Maar waar gaat het eigenlijk over?

Verhelst wil de lezer vooral begoochelen met de autonome, fysieke kant van literatuur. ( FOTO JOHAN JACOBS)

Dat Verhelst kan schrijven, staat wel vast. Maar de reputatie die de gelauwerde Vlaming in eigen land geniet, is moeilijk te begrijpen. Rob Schouten las zijn nieuwste boek ’Huis van de aanrakingen’ en vraagt zich af wat de ’plotmijdende’ auteur wil met deze berg verhaalscherven, waaruit de lezer zelf een verhaal moet opdiepen.

Hoe je het ook wendt of keert, de Vlaamse schrijver Peter Verhelst (1962) is een heel apart verschijnsel. In zijn vaderland geniet hij vanwege zijn gedichten, romans, verhalen, toneelwerk en sinds kort ook een bekroond kinderboek bij velen een cultstatus, in Nederland wordt hij met enig wantrouwen gadegeslagen. Die Vlaamse eerbewijzen zorgden er dan trouwens weer niet voor dat hij in de vorig jaar verschenen bloemlezing ’Hotel New Flandres’ met meer dan een gemiddeld aantal gedichten werd opgenomen: kennelijk zijn er inmiddels ook in Vlaanderen sceptici.

Karakteristiek was de ontvangst van zijn roman ’Zwerm’ uit 2005, een ondoordringbaar futuristisch verhaal dat er met zijn ‘Big Bang-achtige kwaliteiten’ vooral op uit scheen de lezer fysiek uit te putten: in Vlaanderen door sommigen als een meesterwerk onthaald, in Nederland veelal als postmodernistische kleren van de keizer opzijgezet. In zijn laatste dichtbundel ’Nieuwe sterrenbeelden’ scheen Verhelst dan weer op de menselijke toer te gaan en zelfs iets op te roepen van paradijselijke ervaringen en emotionele verzuchtingen: „was zo graag samengevallen / maar iedereen viel apart / alleen wij / sprongen naar de sterren.” De vraag die je je bij dit nu eens ijzige dan weer verleidelijke oeuvre soms stelt is: speelt Peter Verhelst een spel met zijn lezer?

Zijn jongste roman ’Huis van de aanrakingen’ lijkt op het eerste gezicht een heel stuk humaner getoonzet dan ’Zwerm’, en sluit eerder aan bij zijn kortere romans, zoals het veelgeprezen ’Tongkat’ (waarvoor hij de Gouden Uil ontving) en zijn gedichten. Het is in essentie poëtisch proza, van mooie zinnen en verleidelijke fluisteringen. Verhelst kan schrijven, dat lijdt geen twijfel: „Dit seizoen heten de vrouwen allemaal Heimwee, na de eerste tongkus heten ze Vergetelheid en na het uittrekken van het eerste kledingstuk Ondraaglijk Verdriet of Genot, naargelang de biljetten die je over hen uitstrooit – hun mondafdrukken, die je de volgende ochtend in je hals of je lies vindt, hebben de vorm van een roos, de vrouwelijke bloem die geborduurd staat op het wapenschild van de stad.”

Maar waar gaat dit schrijven eigenlijk over? Centraal in Verhelsts perceptie staat geloof ik iets als onpersoonlijkheid of misschien moet je zeggen bovenpersoonlijkheid; zijn personages zijn geen psychologische entiteiten maar maken allemaal op soortgelijke wijze deel uit van een grotere kosmos en geschiedenis. Zo zijn de archeologe Tomoko Kidman, de astronoom Galileï, de gelukszoeker Tavernier en nog wat dolende geesten, een Australiër, een Griek, een Hollandse matroos op het schip van ‘Vliegende Hollander’-kapitein Van der Decken, allemaal verwanten en manifestaties van eenzelfde soort oerzoeker naar, ja naar wat eigenlijk? Naar wijsheid en verlichting vrees ik. De mysterieuze zwarte bollen die Kidman in Anatolië vindt, staan als het ware voor de aarde en haar geschiedenis, waarover al deze personages in een Borgesiaanse vervlechting zwerven. Niet alleen komen de personages uit alle windstreken, ook het verhaal put uit alle mogelijke bronnen, Japanse sprookjes, Griekse wijsbegeerte, Europese ontdekkingsreizen, het verhaal van de Taj Mahal, van een Koreaanse pottenbakker.

Wat dat aangaat zou je de titel ook kunnen opvatten als een samenvatting van het geheel, alle personages en hun verhalen raken elkaar in de behuizing van deze roman. Verhelst ontpopt zich hier als een literaire holist, niet individualiteit doet ertoe maar de organische kracht van alles: „Hun betekenis schuilt niet in hoe ze opgesteld staan, maar simpelweg in het feit dat ze er zíjn. Wat wij het leven noemen, wat hier niet alleen gereconstrueerd maar ook telkens opnieuw gemaakt wordt, het nooit eindigende leven dat niet dankzij, maar óndanks alles door blijft gaan. De koppige willekeur ervan. Dat is het enige wonder. Niet het geheel.”

Veel systeem kan ik overigens in al die aanrakingen en vervlechtingen niet ontdekken, maar in elk geval laten ze zien dat de auteur niet van de straat is. Een duidelijk plot heeft het verhaal evenmin, ik denk zelfs dat Verhelst eigenlijk een plotmijdend auteur is die zijn lezers vooral wil begoochelen met de autonome, fysieke kant van literatuur. Het getal 1633, jaar van Galileï’s veroordeling, van Taverniers ontdekkingsreis, van Tomoko’s huisnummer, lijkt me niet meer dan een halfslachtige poging het verhaal wat structuur te geven. In zekere zin benoemt Verhelst zijn lezer tot een archeoloog die maar moet zien wat hij kan maken van de gevonden splinters, fragmenten, halfaffe geschiedenissen.

Dat alles maakt het lezen van ’Huis van de aanrakingen’ niet alleen tot een moeizame maar ook tot een niet al te bevredigende klus. Want welke troffels en schepjes moet je gebruiken? En is wat je vindt de moeite wel waard? Zo nu en dan glinstert er iets, een mooie observatie bijvoorbeeld: „Alles en iedereen is een alleenstaande koffer op een perron.” Of je stuit op een poëticale opmerking die Verhelsts opvattingen treffend lijkt weer te geven: „Voor de eerste keer weten we dat kunst onlosmakelijk met ons verbonden is. Fundamenteel. Met ons. Zoals ademen en eten en voortplanten en sterven en...” Maar bij elke vondst merk je ook: hoe treffender die enkele observaties, hoe sterker je opvalt dat het verhaal er toch als los zand omheen hangt.

Ik ben geneigd Verhelsts proza te lezen zoals je bijvoorbeeld de ‘Chants de Maldoror’ van de Comte de Lautréamont leest, als een poëtische roman. Maar dat werk verscheen in 1861 en was een stuk grilliger en fantasievoller. Honderdvijftig jaar later is het procedé wel ongeveer uitgebeend geraakt en lees je welbeschouwd een oud en taai experiment.

Verhelst wil de lezer vooral begoochelen met de autonome, fysieke kant van literatuur.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden