sloeg hem hard op zijn linkerarm, waarschijnlijk harder dan de bedoeling was. “Hierop werd ik naar het ziekenhuis gebracht. Mijn arm was weliswaar gebroken en ik zat nog steeds gevangen, maar ik hoefde tenminste niet meer te vechten.”

Omdat hij tijdelijk ongeschikt was voor de strijd, werd Majdal gestationeerd in een wapenwinkel. In die winkel – een normaal huis in een woonwijk – lieten strijders hun geweren en ander oorlogsgeschut repareren.

Daarnaast deed de winkel dienst als geheim wapendepot. Dergelijke opslagen waren een gewild doelwit voor aanvallen, niet alleen door de Syrische regering, maar ook door de internationale coalitie, die op dat moment de luchtaanvallen op IS-bolwerken intensiveer­de. Het was een gevaarlijke plaats, maar de kans om te overleven was daar nog altijd hoger dan aan de frontlinie.

Bovendien bood zijn nieuwe positie meer kans om te ontsnappen. In de wapenwinkel werkte een jongen die zich Abu Khattab noem­de, hij was de twaalfjarige zoon van een belangrijke Libanese IS-leider. In de hoop via hem meer privileges te krijgen, zocht Majdal toenadering. Contact onderhouden met de lokale bevolking was immers verboden, dus dit was zijn enige optie. Het werkte. Tijdens het repareren van de wapens en het schoonhouden van de winkel raakten de twee bevriend.

Vrijheid

Door Abu Khattabs aanbevelingen mocht Majdal steeds vaker zonder toezicht naar buiten. Even later zou hij die vrijheid benutten door een achtergelaten telefoon van een van de strijders mee te nemen, en zijn broer in Iraaks-Koerdistan te bellen.

Vervolgens werkte de familie van Majdal in het geheim aan een plan om hem het kalifaat uit te smokkelen. De smokkelaar bracht hem naar de Koerdische militie YPG in Syrië, die Majdal na zijn bevrijding vijftien dagen bij zich hield om hem te ondervragen over locaties waar IS-leden zich ophielden.

Nu is Majdal bevrijd, maar vrij voelt hij zich allerminst. Dat de gemeenschap al jaren in tenten leeft en amper hulp krijgt, baart hem zorgen. Majdal had nooit verwacht dat zijn leven er zo uit zou zien na zijn bevrijding. Hij krijgt geen psychologische hulp en gaat ook niet naar school – ze laten geen kinderen toe die jaren onderwijs hebben gemist.

“Maar eigenlijk denk ik ook niet aan de toekomst, ik heb rust nodig”, zegt hij traag. Door de vermoeidheid heeft hij wallen onder zijn ogen, iets wat me pas opvalt als ik een foto van hem maak voor bij mijn reportage. 

Dit artikel is een fragment uit ‘Het vergeten volk’, dat tot stand kwam met de steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek

Hoe gaat het met Majdal?

Op het omslag van ‘Het vergeten volk’ (zie hieronder) staat een foto van Majdal. Hij is inmiddels 16 jaar en hij maakt het relatief goed. Maar hij woont nog steeds in een kamp in Irak en gaat niet naar school. Majdals vader is vermoedelijk vermoord door IS. Zijn moeder, twee broers en twee zusters hebben in 2015 asiel gekregen in Duitsland, via een pro­gram­ma voor aan IS ontsnapte Jezidivrouwen en kinderen. Majdal zat op dat moment nog gevangen in IS-gebied. Zijn familie, een Jezidi-groe­pering en Brenda Stoter Boscolo proberen hem naar Duitsland te krijgen, maar dat stuit op juridische complicaties.

Majdals zuster en enkele Nederland­se Jezidivluchtelingen zijn aanwezig op een boekpresentatie met Stoter Boscolo in Amsterdam op 7 oktober (debalie.nl/agenda). Op 8 oktober vindt een presentatie plaats in Rotterdam (arminius.nu/programma).

De volledige naam van Majdal is bij de redactie bekend.

Brenda Stoter Boscolo
Het vergeten volk. Het verhaal van de Jezidi’s over de laatste genocide.
Arbeiderspers; 288 blz. € 24,99 

Brenda Stoter Boscolo (1984) studeerde sociologie en journalistiek in Rotter­dam.
 Ze publiceert geregeld over het Midden-Oosten.

Lees ook:

Nadia Murad strijdt met woorden tegen Islamitische Staat, maar het is zwaar

Ontsnapt als slavin van Islamitische Staat in Irak werd Nadia Murad het gezicht van het jezidi-leed. IS mag praktisch verslagen zijn, bevrijd zijn de jezidi’s allerminst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden