Review

Loyaliteit, verraad en de morele oplossing, daarom draait het bij Michail Boelgakov

M. A. Boelgakov: Verzamelde werken, deel 1. Vertaald uit het Russisch door Aai Prins. G. A. van Oorschot, Amsterdam; 563 blz. - ¿ 95.

Michail Boelgakov noteert het met een zekere ironie. Maar het was in de burgeroorlog die volgde op de bolsjevistische revolutie van 1917 inderdaad een komen en gaan van bezetters in de Oekraïense hoofdstad. Duitse troepen, Witte legers, Oekraïense nationalisten en Trotski's bolsjevieken wisselden de macht alsof het een spelletje kaart betrof.

De tien coups die Boelgakov heeft overleefd, moeten hun beslag hebben gekregen tussen februari 1918, toen hij in het ouderlijk huis in Kiev terugkeerde na een tijd als dokter op het platteland te hebben gewerkt, en herfst 1919, toen hij als militair arts met de Witte legers meetrok naar de Kaukasus.

Platteland, Kiev en Kaukasus: daarmee zijn meteen de drie decors genoemd van de verhalen die zijn opgenomen in het eerste deel van Boelgakovs 'Verzamelde werken', het project waarmee uitgever Wouter van Oorschot de Russische Bibliotheek van zijn vader voortzet.

Boelgakov was reeds in de Kaukasus aan de verhalen begonnen, maar voltooide ze pas nadat hij in 1921, dertig jaar oud, voorgoed afscheid had genomen van de artsenij om zich in Moskou geheel aan het schrijven te wijden. Aanvankelijk met weinig succes, tot hij in de tweede helft van de jaren twintig doorbrak als toneelschrijver. In de jaren dertig was het met zijn triomf al weer gedaan: de sovjetautoriteiten verhinderden publikatie van zijn werk. In 1940 overleed hij aan een erfelijke ziekte, zonder ook maar iets gesmaakt te hebben van de wereldroem die zijn hoofdwerk 'De Meester en Margarita' in de jaren zestig zou verwerven.

Boelgakov staat bekend als satiricus, maar daar is in dit eerste deel van zijn Verzamelde Werken nog maar weinig van te merken. De onderwerpen lenen zich er gewoon niet voor. In alle verhalen is de hoofdpersoon een jonge arts die aan de meest erbarmelijke omstandigheden het hoofd moet bieden. Zijn het niet de onherbergzaamheid en achterlijkheid van het platteland, dan zijn het wel de in- en uitlopende bezetters van Kiev of de barre oorlogsomstandigheden in de Kaukasus. Daarbij gaat het de schrijver, overigens net als in zijn satirische werk, steeds om de morele integriteit van zijn personages: hoe gedraagt iemand zich wanneer van hem het onmogelijke wordt gevergd, wanneer er slechts te kiezen valt uit louter kwaden, of wanneer persoonlijke, politieke en ethische waarden niet langer verenigbaar blijken.

De inhoud mag moreel zijn, de verhalen zijn allerminst moralistisch. Boelgakov is in de eerste plaats een verfijnd verteller, in de beste Russische tradities. Dat is hij hier vooral in de twee series korte verhalen: 'Aantekeningen van een jonge arts' en 'Verhalen over de burgeroorlog'. Dat is hij ook in de novelle 'Morfine', maar daarin laat hij tevens een andere opvallende kwaliteit van zijn schrijverschap zien: zijn vermogen om dromen, roestoestanden, zinsbegoochelingen en wanen een dragende rol in het verhaal te laten spelen, een vermogen dat hij in 'De Meester en Margarita' tot hallucinerende hoogten weet op te voeren.

Iets van die surrealistische kwaliteit bereikt hij al in 'De Witte Garde', de roman die de hoofdmoot van deze eerste verzameling werken uitmaakt. Regelmatig voert Boelgakov daarin de lezer mee naar de voorstellingswereld van zijn personages, die onder invloed van alcohol, koorts, doodsangst of vervoering de waargenomen wereld verrijken met hun waanbeelden. En juist in die waanvoorstellingen toont zich de morele paniek waaraan zij ten prooi zijn.

Voor morele paniek geven de gebeurtenissen in de roman overvloedig aanleiding. Want 'De Witte Garde' verhaalt over vier van de tien machtswisselingen die de schrijver in Kiev zegt te hebben meegemaakt. De roman begint op het moment dat de Duitsers de stad al aan het verlaten zijn om de verdediging ervan over te laten aan Witte vrijwilligerslegers, die echter nog nauwelijks zijn geformeerd. Ten huize van de Toerbins wordt de situatie druk besproken. De oudste zoon Aleksej, arts en alter ego van de schrijver, besluit zich samen met zijn pas zeventienjarige broer Nikolka aan te melden. Maar er blijkt verraad in het spel. Wanneer zij zich opmaken om de stad te verdedigen, blijkt de legerleiding al vertrokken en rukken de troepen van de nationalist Petljoera ongehinderd op naar het centrum van de stad.

De stad, het huis, het gezin, het is allemaal naar Boelgakovs eigen leven getekend. Het belangrijkste verschil is dat in werkelijkheid zijn moeder, de weduwe van een theoloog, nog leefde, terwijl in het boek de kinderen haar kort tevoren ten grave hadden gedragen. Maar daar staat tegenover dat toen Boelgakov het boek schreef, hij zijn diep geliefde moeder ook nog niet zo lang geleden had verloren: de intense rouw waarmee het boek begint is dus toch autobiografisch. Evenals de innige band die de achtergebleven Toerbins met elkaar verbindt en hun belangrijkste houvast vormt in de chaos waarin de stad in die decemberdagen van 1918 verkeert.

Tegenover de veilige haven van het huis, waar het een komen en gaan is van familie, vrienden en buren en waar niemand vergeefs om hulp aanklopt, staat de onheilspellende wereld van de stad, waar iedereen op de vlucht is voor iedereen, waar soldaten wanhopig op zoek zijn naar hun legeronderdelen, waar om elke straathoek de vijand wacht en waar de binnenmarcherende nationalisten hun eerste pogroms tegen de joden houden. Boelgakov schildert een van verraad en geweld sidderende stad; hij doet dat met filmische verve, in prachtige shots van Kievs brede boulevards en smalle stegen, van de besneeuwde huizen en donkere heuvels, en van de brede, zwarte rivier de Dnjepr met daarboven het machtige uitspansel waarin de sterren van Mars en Venus flonkeren.

'De Witte Garde' is daarmee een echte grote-stadsroman, die in veel opzichten, met name ook in zijn surrealistische wendingen, doet denken aan Andrej Bjelyj's 'Petersburg'. Maar oorspronkelijkheid is sowieso geen kwaliteit van 'De Witte Garde'; de roman is duidelijk het eerste grote werk van een beginnend schrijver die zijn klassieken kent. Niet alleen Bjelyj maar ook Gogol en Tsjechov schemeren er hier en daar onmiskenbaar doorheen.

Wel onderscheidt de roman zich nadrukkelijk van de experimentele stromingen in de Russische literatuur. Van futurisme en formalisme moet Boelgakov niets hebben. In 'De Witte Garde' geeft hij uiting aan zijn afkeer van de vernieuwers door een kwaadaardig portret te schetsen van Viktor Sjklovski, de schilderachtige theoreticus van het formalisme.

Sjklovski, die optreedt onder de naam Sjpoljanski, behoorde tot de vele intellectuelen, kooplui, advocaten, politici en officieren uit Moskou en Petersburg, die in Kiev een goed heenkomen zochten voor de oprukkende bolsjevieken. Boelgakov beziet hen met gemengde gevoelens. Aan de ene kant voelt hij zich met hen verbonden omdat hij, net als het overgrote deel van de Kievse bevolking, in de eerste plaats Rus is en niet Oekraïener. Aan de andere kant ergert hij zich aan de hoofdstedelijke arrogantie van de rijke, decadente vluchtelingen, een arrogantie die hij belichaamd ziet in Sjpoljanski/Sjklovski, die niet alleen een excentrieke literator en een dandy is, maar ook nog een pantserdivisie-officier met wisselende loyaliteiten. Het valt overigens niet uit te sluiten dat Boelgakov Sjklovski vooral zo haatte vanwege een vrouwenkwestie.

Maar ook als dat laatste waar is, is het duidelijk waar het Boelgakov telkens weer om gaat: om loyaliteit, verraad en de morele oplossing daarvan. Thema's die bijvoorbeeld prachtig samenkomen in Aleksej koortsdroom wanneer hij zwaar gewond, bijna stervend is teruggekeerd in het huis van de Toerbins. In psychedelische beelden droomt hij hoe zijn kolonel en zijn zuster niet alleen voor maar ook om zijn leven strijden en hoe hij uiteindelijk gered wordt door de klok in de eetkamer, die het hele boek door al symbool staat voor de huiselijke vrede.

Menselijke vrede, een sfeer waarin liefde en loyaliteit kunnen gedijen, daar is het Boelgakov om te doen, dat gaat hem aan het hart. Zozeer zelfs dat hij desnoods de bolsjevieken accepteert als hoeders van die vrede. Aan het eind van 'De Witte Garde' trekt het Rode Leger de stad in.

Niet alleen Aleksej Toerbin, ook Boelgakov vond zijn vrede met het bolsjevisme. Althans, zolang het duurde. En dat was zolang zijn toneelstuk 'De dagen der Toerbins', gebaseerd op 'De Witte Garde', met succes werd opgevoerd en door Stalin hoogstpersoonlijk twaalf maal werd bezocht. Dezelfde Stalin aan wie Boelgakov later vergeefs hartstochtelijke verzoeken richtte om naar Parijs te mogen emigreren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden