Review

Luisteren naar de smaak van honing

Toon Tellegen: 'Bijna iedereen kon omvallen', ill. Anne van Buul, Querido, 123 p, f 22,90, v.a. 9 jr.

Natuurlijk, dat kan niet missen: dat komt uit de dierenverhalen van Toon Tellegen. Geen enkele andere auteur schrijft zo surrealistisch voor kinderen. In geen enkel ander kinderboek wordt zo veel, zo puur en zo vergeefs nagedacht, en in geen enkel ander kinderverhaal doet dat er zo weinig toe.

De dierenverhalen van Toon Tellegen zijn uniek: dromerig, vluchtig, beeldend, vol natuurbeschrijvingen en filosofisch gegoochel met taal en logica. Van elke dierensoort is er maar een en ze zijn allemaal ongeveer even groot. De olifant valt rustig door het dak van het slakkenhuis in de slak zijn luie stoel, of vliegt door een gaatje in het spinneweb. En de eekhoorn drinkt samen met de octopus een kopje brakke thee op de zeebodem.

Schokkende gebeurtenissen doen zich niet voor, wat de dieren meemaken bestaat uit een aaneenschakeling van wonderlijke voorvallen zonder clou, oorzaak of gevolg. De dieren willen soms wel iets, maar laten zich gemakkelijk van hun voornemen afleiden, en dat geeft niets. Er worden veel grappige gesprekjes gevoerd: pogingen tot contact die meestal niet zo erg lukken. Alleen de eekhoorn en de mier hebben, ondanks hun langs elkaar heen praten en denken, een hechte vriendschap.

De dichter Ed Leeflang deed in een lezing een poging om de dierenverhalen van Tellegen te vergelijken met zijn poezie voor volwassenen. Overeenkomsten ziet hij onder meer in het vertellende, in het van de hak op de tak springende en in het feit dat handelingen niet afgemaakt worden. Het dominante in Tellegens 'universum' is volgens hem “de onmacht tot een gelukkige verstandhouding”. Maar in de kinderverhalen lijden de personages daar minder onder dan in de gedichten en bovendien krijgt de humor er meer kans, aldus Leeflang.

Voor 'Bijna iedereen kon omvallen', Tellegens recent verschenen vijfde bundel met dierenverhalen, geldt dat evenzeer als voor zijn vorige. 'Bijna iedereen kon omvallen' is in dat opzicht meer van hetzelfde ('Juffrouw Kachel' even buiten beschouwing gelaten). De in dit stuk genoemde voorbeelden komen bijvoorbeeld alle uit de nieuwe verhalenbundel, maar zijn kenmerkend voor alle vijf.

Evengoed zijn de meeste van de nieuwe verhalen weer heel apart. Globaal weet de liefhebber van Tellegens verhalen nu wel ongeveer wat hij kan verwachten, maar toch laat je je steeds weer aangenaam verrassen. De reiger eet de kikker niet op, maar praat met hem - en wel over de kunst van het omvallen, die hij zo graag zou beheersen. Als de tor in de woestijn dorst krijgt, probeert hij niet aan drinken te komen, maar gaat nadenken over de soorten dorst die er bestaan. De liefste wens van de waterslak is te kunnen kabbelen, maar in een ander verhaal is het de olifant, die smelt van de hitte en kabbelend in de zon ligt. En dat golven uit het struikgewas tevoorschijn gehaald kunnen worden, en glinsteringen “uit een klein kistje dat lang onder de grond had gelegen” is typisch Tellegen, maar ook de fijnproever voorspelt dat niet.

Toch hebben de dieren iets consequents in hun karakter.

De olifant wil steeds omhoogklimmen, in een boom of in de lucht, valt regelmatig en heeft dan steevast een buil op zijn hoofd. De boktor is een soort dokter die stukke of depressieve dieren repareert. De mier wil op reis, maar heeft zo'n moeite met afscheid nemen van de eekhoorn. En de schildpad experimenteert met zorgelijkheid, onzekerheid en zich ongelukkig voelen.

Er wordt nogal wat gevallen in deze bundel, omlaag en omhoog, dat maakt niet uit. Moedeloosheid, zwaarmoedigheid en andere vormen van somberheid worden met zorg gecultiveerd, maar zijn nooit dramatisch, net alsof er een laagje luchtigheid overheen ligt, een knipoog, een glimlach. En hiervan verveelt meer van hetzelfde nooit.

Twaalf verhalen gaan over de mier en de eekhoorn; ze schrijven elkaar nogal wat brieven, waarbij het niet zozeer om de inhoud gaat als om de poging tot communicatie. Ed Leeflang heeft gelijk dat die pogingen vaak mislukken, maar bij eekhoorn en mier blijkt de onderliggende vriendschap zo sterk dat die tegen dat mislukken bestand is. Op een klein stukje berkeschors past niet meer dan: “Beste mier, het stuk schors waarop ik schrijf, is maar klein, maar toch wil ik je graag een br.” Een gebrekkige boodschap, die toch overkomt, gezien het antwoord: “Beste eekhoorn, dank je wel voor je br.” Ook in het verhaal waarin de mier de eekhoorn schrijft: “Ik ben ziek” is de uiterlijke communicatie gebrekkig, maar het onbewuste begrip ontroerend. Het is een weergaloos mooi verhaal, waarin de mier zo graag wil dat de eekhoorn zegt dat hij een dappere zieke is. De eekhoorn weet niet goed wat 'ziek' is, maar doet wat de mier wil: “Je bent dapper” zeggen, en andere vormen van aandacht geven. En dat blijkt zo'n effectief medicijn te zijn dat de mier tegen het eind van de middag alweer beter is. In verhalen als deze is er geen sprake van 'onmacht tot een gelukkige verstandhouding'.

Een enkel verhaal is minder, zoals dat over de levensmoede tor, die zich in de modder laat wegzakken, hoewel hij geroepen wordt. Doordat dit verhaal geen spanningsboog en geen slot heeft, realiseer je je opeens dat de andere verhalen dat dus wel hebben, ook al gebeurt er op het eerste gezicht weinig.

De illustraties zijn dit keer niet van Mance Post, maar van de jonge illustratrice Anne van Buul, die eerder al opviel door haar krachtige prenten in 'Ik geef je niet voor een kaperschip met tweehonderd witte zeilen'. Jammer is wel dat haar prenten zo op die van Mance Post lijken. Anne van Buul heeft genoeg persoonlijkheid om iets eigens van die dieren te maken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden