Review

Louise Colet meer dan de Muze van 'lafaard en ploert' Gustave Flaubert

Francine du Plessix Gray: Het leven van Louise Colet. Vert. Marijke Versluys. Atlas, Amsterdam; 544 blz. - ¿ 59,50.

Het aardige van deze biografie is dat ze niet alleen een beeld geeft van een temperamentvolle en wilskrachtige vrouw, maar ook van de politiek woelige tijd waarin zij leefde en van de mores in het Parijse literaire wereldje. Veel amoureuze anekdotes kruiden het relaas, en volgens goed-Amerikaanse traditie heb je het gevoel dat je de beroemdheden in de salon bij de haard zelf ontmoet.

Louise Révoil werd in 1810 geboren in het kasteel van Servanes, in de buurt van Aix-en-Provence. Ze was de jongste van zes kinderen. Haar moeder was van lage landadel, haar vader een telg uit de hogere bourgeosie. Louise was 'anders' dan haar uiterst conservatieve broers en zusters: eigenzinnig, opvallend mooi, en bezeten door honger naar kennis. Gezeten in een pijnboom om te ontsnappen aan de pesterijen van broers en zussen, droomde ze, inmiddels al dik in de twintig, van een ridder op een wit paard die haar uit de provinciale verveling zou verlossen en naar Parijs zou voeren.

De mannen leken wat beducht voor de belezen schoonheid. Toch werd ze uiteindelijk ten huwelijk gevraagd. Hippolyte Colet had weinig van een ridder. Hij kwam niet eens opdagen op hun trouwdag, die dus zonder decorum nog eens over moest. Maar deze aspirant-componist was net als Louise vastbesloten Parijs te veroveren. Daar wachtte het jonge paar het bekende lot: de hooggestemde verwachtingen botsten op de grimmige realiteit. Ze hadden geen rooie cent, maar Louise zou het succes via haar pen bemachtigen. Op het nippertje hoorde ze van een poëzieprijsvraag van de Académie Française, met als thema het nèt heropende Musée de Versailles: binnen drie dagen componeerde ze 58 coupletten ter meerdere glorie van de nationale helden die daar afgebeeld hingen. En zo sleepte ze, anoniem, de prestigieuze prijs in de wacht. Toen men ontdekte wie de winnares was - een jonge schoonheid vers uit de provincie - lag Parijs aan haar voeten.

Louise rustte niet voor ze haar eigen salon had, gewoon in het kleine appartement dat ze met Hippolyte bewoonde. Daar ontving ze op donderdagavond, rondom haar befaamde poulet à la provençale, die aardige heren van de Académie. Later werd op een andere middag haar salon het trefpunt voor de meer progressieve kunstenaars en schrijvers.

Toch waren jeugd, schoonheid en talent niet voldoende. Een invloedrijke minnaar was bijna onontbeerlijk, wilde een vrouw iets bereiken. Het werd de filosoof Victor Cousin. Maar diens jarenlange pogingen om haar definitief aan zich te binden stuitten op Louise's absolute drang naar onafhankelijkheid. Toen zij een dochter kreeg, waar Cousin waarschijnlijk niet ten onrechte de vader van dacht te zijn, wilde de trotse moeder slechts een toelage voor het meisje ontvangen, niet voor zichzelf.

Drie jaar na haar aankomst in Parijs kon ze tevreden zijn: de dertigjarige Madame Colet, bijgenaamd de Muze, was een beroemd dichteres, nog steeds een veelgeroemde schoonheid, wat gezet, bij voorkeur gehuld in een hemelblauwe jurk die precies bij de kleur van haar ogen paste. Vier keer zou zij de poëzie-prijs van de Académie winnen, waarmee zij een van de weinige door die instelling bekroonde vrouwen werd.

In het atelier van Pradier, een bevriende beeldhouwer, ontmoette ze de man die haar leven zou veranderen: Gustave Flaubert. Er ontstond een stormachtige verhouding tussen de gevierde dichteres en de tien jaar jongere, onbekende romancier uit de provincie. Hun relatie, die acht jaar duurde met onderbrekingen, zou nooit simpel zijn. Daarvoor waren hun karakters, hun opvattingen over de liefde en het schrijverschap te verschillend. Flaubert, de 'beer' van Croisset (Normandië), was gehecht aan zijn vruchtbare eenzaamheid. “Ik ben een homme-plume”, schreef hij haar. “Als ik je iedere dag zou zien, misschien zou ik dan minder van je houden? ( . . ) Je leeft in het achterkamertje van mijn hart en zondags kom je eruit.”

Hoe belangrijk haar werk ook voor Louise was, zij liet zich door de liefde helemaal beheersen en kon niet zonder zijn lijfelijke aanwezigheid. Hun correspondentie stond al gauw in het teken van die spanningen. Helaas zijn alleen de brieven van Flaubert bewaard gebleven, op een paar uitzonderingen na. Maar als je zijn correspondentie erbij haalt, blijken veel van zijn brieven bijzonder liefdevol - mits je door de vaak grove directheid heenkijkt, en is Du Plessix' beeld van hem wel wat erg cynisch. Louise lijkt veel voor Flaubert te hebben betekend, maar niet altijd op de manier die zij wenste.

Ook de ideologische tegenstellingen waren groot. Flaubert geloofde niet in 'broederschap en dergelijke, ( . . ) steriele abstracties' die hij graag overliet aan charlatans en grappenmakers. De ellende van het volk raakte hem niet, schreef hij hooghartig aan Louise, die zich bevlogen inzette voor een betere wereld.

Flaubert voelde zich kennelijk tegelijk aangetrokken en afgestoten door haar levenslust, en gefascineerd door het monster dat - in die tijd - een schrijvende vrouw nu eenmaal was. “Ik heb altijd geprobeerd van jou een sublieme hermafrodiet te maken. Ik wil dat je man bent tot de hoogte van de buik (van bovenaf). Je valt me lastig en verwart me en schaadt jezelf met dat vrouwelijke element”, schreef hij haar . . .

Na drie jaar kwam het tot een breuk. Flaubert vertrok naar de Oriënt met zijn vriend Maxime Du Camp. Voor Louise waren dit sombere jaren. Een zoontje stierf vlak na zijn geboorte. Ook Hippolyte overleed. Ondanks hun scheiding had ze hem liefdevol verpleegd tot aan zijn dood. Na een moeilijke, betrekkelijke stilte van drie jaar zette Louise alles op alles om het contact met Flaubert te hervatten. Ze besloot hem na zijn terugkomst uit het Oosten op te zoeken in Croisset - voor haar verboden terrein, want daar heerste Flauberts moeder, met wie hij een vrij neurotische en exclusieve band had. Al Louise's pogingen om met moeder Flaubert in contact te komen en hun verhouding zodoende te normaliseren, waren gestrand op Flauberts onwil.

Ze liet echter niet afschrikken, nam de trein naar Rouen en de veerboot over de Seine naar Croisset. Bij het statige huis liet ze zich aankondigen, maar het kamermeisje werd teruggestuurd met de mededeling dat de heer des huizes haar niet kon ontvangen: hij zat aan tafel. Zo moest ze afdruipen, boos en vernederd, maar ze kreeg toch haar zin: hij bezocht haar die avond in Rouen. Het eerste gesprek verliep stroefjes. Later schreef hij haar: “Uw gezelschap is mij aangenaam wanneer het niet onstuimig is ( . . ) gevoelens vind ik even weerzinwekkend als daden.”

Geleidelijk echter hervatten ze hun relatie. De verhouding, hoe intens ook, bleef echter problematisch, al had Louise wel geleerd haar bezitsdrang en buien enigszins in te tomen. Flaubert vond in haar het ideale klankbord - en misschien ook een bron van inspiratie - bij het formuleren van zijn gedachten over zijn nieuw boek, 'Madame Bovary'. De brieven aan Louise uit dit periode vormen een uniek document over het ontstaan van deze roman. Flauberts breuk met de romantiek kun je op de voet volgen, evenals de 'bekering' tot het realisme.

In dat licht moeten ook de scherpe commentaren op Louise's schrijftrant worden gelezen: hij kastijdt in haar niet alleen wat hij op zich al afkeurt, maar misschien ook neigingen die hemzelf niet vreemd waren. Overigens vind ik in zijn harde kritiek ook bijzonder veel vriendschap schuilen: je moet veel respect voor elkaar hebben wil je elkaar zo de waarheid kunnen zeggen. Maar hard is de confrontatie zeker. “Vind je niet dat alles tegenwoordig oplost in afscheiding van het vochtige element: tranen, woordenvloed, gemelk? De hedendaagse literatuur verdrinkt in de maandstonden van vrouwen.”

In 1855 komt het met Flaubert toch tot een definitieve breuk. Eén laatste, laconiek en hufterig briefje: “Mevrouw, ik heb vernomen dat u gisteren in de loop van de avond de moeite hebt genomen bij mij aan te bellen, Ik was er niet (en) de wellevendheid (gebiedt mij) u te zeggen dat ik er nooit zal zijn. Ik heb de eer u te groeten.” “Lafaard, bangerik, ploert”, is haar boze commentaar in de kantlijn van zijn brief.

In de verwijdering tussen Flaubert en Louise speelden zijn boezemvrienden Maxime Du Camp en Louis Bouilhet een niet te onderschatten rol. Aanvankelijk waren zij de confidents en boodschappers van hun liefde, maar zodra ze hun kans zagen, dreven ze een wig tussen hun vriend en de Muze die zoveel van zijn aandacht vroeg. In hun correspondentie van na de breuk klinkt opgelucht de toon van mannen onder elkaar. Vooral Du Camp zal later geen kans voorbij laten gaan om Louise zwart te maken en haar betekenis voor Flaubert te bagatelliseren. Dat portret heeft lange tijd het beeld van Louise bepaald.

Maar Louise is met Flaubert nog niet klaar. Ten eerste omdat ze het verdriet om hun breuk zal blijven voelen tot aan haar dood; ten tweede omdat zij op een pijnlijke en botte manier aan hun verhouding zal worden herinnerd. In 1857 verschijnt 'Madame Bovary'. Geschokt moet Louise tal van intieme gebeurtenissen herkennen: de beroemde scène waarin Emma Bovary zich laat verleiden in een rijtuig waarvan de gordijnen dicht zijn gedaan, leek wel erg op de eerste amoureuze tocht van Louise en Flaubert, maar dan in een grotesk daglicht geplaatst. En zo was er meer. Ook het personage van Emma zelf had het een en ander gemeen met Louise, met name haar door de romantische literatuur gevoede dweepzucht en hunkering naar Liefde. Verbitterd verwerkte Louise haar vernedering in een sleutelroman, 'Une histoire de soldat'. Het Parijse publiek smulde, maar alle gram ketste af op Flauberts pantser van ironie.

Na deze affaire zou Louise zich nog troosten met deze of gene, onder wie de hooggestemde dichter Alfred de Vigny. Maar niemand kon Flauberts plaats innemen. Wat voor haar pleit, is dat ze zelfs toen ze zich door hem in de steek gelaten voelde, in haar brieven en dagboeknotities zijn talent scherp ziet en oprecht bewondert.

De laatste twintig jaar van het leven van Louise Colet stonden in het teken van de politieke strijd. In 1895 trok zij naar Italië, om daar als politiek verslaggeefster de strijd voor de eenheid van Italië van nabij mee te maken. Ze wist ze allemaal te ontmoeten: Mazzini, Cavour, Garibaldi, en begaf zich als gepassioneerd vrijheidsstrijder aan het front. Bij een tweede bezoek aan Italië nam ze - inmiddels 55 - het Vaticaan onder het mes. Met haar vlijmscherpe satirische pen klaagde ze de clerus aan vanwege machtswellust, hypocrisie en uitbuiting.

Het is alsof Louise in die laatste jaren steeds feller werd en steeds scherper het onrecht en de onderdruking om zich heen zag. In eigen land en daarbuiten werd ze bewonderd en gevreesd om haar rake satires. Ik moet zeggen dat die mij ook meer geboeid hebben dan haar dichterlijke werk, dat misschien niet minder is dan dat van bekende tijdgenoten, maar door de pathos nauwelijks meer te lezen.

Tot het einde toe bleef ze haar idealen trouw en zette ze zich in voor de rechten van het volk, en van de vrouwen. In 1869 liet zij zich als verslaggeefster voor een progressief dagblad naar de opening van het Suez-kanaal sturen - een 'oude vrouw' van bijna zestig, zwaarlijvig, vaak ziek, soms wanhopig, maar niet te stuiten. In Istanbul hoorde ze van de val van de gehate Napoleon III. Ze haastte zich terug naar Parijs.

Ook tijdens de bloederige Parijse Commune van 1871 stond Louise aan de kant van het volk. Ze schreef een ontzet en woedend pamflet over de excessen van de gevestigde orde, 'La vérité sur l'anarchie'. Haar laatste jaren waren weinig opwekkend. Slechte longen en geldgebrek bleven haar tot het einde toe plagen, al vond ze troost in een paar warme vriendschappen. De band met haar dochter, even conservatief als vroeger haar broers en zusters, was weliswaar sterk maar vol verdriet en wederzijds onbegrip.

Ze stierf in 1876, 66 jaar oud. Het blad La Gironde schreef een voor die tijd kenmerkend ambivalente necrologie: “Het onrustige leven van de arme Louise Colet is ten einde. Haar ziel was allesbehalve banaal. ( . . ) De arme vrouw had het ongeluk dat ze geen maat wist te houden. ( . . ) Maar toch mogen we nooit vergeten dat ze zich met grote toewijding inzette voor nobele doelen en dat ze zich in een periode van schandelijk moreel verval onderscheidde door haar trotse, onafhankelijke geest”.

En Flaubert, naar aanleiding van haar dood, in een brief aan een vriendin: “U kunt het wel raden hoezeer de dood van mijn arme Muze me heeft aangegrepen. ( . . ) Ik heb zoveel dingen vertrapt om te kunnen leven!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden